Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.4
5.3.4 Toetsing van gegronde vrees voor verduistering
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494632:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De verzoeker moest aantonen dat de schuldenaar (reeds) had aangevangen met het verduisteren van zijn roerende goederen.
Dit zijn: beslag onder de schuldenaar op roerende zaken, rechten aan toonder of order, op rechten waarvan executie niet elders is geregeld en op niet-opeisbare rechten waarvoor derdenbeslag mogelijk is (art. 711-713 Rv), tot verhaal op een geldvordering onder de schuldenaar beslag op aandelen op naam, en effecten op naam die geen aandelen zijn en daarmee gelijk gestelde rechten (art. 714-717 Rv), tot verhaal van een geldvordering onder de schuldenaar op onroerende zaken (art. 725-727 Rv), martiaal beslag (art. 768-770c Rv), en ter keuze naast spoedeisend beslag: bewijsbeslag betreffende rechten van intellectuele eigendom (art. 1019b lid 1 jo art. 1019c lid 1 Rv). Bron: Beslagsyllabus augustus 2012. Dit betekent dat voor het meest voorkomende beslag, namelijk derdenbeslag onder een financiële instelling, het beoordelingcriterium van vrees voor verduistering dus niet geldt.
In de oorspronkelijke lezing van dit artikel was het een vereiste dat de schuldeiser aantoonde dat zijn schuldenaar had aangevangen zijn roerende goederen te verduisteren. In 1897 gaat dit ook gelden voor onroerende goederen en is gegronde vrees voor verduistering voldoende (in de zin van feiten stellen en zo nodig aannemelijk maken, die het vermoeden wettigen dat de schuldenaar de goederen zal wegmaken tot schade van zijn crediteuren): Cleveringa 1972, p. 1477-1480.
Gerechtshof Amsterdam 10 januari 2012, rov. 2.9, LJN BV0477. Het betrof een conservatoir beslag op aandelen op naam, zodat artikel 714 Rv van toepassing was. Het gerechtshof overwoog: ‘de enkele omstandigheid dat een debiteur zich tegen een vordering verweert en niet vrijwillig wenst te betalen is onvoldoende om een gegronde vrees voor verduistering te kunnen aannemen.’
Het aantonen van vrees voor verduistering is met een korrel zout te nemen, aldus Huydecoper 2006, p. 19 (noot 17). Voorts: ‘De eis van ‘vrees voor verduistering’ heeft niet veel om het lijf,’ zo schrijft Van Mierlo (Burgerlijke Rechtsvordering) losbladige Kluwer, boek 3, titel 4, Inleiding conservatoir beslagrecht, aant. 2.
Huydecoper 2006, p. 19.
Paragraaf 10.3.5 inzake het reële gevaar.
Paragraaf 6.4.6.
In vroeger dagen was de beslaglegger in alle gevallen gehouden om bij het vragen van verlof voor beslaglegging vrees voor verduistering aan te tonen.1 De gedachte hierachter was dat beslag alleen gerechtvaardigd is wanneer er serieuze aanwijzingen zijn dat een schuldenaar vermogenbestanddelen aan verhaal zal onttrekken. Als gevolg van wijzigingen in de wettelijke regeling speelt de verplichting van het aantonen van vrees voor verduistering door de verzoeker nu in nog slechts een beperkt aantal gevallen een rol.2 Het gaat hierbij om het stellen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat er een gegronde vrees bestaat dat de aankomend beslagene vermogensbestanddelen zal verduisteren en daarmee aan het verhaal van zijn schuldeisers zal onttrekken.3 Gerechtshof Amsterdam bepaalde dat de enkele omstandigheid dat een vordering onbetaald blijft onvoldoende is om het bestaan van gegronde vrees voor verduistering te veronderstellen.4 In de doctrine wordt regelmatig verwezen naar de beperkte inhoud van deze toetsing.5 Deze situatie is anders in de rechtsstelsels van de ons omringende landen, waar nagenoeg onverkort geldt dat vrees moet bestaan dat vermogensbestanddelen aan verhaal onttrokken worden en dit ook deugdelijk aannemelijk moet worden gemaakt.6 Ook het voorstel Europees bankbeslag kent als voorwaarde voor het uitvaardigen van een EAPO (verlof tot het leggen van bankbeslag) dat sprake dient te zijn van reëel gevaar dat de beoogd beslagene tegoeden op een bankrekening onttrekt aan verhaal. Het criterium wordt gehanteerd in het kader van de redenen waarom het beslag nodig is.7
De wijze van toetsing op het aspect vrees voor verduistering door voorzieningenrechters en secretarissen in Nederland, is divers gebleken. Deze varieert van ‘stellen is voldoende’ (de grondslag is bepalend) tot ‘ik wil een nadere onderbouwing met feiten’ (want het is een onderdeel van de toetsing). Het dilemma van deze toetsing bestaat hieruit dat de vrees vaak niet volgt uit feiten maar uit vermoedens, een ‘horen zeggen’ aan de zijde van de verzoeker. Uit de onderzoeksgegevens over het opheffingskortgeding kan worden geconcludeerd dat van een verband tussen het criterium vrees voor verduistering en het opheffingskortgeding, in tegenstelling tot de situatie in de jaren 1980 , heden ten dage niet meer kan worden gesproken. Toentertijd speelde vrees voor verduistering nog een belangrijke rol als opheffingsgrond in opheffingskortgedingen.8 Van een reflexwerking is hier derhalve geen sprake (meer).