Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.4.2:7.4.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.4.2
7.4.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451601:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kwalificatie van de boerka in de wetsvoorstellen van Balkenende IV en Rutte II kan vanuit politiek-filosofisch perspectief worden geduid als accommodationistisch. Let wel, het gaat hier dan enkel om de wijze waarop bepaalde uitingen en gedragingen worden gekwalificeerd en niet of de rechtsorde vervolgens ook het dragen van de boerka toestaat (dus om de accommodatie van de erkenning niet van de gedraging als zodanig). In de wetsvoorstellen van Balkende IV en Rutte II wordt niet aan de hand van objectieve maatstaven bepaald of het dragen van een boerka een religieuze uiting is. Men gaat uit van de verklaringen van de justitiabele. De rechtsorde accommodeert religieuze pluriformiteit doordat bij de totstandkoming van wetgeving wordt erkend dat het dragen van een boerka kan zijn ingegeven door een religieus motief. Zoals gezegd is dit in de voorstellen niet een zwaarwegende reden om af te zien van een verbod omdat er andere redenen (die liggen vervat in de beperkingssystematiek van de godsdienstvrijheid) zijn die het vanuit het perspectief van de indieners noodzakelijk maken om de boerka te verbieden.
In de wetsvoorstellen van Wilders en Fritsma, van Kamp en van Rutte I gaat men ervan uit dat het dragen van de boerka een islamitische uiting is. In deze voorstellen wordt niet onderbouwd met objectieve maatstaven waaruit blijkt dat het dragen van een boerka een islamitische uiting is. Deze kwalificatie lijkt te zijn ingegeven door de veronderstelling dat iedereen het er in de maatschappij over eens is dat het dragen van een boerka een islamitische uiting is. Deze veronderstelling is moeilijk in verband te brengen met een juridische of politiek-filosofische legitimatie.
De wijze waarop in de jurisprudentie van het EHRM, de nationale rechter en de CGB over het algemeen de boerka en andere kledij, symbolen en omgangsvormen worden gekwalificeerd past bij een gematigd accommodationistisch perspectief. Men accommodeert religieuze pluriformiteit doordat men bij de vraag wat telt als godsdienst(ig) de verklaring van de justitiabele als uitgangspunt neemt. Hierbij geldt echter wel een voorbehoud. Zowel uit de jurisprudentie van het EHRM, de nationale rechter en de CGB blijkt dat uitingen en gedragingen met een singulier karakter niet worden erkend als godsdienstige uiting of gedraging. De uiting of gedraging mag niet volledig zijn ingegeven door individuele of subjectieve opvattingen. Vanuit een meer politiek-filosofisch perspectief past deze benadering bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Men is tolerant ten aanzien van traditionele gevestigde religies maar niet voor atypische, singuliere en exotische overtuigingen.