Revindicatoire aanspraken op giraal geld
Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.6.1:3.6.1 Een revindicatoire aanspraak is mogelijk
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.6.1
3.6.1 Een revindicatoire aanspraak is mogelijk
Documentgegevens:
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS588772:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 1, par. 1.2. Ook bij verrekening door de bank, een andere door mij genoemde situatie, kunnen de onderliggende rechtsverhouding en de eisen van het handelsverkeer een rol spelen. De kaarten liggen hier echter anders vanwege de betrokkenheid van de bank als schuldeiser. Zie hierna hoofdstuk 7.
Een praktische toepassing volgt in de navolgende hoofdstukken.
Ik kom hierop terug in hoofdstuk 5, par. 5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als ik de situaties waarin door een causaal stelsel een goederenrechtelijke aanspraak op geld mogelijk wordt (paragraaf 5.1), afweeg tegen de beperkingen die daarop worden aangebracht door de belangen van het handelsverkeer (paragraaf 5.2), blijven er enkele gevallen over waarin noch de onderliggende rechtsband, noch de onbelemmerde geldcirculatie de overgang van vermogen kan rechtvaardigen. Juist in deze gevallen is, binnen de kaders van de heersende leer, het reguleren van verhaal op giraal geld problematisch gebleken: de kwaliteitsrekening, overschrijvingen ten gevolge van onmiskenbare vergissingen en restitutie na een onbevoegde incasso.1
Het goederenrechtelijk alternatief komt dan op het volgende neer. Indien de accipiënt, toen hij het geld op zijn rekening ontving, al wist of kon begrijpen dat het niet bestemd was om deel uit te gaan maken van zijn vermogen, bestaat er naar mijn mening geen noodzaak om toch een vermogensovergang aan te nemen. De accipiënt (of tijdens zijn faillissement diens curator) kan uit het rekeningoverzicht begrijpen van wie het geld afkomstig is en daaruit opmaken dat het tegoed moet worden gerestitueerd of, indien het geld ter beheer of bewaring is ontvangen, uitsluitend daarover mag beschikken ter uitvoering van de instructies van beheer of bewaring. Er bestaat hier naar mijn mening ook geen noodzaak om een vermogensovergang aan te nemen teneinde de ongestoorde geldcirculatie te beschermen. Ik zou willen betogen dat het geld onverkort deel is blijven uitmaken van het vermogen van de solvent, zelfs al staat het feitelijk geadministreerd op de rekening van de accipiënt. In deze gevallen komt aan de solvent een revindicatoire aanspraak toe op giraal geld.
Deze voorstelling van zaken kent een aantal voordelen ten opzichte van de heersende leer. Ten eerste is de afweging van enerzijds de aard van de rechtsbetrekking tussen partijen en anderzijds de eisen van het verkeersbelang aanmerkelijk genuanceerder dan de heersende opvatting. Terwijl deze laatste altijd abstraheert van de onderliggende verhouding, zelfs in de gevallen waarbij daarvoor geen duidelijke reden aanwijsbaar is, pleit ik voor een meer causale benadering en slechts dan een vermogensovergang aan te nemen als de aan de betaling ten grondslag liggende rechtsverhouding of de ongestoorde geldcirculatie dat rechtvaardigt.
Bovendien kunnen bij het bepalen van de reikwijdte van dit verkeersbelang ook de kenmerken van het girale betalingsverkeer worden betrokken. Ik denk daarbij in het bijzonder aan de omstandigheid dat de girale betaling administratieve sporen nalaat en de solvent kenbaar is uit het rekeningoverzicht. Indien daarbij ook de omvang van de overschrijving in ogenschouw wordt genomen, zal in veel gevallen de betaling in verband kunnen worden gebracht met een specifieke rechtsband tussen de solvent en de accipiënt en kan het rechtsgevolg worden bepaald dat hun beiden voor ogen stond.
Een laatste voordeel van mijn benadering is het potentieel om actuele rechtsvragen op te lossen.#$2 Met de vaststelling dat het hedendaagse girale betalingsverkeer niet als zuiver obligatoir behoeft te worden beschouwd en dat ook goederen-rechtelijke aanspraken mogelijk zijn, ondergaat het instrumentarium van rechtsfiguren dat kan worden ingezet bij het reguleren van verhaal op giraal geld, een voor de rechtspraktijk belangrijke uitbreiding. Dit zal in de eerste plaats een uitkomst bieden bij de vier typen rechtsvragen zoals die zich hebben aangediend in de Nederlandse jurisprudentie en die, als gezegd, problematisch zijn gebleken. In de volgende hoofdstukken zal ik dat per geval uitwerken. Het is echter niet uitgesloten dat in de praktijk van het girale betalingsverkeer zich ook andere situaties voordoen die hier niet door mij zijn besproken maar waarbij de erkenning van een revindicatoire aanspraak toch uitkomst biedt bij het reguleren van verhaal op giraal geld. Een zeer breed palet aan toepassingsmogelijkheden voorzie ik niet. Het gaat mij om het corrigeren van de bijwerkingen van de heersende opvattingen dat partijen in het girale betalingsverkeer uitsluitend in obligatoire verhoudingen tot elkaar staan en dat bovendien zonder afbreuk te doen aan een ongestoorde geldcirculatie.
De hier uiteengezette theorie leidt tot een verschuiving van de scheidslijn tussen het goederen- en verbintenissenrecht. Zij heeft tot gevolg dat de vermogensrechtelijke uitwerking van rechtsvragen over het verhaal op giraal geld zich voltrekt binnen het kader van artikel 3:276 BW (dus de vraag aan wiens vermogen een hoeveelheid geld moet worden toebedeeld) in plaats van artikel 3:277 BW (waarbij er a priori van wordt uitgegaan dat een hoeveelheid geld toebehoort aan de rekeninghouder). In dat laatste geval wordt de toekenning van een hoge prioriteit door de rechter aan een vordering tot restitutie, hoe gerechtvaardigd ook in de concrete omstandigheden van het geval, beschouwd als een inbreuk op het beginsel van de paritas creditorum en daarmee het wettelijk stelsel.3