Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.4.2
3.4.2 Reikwijdte
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859113:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1167.
Art. 4:187 BW biedt geen uitkomst in dit geval, omdat het alleen een invulling geeft van de goede trouw, maar de overdracht zelf niet heelt. Een beroep op art. 4:187 BW jo. art. 3:88 BW is dan ook vruchteloos. Zie daarover ook De Vries, WPNR 2020/7294, p. 611. Zie over art. 4:187 BW nader par. 3.5.
Asser/Perrick 4 2021/31.
Asser/Perrick 4 2021/31.
Asser/Perrick 4 2021/31.
Zie hierover ook par. 3.3.2.
Vgl. Ter Haar, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:422 BW, aant. 1 (online, bijgewerkt tot en met 25 oktober 2021).
Vgl. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 546.
De commissie erfrecht heeft tijdens het wetgevingsproces een leemte blootgelegd in de derdenbescherming. Daarvoor is het hiervoor reeds genoemde voorbeeld gebruikt van A die een registergoed verkrijgt uit een nalatenschap. A verkoopt en levert dat registergoed aan B. Vervolgens blijkt A onwaardig en geniet B zonder artikel 4:3 lid 2 BW geen bescherming.1 Koper B, die in dit geval de derde is, kan niet terugvallen op artikel 3:88 BW. A is van rechtswege onwaardig. Dat betekent dat A nooit beschikkingsbevoegd is geweest met betrekking tot het registergoed. Artikel 3:88 BW beschermt enkel als de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht wegens een gebrek in de titel of levering. Daarvan is hier geen sprake.2 Onder omstandigheden kan artikel 3:24 BW de verkrijger van een registergoed bescherming bieden. Perrick noemt als voorbeeld het geval dat op het tijdstip van de levering van de erfopvolging op een onwaardige erfgenaam is ingeschreven en de onwaardigheid van deze erfgenaam inmiddels is komen vast te staan. In dat geval kan door aanbieding op grond van artikel 27 Kadasterwet een nieuwe verklaring van erfrecht de juiste erfopvolging worden ingeschreven. Deze constatering acht Perrick van belang, omdat artikel 4:3 lid 2 BW alleen van toepassing is op rechten die een derde te goeder trouw verkrijgt voordat de onwaardigheid is vastgesteld.3
Voor het overige zou de derde te goeder trouw zonder artikel 4:3 lid 2 BW bij de verkrijging van een registergoed – en hetzelfde geldt voor de verkrijging van een ander in artikel 3:88 lid 1 BW bedoeld goed – van een onwaardige vervreemder, geen bescherming genieten.4 Om deze onwenselijke situatie te vermijden, is deze derdenbeschermende bepaling terecht toegevoegd.5
Artikel 4:3 lid 2 BW kent niet alleen een ruimere bescherming dan artikel 3:88 BW, maar ook ten opzichte van artikel 3:86 – 87a BW. Op grond van artikel 3:86 BW wordt een derde niet beschermd bij de overdracht van een roerende zaak, niet registergoed of een recht aan toonder of order om niet. Artikel 4:3 lid 2, tweede zin BW biedt dan uitkomst. Wel kan de rechter de derde de verplichting opleggen een vergoeding te betalen.6 De mogelijkheid tot het opleggen van een vergoeding voorkomt dat de overige erfrechtelijke verkrijgers worden benadeeld.
Heeft de onwaardige een vergoeding voor het goed ontvangen van een derde, terwijl die vergoeding niet in de nalatenschap is gevloeid, dan volgt naar mijn mening uit de aard van de regeling en het doel en de strekking van artikel 4:3 BW dat hij deze moet afdragen aan de (overige) erfgenamen. De onwaardige mag immers geen voordeel trekken uit de nalatenschap.7
Artikel 4:3 lid 2 BW is niet beperkt tot bescherming bij vervreemding. De bepaling spreekt meer algemeen over ‘rechten van derden’. De vestiging en overdracht van beperkte rechten ten behoeve van derden te goeder trouw vallen er tevens onder.8
Artikel 4:3 lid 2 BW werkt niet exclusief. Indien aan de voorwaarden van de algemene artikelen 3:86 – 3:88 BW wordt voldaan, kan de derde zich daar eveneens op beroepen. Nu de vereisten van artikel 4:3 lid 2 BW minder streng zijn, ligt een beroep op deze bepaling meer voor de hand.9