Revindicatoire aanspraken op giraal geld
Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.7:3.7 Conclusie
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.7
3.7 Conclusie
Documentgegevens:
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS587568:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geld is naar zijn aard onstoffelijk. Het kan, voor wat betreft zijn functie als betaalmiddel, worden gedefinieerd als een abstracte beschikkingsmacht bestemd om in concreet vermogen te worden omgezet. Deze abstracte beschikkingsmacht dient het uitgangspunt te zijn bij de vermogensrechtelijke begripsvorming over geld. Het is het onstoffelijke object van een revindicatoire (goederenrechtelijke) aanspraak.
De rechtsverhouding tussen de bank en de houder van een betaalrekening, bestaat uit een goederenrechtelijk en een verbintenisrechtelijk element. Het goederenrechtelijke element is het girale geld op de betaalrekening, uitgedrukt in een tegoed of creditsaldo. Het verbintenisrechtelijke element zijn de rekeningvoorwaarden (de `giro-overeenkomst'). Deze voorwaarden betreffen de verplichting tot het bijschrijven van girale tegoeden bestemd voor de rekeninghouder, het in opdracht van de rekeninghouder verrichten van afschrijvingen en het bewaren van geld in de periode gelegen tussen bij- en afschrijving. De bank vervult daarbij de rol van intermediair. Soms staan de rekeningvoorwaarden een debetsaldo toe (de `kredietfaciliteit'). Bij een betaalrekening met een debetsaldo is de bank, naast intermediair voor inkomende en uitgaande betalingen, schuldeiser van de rekeninghouder. Het onderscheid tussen geld, giro-overeenkomst en kredietfaciliteit is noodzakelijk voor het reguleren van verhaal op giraal geld en de rechtsvragen die zich daarbij in de praktijk aandienen. De heersende leer maakt dit onderscheid niet of slechts in beperkte mate. Geld, giro-overeenkomst en kredietfaciliteit blijven in de heersende leer verscholen achter de obligatoire verhoudingen van artikel 6:140 BW, de rekening-courant.
De heersende leer abstraheert feitelijk de girale vermogensovergang (nagenoeg) geheel van de rechtsverhouding tussen betaler en begunstigde. Dat is een inbreuk op het causale stelsel van overdracht zoals dat aan het BW ten grondslag ligt en is bovendien te weinig genuanceerd in het licht van het hedendaagse girale betalingsverkeer waarbij de herkomst en bestemming van een tegoed volgen uit de betalingsopdracht. Het (onnodig) abstraheren van de onderliggende rechtsverhouding is een obstakel bij het reguleren van verhaal op giraal geld. In mijn zienswijze dient de volgende afweging te worden gemaakt ter beantwoording van de vraag of de creditering van een betaalrekening als bedoeld in artikel 6:114 lid 1 BW heeft geleid tot een vermogensovergang van het bijgeschreven girale geld. In de eerste plaats dient aan de betaling een geldige en legitimerende rechtsverhouding tussen partijen ten grondslag te liggen. Als deze ontbreekt, kan in de tweede plaats de bescherming van het handelsverkeer, in het bijzonder het belang van een ongestoorde geldcirculatie, een reden zijn een vermogensovergang te aanvaarden. De begunstigde van geld mag immers niet worden geconfronteerd met aanspraken op dat geld waar hij geen rekening mee behoefde te houden. In een beperkt aantal gevallen geven noch het ene, noch het andere gezichtspunt reden voor een vermogensovergang. In deze gevallen heeft de betaler een revindicatoir recht op het geld dat op de betaalrekening van de begunstigde is bijgeschreven.
In de navolgende hoofdstukken zullen deze alternatieve zienswijze, die ik hier als een blauwdruk heb weergegeven, toepassen op de kwaliteitsrekening (hoofdstuk 4), restitutie na onmiskenbare vergissingen (hoofdstuk 5), automatische incasso (hoofdstuk 6) en verrekening tijdens en in het zicht van faillissement (hoofdstuk 7).