Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.3.3:2.4.3.3 De wetgever volgt het EHRM en de Hoge Raad met wetsvoorstel 21 058 in 1989
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.3.3
2.4.3.3 De wetgever volgt het EHRM en de Hoge Raad met wetsvoorstel 21 058 in 1989
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270081:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Roording 1992a, p. 4 beschrijft dat Geppaart dit stelde in zijn verslag van het symposium “De fiscale boete” van 25 juni 1992, alwaar Geppaart één van de sprekers was.
Wattel en Feteris 1993, p. 8 en 9.
Wortel 1991, p. 65.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na het hiervoor beknopt weergegeven advies van de Hoge Raad was het de beurt aan de regering. De focus lag bij de regering ook nog op een verscherping en uitbreiding van de boetemogelijkheden, hetgeen niet vreemd was gezien de focus op fraudebestrijding die in die tijd prominent bestond. Op de tweede plaats kwam de aandacht voor de aanpassing van het systeem aan art. 6 EVRM.
Het op 13 maart 1989 ingediende wetsvoorstel 21 058 bevatte uiteindelijk onder andere de volgende elementen:
Er moest een boete bij komen, namelijk de 100%-boete bij primitieve aanslagregeling in geval van een verwijtbare onjuiste aangifte. De reden voor invoering van deze boete was de ervaring dat koppelbazen, die opzettelijk geen aangifte deden, niet alleen om de fiscus in onzekerheid lieten over het werkelijk genoten inkomen, maar ook voorkwamen dat men beticht zou kunnen worden van het doen van valse aangifte. Het werd daarom wenselijk geacht in al deze gevallen een 100%-boete te kunnen opleggen.1 Geppaart noemde dit voorstel de achilleshiel van de herziening van het fiscale boetestelsel. Volgens hem bestaat er geen enkele zekerheid dat deze aanscherping van het sanctiesysteem enige (positief) effect zou hebben op het gedrag van belastingplichtigen. Hij meende dat de invoering van deze boete er alleen maar toe zou leiden dat nog sneller zou worden geprocedeerd, nu in het stadium van de primitieve aanslag feiten en recht nog niet zouden zijn uitgekristalliseerd.2
Voorts werd het maximum van een boete fors verhoogd, namelijk tot 100% bij te late betaling van een aangiftebelasting, doch vóór naheffing (dat was slechts 10%3). De grond hiervoor was belastingplichtigen die het op controle lieten aankomen met een hogere strafkans te confronteren en te ontmoedigen. Bleek de Belastingdienst het bij de controle door te hebben, dan haastten zij zich anders namelijk naar het ontvangkantoor om alsnog te betalen. Aangezien dan voor de naheffingsaanslag was betaald, kregen zij in het voorheen bestaand systeem slechts een boete van 10%. Deze belastingplichtigen, die nooit betaald zouden hebben als zij niet waren gecontroleerd, moesten 100% kunnen krijgen, zo beschrijven Wattel en Feteris.4
Daarnaast werd besloten dat de verhogingen niet langer moesten worden beschouwd als onderdeel van de belastingaanslag doch als boeten die bij afzonderlijke uitspraak of beschikking moesten worden opgelegd. Boeten moesten niet langer voortvloeien uit de wet, maar een bevoegdheid scheppen voor de inspecteur. De belastingrechter zou de beschikking tot het opleggen van een boete integraal kunnen toetsen, en de rechter zou in beroep een opgelegde boete ook kunnen verlagen of verhogen.5
Tot slot werden de regels waaruit bleek dat de bewijslast bij de fiscus moest liggen, gecodificeerd.6