Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/1.2
1.2 Probleemstelling
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346782:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.3.
Zie par. 4.3.
Zie bijvoorbeeld de monografieën over gemeenschap: Asser/Perrick 3-V 2015; Van Mourik & Schols 2015. Tevens kan hierbij worden gedacht aan het preadvies over verdeling in de notariële praktijk ten behoeve van het wetenschappelijke congres van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie 2012 (Van Mourik e.a. 2012) en de dissertatie van Tuil (Tuil 2009).
Met gedateerde literatuur is hier bedoeld literatuur die niet recent is uitgekomen of niet langer met behandeling van de bedoelde problematiek in een recente druk verkrijgbaar is. Hiermee is niet gezegd dat dergelijke literatuur geen actualiteitswaarde meer zou hebben. Zie over de bedoelde problematiek bijvoorbeeld: Asser/Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 327; Kleijn 1969, p. 2 e.v.; Schoordijk 1983, p. 100 e.v.
Zie par. 2.2-2.4.
Zie par. 2.2-2.4.
Het kennen van de inhoud en reikwijdte van het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW is een voorwaarde voor de juiste toepassing van dat begrip. Een blik op de parlementaire geschiedenis, de jurisprudentie en de literatuur leert echter dat over de inhoud en reikwijdte van dit verdelingsbegrip geen eenduidigheid bestaat.1 Zo wordt bijvoorbeeld van mening verschild over de vraag in hoeverre het begrip ‘verdeling’ in het wettelijke verdelingsbegrip tevens de voor verkrijging krachtens verdeling voorgeschreven leveringshandeling omvat.2 Evenmin bestaat er eenduidigheid over de mate waarin in het rechtsverkeer de toepasselijkheid van de rechtshandeling van verdeling kan worden aangenomen. Deze punten raken aan de uitleg van de beide volzinnen van het verdelingsbegrip en hebben consequenties voor de afbakening van de rechtshandeling van verdeling ten opzichte van andere rechtshandelingen.
Hoewel er op het gebied van gemeenschappen goede monografieën voorhanden zijn, ontbreekt het in hedendaagse literatuur aan een voldoende systematische behandeling van de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling.3 Een systematische uiteenzetting daarvan ontbreekt met name indien er sprake is van drie of meer tot de gemeenschap gerechtigde deelgenoten. Alleen in gedateerde literatuur kan nog over deze problematiek worden gelezen, zij het dat de opvattingen hierover uiteen lopen.4 Dit gebrek aan eensluidendheid dan wel het ontbreken van enige opvatting op dit punt heeft verregaande consequenties. Deze consequenties doen zich zelfs voelen bij het oplossen van ogenschijnlijk eenvoudige casusposities. Bijvoorbeeld:
ABC à 1/3 naar B 2/3, C 1/3 (A treedt uit).
ABC à 1/3 naar B 5/6, C 1/6 (A treedt uit).
ABC à 1/3 (3 zaken) naar A 1/1 (zaak 1), B 1/1 (zaak 2), AB à 1/6, C 4/6 (zaak 3).
In hoeverre kan in de hier vermelde casusposities krachtens verdeling het beoogde rechtsgevolg worden bereikt? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, dient een analyse te worden gemaakt van de vereisten die overeenkomstig de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip bepalen of een rechtshandeling als verdeling wordt aangemerkt. In het bijzonder gaat het daarbij om het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg en de door de deelgenoten aan de totstandkoming van verdeling te verlenen medewerking.
Blijkens het wettelijke verdelingsbegrip geldt als het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg het door een of meer deelgenoten verkrijgen van een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten. Voor de toepassing van dit criterium dient de vraag te worden gesteld wat het grondbeginsel van verdeling inhoudt. Onder het grondbeginsel van verdeling versta ik het principe dat ten grondslag ligt aan de verdeling en het effect van de verkrijging krachtens verdeling in zijn essentie beschrijft. Dit grondbeginsel van verdeling zal ik in deze studie aanduiden als de maatstaf voor verdeling. De vraag naar de inhoud van dit beginsel houdt verband met de vraag naar het rechtskarakter van verdeling. Aan het rechtskarakter van verdeling wordt in de literatuur vaak in beperkte zin aandacht besteed. Veelal wordt over het rechtskarakter van verdeling gedacht in termen van ‘declaratief’ en ‘translatief’.5 Dat hierbij wordt gerefereerd aan een belangrijk element voor de werking van verdeling kan niet worden ontkend. Een dergelijke benadering van het rechtskarakter van verdeling heeft consequenties voor bijvoorbeeld de wijze waarop moet worden gedacht over het goederenrechtelijke effect van verdeling en de positie van derden in verband met het beschikken over aandelen in de gemeenschap gedurende het bestaan van de onverdeeldheid.6 Toch mag het rechtskarakter van verdeling hiertoe niet worden versmald. Het rechtskarakter van verdeling wordt in de eerste plaats bepaald door het beginsel dat aan de verdeling ten grondslag ligt en de essentie beschrijft van het effect van de verkrijging krachtens verdeling ofwel het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg. Het gebrek aan doordenking van de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling kan mede worden teruggevoerd op het ontbreken van het in voldoende mate doordenken van dit beginsel. Om deze reden zal ik mij in dit onderzoek toeleggen op de analyse van dit aan verdeling ten grondslag liggende beginsel.
Blijkens het wettelijke verdelingsbegrip geldt dat het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg dient op te treden krachtens een rechtshandeling waartoe alle deelgenoten medewerken. Ten behoeve van de afbakening van de rechtshandeling van verdeling zal daarom een analyse worden gemaakt van de voor verdeling vereiste medewerking, mede in het licht van de analyse van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg.
Na de vaststelling van de vereisten die als geheel genomen de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling bepalen, zal tevens een reflectie plaatsvinden op de wijze waarop aan deze criteria in de formulering van het wettelijke verdelingsbegrip uitdrukking is gegeven.
Op grond van de uitkomsten van het onderzoek zal de rechtstheorie waar nodig worden aangevuld. Tevens zal aan de hand van de rechtstheoretisch aspecten aandacht worden besteed aan de uit het onderzoek voortvloeiende gevolgen voor de rechtspraktijk.
Samengevat zal deze studie gericht zijn op het doordenken van de rechtstheoretische kaders van verdeling, in welk verband onderzoek zal worden gedaan naar de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling in het algemeen en het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW in het bijzonder.