Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.6.2
3.6.2 Inbedding in het BW.• artikel 6:203 lid 2 BW
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS586387:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2, par. 6.2: 'Het is, met andere woorden, een absoluut immaterieel recht of, in terminologie van het Burgerlijk Wetboek, een goed in de zin van artikel 3:1 BW.'
Toch kan men zich afvragen of het, in het licht van de tendens tot dematerialisatie, op termijn niet onvermijdelijk zal blijken het begrip zaak te verruimen en daar ook onstoffelijke objecten onder te begrijpen. Over de brede maatschappelijke tendens tot demateralisatie zie Hoofdstuk 2, par. 6. Zie ook het pleidooi van De Jong voor een opening in het goederenrecht via de voorwerpen van recht, De Jong (2006) p. 174-178.
Over de onverschuldigde betaling uitvoerig Scheltema (1997). Op p. 130-134 vergelijkt hij de onverschuldigde betaling met revindicatie.
Hoofdstuk 5, par. 3.3 en 6.3.
Hoe kan een revindicatoire aanspraak op giraal geld worden ingebed in het BW? Ik concludeerde eerder dat geld in het vermogensrecht moet worden geplaatst tussen eigendom en vordering.1 Er dienen zich dus twee mogelijkheden aan: een uitbreiding van het eigendomsrecht Cof een vorderingsrecht voorzien van de trekken van een absoluut werkend recht.
Wordt gekozen voor de uitbreiding van het eigendomsrecht, dan moet worden verdedigd dat het begrip 'zaak' in artikel 5:2 BW soms ook betrekking heeft op onstoffelijke objecten, zoals in dit geval giraal geld. Het voordeel van deze zienswijze is dat hij nauw aansluit bij mijn kwalificatie van giraal geld als het object van een goederenrechtelijke aanspraak. Een bezwaar is echter dat hij in strijd is met de letter van de wet. Volgens artikel 3:2 BW zijn zaken voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Bovendien past een dergelijke uitleg ook niet goed in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek dat juist handelt over zakelijke rechten. Boek 5 BW is specifiek ontworpen voor roerende en onroerende zaken en levert voor het overige dus nauwelijks passend recht op voor immateriële objecten.2
De andere mogelijkheid is om een vorderingsrecht soms een revindicatoire werking toe te kennen. Artikel 6:203 BW, de onverschuldigde betaling, biedt een logisch aanknopingspunt. Op grond van artikel 6:203 lid 1 BW is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd om dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Artikel 6:203 lid 2 BW betreft de onverschuldigde betaling van een geldsom. In dat geval strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag. Artikel 6:203 lid 2 BW dient zich daarmee aan als een recht dat een revindicatoire werking zou kunnen toekomen.
Daarmee is, voor alle duidelijkheid, dus niet gezegd dat er altijd sprake is van een dergelijke revindicatoire werking: alleen binnen het kader van het giraal betalingsverkeer, in de hier besproken gevallen en wellicht in enkele thans nog onvoorziene situaties. Artikel 6:203 lid 2 BW krijgt zo een hybride karakter, soms een vordering en soms een aanspraak op een onstoffelijk object.3
Als ik de mogelijkheden afweeg, meen ik dat het onder omstandigheden aanvaarden van een revindicatoire werking van artikel 6:203 lid 2 BW de voorkeur verdient boven een uitbreiding van het eigendomsrecht. In de eerste plaats sluit het, door de verwijzing naar 'betaling van een geldsom', nauw aan bij het betalingsverkeer. De revindicatoire aanspraak blijft daarmee beperkt tot verhaal op giraal geld en corrigeert alleen de bijwerkingen van de heersende opvatting dat partijen in het girale betalingsverkeer uitsluitend in obligatoire verhoudingen tot elkaar staan. Bovendien was de Hoge Raad naar mijn mening al dicht bij een dergelijke uitleg van artikel 6:203 BW in het arrest Van der Werff q.q.-BLG.4