Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.6
3.6 Afgifte verklaring van erfrecht
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859212:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De kern van deze paragraaf is eerder verschenen: De Vries, TE 2021/01, p. 12-17 en De Vries, WPNR 2020/7294, p. 612-613.
Waaronder ook begrepen de afgifte van een verklaring van executele.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 2179.
Vgl. Blokland, 2006, p. 23 en Kolkman, WPNR 2004/6583, p. 509-510.
Mellema-Kranenburg e.a. 2012, p. 2.
Vgl. Verstappen, WPNR 2011/6876, p. 178-182 en Waaijer, WPNR 2008/6778, p. 960.
RN 2011/82. Vgl. ook Verstappen, WPNR 1999/6352, p. 243-244 en Verstappen, WPNR 2011/6876, p. 182.
Waaijer, WPNR 2008/6778, p. 959 en instemmend Kolkman 2010, p. 187-188. Zie ook de opmerkingen van Ter Haar over personen die menen een afstammeling van de erflater te zijn, Ter Haar, TE 2006/05, p. 82-86.
Kolkman 2010, p. 188.
Blokland 2006, p. 23, Kolkman 2010, p. 187 en Mellema-Kranenburg e.a. 2012, p. 2. Hierbij geldt dat een gevolg van de visie van degenen die geen bezwaar zien tegen het zijn van executeur of (afwikkelings)bewindvoerder bij onwaardigheid is dat de notaris zonder terughoudendheid de verklaring van executele kan, zo niet moet afgeven. Zie over deze discussie nader par. 3.2.
Kolkman 2010, p. 195 en Waaijer, WPNR 2008/6778, p. 960. Zie ook Hof Amsterdam 16 mei 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:BM4528, PW 2002, 21505.
Mellema-Kranenburg e.a. 2012, p. 2.
Zie hierover nader par. 4.9.
Zie hierover uitgebreid Kolkman 2010, p. 158 e.v. en Ter Haar, TE 2006/05, p. 82-86.
Een gevolg van de visie van degenen die geen bezwaar zien tegen het zijn van executeur of (afwikkelings)bewindvoerder bij onwaardigheid is dat de notaris zonder terughoudendheid de verklaring van executele kan, zo niet moet afgeven.
Vgl. de opmerkingen van Kolkman 2010, p. 158.
Zie ook Hof Amsterdam 13 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1822. De notaris heeft in deze zaak een verklaring van erfrecht afgegeven aan de (half)broers en (half)zussen, terwijl op dat moment door de biologische zoon van erflater reeds een procedure aanhangig is gemaakt ter gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De klacht inhoudende dat de notaris ten onrechte tot afgifte van de verklaring van erfrecht is overgaan, is niet-ontvankelijk. Bij de bespreking van een klacht over de afwikkeling van de nalatenschap merkt het hof nog wel op dat de notaris tot afwikkeling van de nalatenschap is overgegaan ‘op grond van de door hem ten onrechte afgegeven verklaring van erfrecht’. Zie ook Hof Amsterdam 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:622.
Anders Van Mourik. Hij is van mening dat de notaris geen gegronde reden heeft zijn dienst te weigeren als geen veroordeling heeft plaatsgevonden, omdat moet worden uitgegaan van de onschuld van de verdachte. Een gegronde reden voor dienstweigering zou volgens hem aanwezig kunnen zijn ingeval de veroordeling voor moord of doodslag op grond van de feiten waarschijnlijk is, WPNR 1990/5961, p. 330. Vgl. verder Tempelaar, WPNR 2010/6865 die tevens ingaat op de voorwaardelijke verklaring van erfrecht. Zie over de ‘voorwaardelijke’ verklaring van erfrecht ook Van der Geld, TE 2011/02, p. 26-30.
Vgl. de opmerkingen van Ter Haar, TE 2006/05, p. 83-86 en Kolkman 2010, 158-159 en 168-169.
Vgl. Ter Haar, TE 2006/05, p. 83-85 en Kolkman 2010, p. 159.
Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter, versie 9.0 (november 2022), p. 88 en Kolkman 2010, p. 189.
Kolkman 2010, p. 190.
Onwaardigheid prijkt niet op de standaard controlelijst van een notaris bij de afgifte van een verklaring van erfrecht.1 De reden daarvoor is even logisch als gerechtvaardigd: onwaardigheid is geen onderwerp dat in de dagelijkse notariële praktijk vaak aan de orde komt. Wanneer onwaardigheid een rol speelt bij de afwikkeling van een nalatenschap kan de notaris zich echter geconfronteerd zien met lastige vraagstukken, onder meer bij de afgifte van een verklaring van erfrecht.2 In deze paragraaf wordt hier nader bij stilgestaan.
