Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.8:10.4.8 Verrekening van voorlopige preventieve maatregelen met de straf
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.8
10.4.8 Verrekening van voorlopige preventieve maatregelen met de straf
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de soortgelijke aanbeveling van de RSJ (2011(b), p. 22) met betrekking tot de verrekening van ingrijpende schorsingsvoorwaarden met de op te leggen straf.
Nagedacht kan worden over de ontwikkeling van oriëntatiepunten voor de verrekening van voorlopige preventieve maatregelen met de opgelegde straf.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het huidige artikel 27 Sr, dat voorschrijft dat de zittingsrechter gehouden is om bij het opleggen van een vrijheidsstraf of taakstraf de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering te brengen, krijgt ook een plaats in het voorgestelde nieuwe model. Het betreft hier dus de tijd die de minderjarige verdachte onderworpen is geweest aan een voorlopige preventieve maatregel die voorlopige hechtenis met zich brengt (zie 9°, 10° en 11° in par. 10.4.2). Voorts kan de zittingsrechter ook bij het opleggen van een geldboete bepalen dat de in voorarrest doorgebrachte tijd zal worden verrekend. Evenals bij opleggen van een taakstraf, dient de rechter in dat geval in zijn uitspraak te bepalen volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
In aanvulling op hetgeen bepaald in het huidige artikel 27 Sr, wordt in het voorgestelde nieuwe model aan de wetsbepaling toegevoegd dat de zittingsrechter kan beslissen dat ook de tijd die een minderjarige veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak gebonden is geweest aan andere voorlopige preventieve maatregelen dan voorlopige hechtenis (zie 1° tot en met 8° en 12ë), in mindering kan worden gebracht op de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraf, taakstraf of geldboete.1 Hierbij geldt wederom dat de zittingsrechter die hiertoe beslist in zijn uitspraak bepaalt volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.2 Hiermee kan de zittingsrechter bij de strafoplegging rekening houden met het ingrijpende karakter van bijvoorbeeld de vrijheidsbeperkende voorlopige preventieve maatregelen die een veroordeelde reeds heeft moeten ondergaan in de voorfase van het strafproces.