Indien de notaris een verklaring van erfrecht afgeeft, rust op hem een zorgplicht en inspanningsverplichting. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat, gezien de rol die de notaris in het maatschappelijk verkeer speelt, hoge eisen mogen worden gesteld aan zijn inspanningen.3 Deze hoge inspanningsverplichting brengt niet mee dat de notaris in iedere boedel standaard naar onwaardigheid moet informeren.4 Indien er enige indicatie is dat onwaardigheid aan de orde zou kunnen zijn, dient de notaris door te vragen en strekt zijn onderzoeksplicht zich eveneens uit tot dit onderdeel van het recht.5
De notaris dient in een dergelijk geval een gedegen onderzoek te verrichten naar onwaardigheid. De conclusie die hij op basis van zijn onderzoek trekt, moet goed onderbouwd en verdedigbaar zijn.6 De notaris dient op basis van zijn eigen deskundigheid een gefundeerde afweging te maken of van onwaardigheid sprake is.7
De notaris kan daarbij stuiten op een erfgenaam of andere direct belanghebbende die oppert dat bij een erfrechtelijke verkrijger, executeur of bewindvoerder (mogelijk) sprake is van onwaardigheid. De notaris wordt hierdoor niet direct een halt toegeroepen. Een enkele andere gedachte hoeft de notaris zeker niet te weerhouden van het verlenen van zijn ministerie, maar naarmate de oppositie gezaghebbender is, waarbij met name de handboeken belangrijk zijn, en andersluidende gedachten frequenter te lezen zijn, past grotere voorzichtigheid, aldus Waaijer.8 Zou dit anders zijn, dan kan de notaris eenvoudig schaakmat worden gezet en dat zou het rechtsverkeer te zeer verlammen. Het verbod om op de stoel van de rechter plaats te nemen, betekent dan ook niet dat de notaris geen beslissingen mag nemen.9
Is voor de notaris niet duidelijk hoe de vork in de steel zit, dan mag hij de knoop niet zelf doorhakken. Dat oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter. De notaris heeft in dat geval een gegronde reden tot dienstweigering.10 De notaris kan het aan laten komen op een kort geding procedure om een beslissing te krijgen over zijn ministerieplicht.11 De commissie erfrecht is van mening dat de notaris in geval van onduidelijkheid omtrent onwaardigheid moet aansturen op de benoeming van een vereffenaar.12 Hoewel de benoeming van een vereffenaar een zwaar middel is, heeft zij als voordeel dat de nalatenschap correct kan worden beheerd en vereffend in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter over de onwaardigheid.
Het voorgaande geldt in gelijke zin voor de vraag of sprake is van verval van onwaardigheid wegens vergeving.13
Naast onduidelijkheid over de vraag of een erfrechtelijke verkrijger, executeur of bewindvoerder op het moment van de afgifte van een verklaring van erfrecht onwaardig is, kan de onduidelijkheid er ook in zijn gelegen dat een erfrechtelijke verkrijger mogelijk in de toekomst onwaardig wordt. Hierbij valt een parallel te trekken met een onzekere erfgenaam bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en het instrumentarium dat de notaris in die gevallen ten dienste staat.14 Deze onzekerheid brengt mijns inziens onder meer met zich dat de notaris terughoudendheid past bij de afgifte van een verklaring van erfrecht.15 De mate van terughoudendheid hangt af van de omstandigheden van het geval.16 Is een strafrechtelijke procedure aanhangig tegen een erfgenaam, executeur of bewindvoerder waarbij een veroordeling leidt tot onwaardigheid, dan levert dat naar mijn mening een grond op tot dienstweigering.17 Het past niet bij de rol van de notaris dat hij daarbij een inschatting moet maken van de waarschijnlijkheid dat de procedure tot een veroordeling leidt. Het enkele feit dat er een strafrechtelijke procedure loopt die tot onwaardigheid kan leiden, volstaat.18 Roept een van de erfgenamen enkel dat een andere erfgenaam, executeur of bewindvoerder lasterlijk tegen de erflater een beschuldiging heeft ingebracht ex artikel 4:3 lid 1 sub c BW zonder dat hij een procedure is gestart om een daartoe strekkende onherroepelijke rechterlijke uitspraak te verkrijgen, en is ook duidelijk dat hij geen stappen gaat ondernemen, dan kan de notaris de gevraagde verklaring van erfrecht niet weigeren.19 De notaris doet er verstandig aan de erfgenaam, executeur of bewindvoerder te wijzen op de mogelijkheid dat hij later alsnog onwaardig kan worden.20 De executeur of bewindvoerder kan er uiteraard ook voor kiezen zijn benoeming c.q. taak niet te aanvaarden.
Wordt de verklaring van erfrecht niet afgegeven, dan hoeft dat geen stagnering van de afwikkeling te betekenen. Op grond van artikel 4:191 lid 2 BW kan de kantonrechter, zolang de nalatenschap niet door alle erfgenamen is aanvaard, de maatregelen voorschrijven die hij tot behoud van de goederen nodig acht. Hieronder valt ook het tijdelijk opdragen van het beheer van (delen van) de nalatenschap aan een professionele beheerder.21 Voorts kunnen de personen met een voldoende belang – waaronder begrepen erfgenamen – op grond van artikel 672 Rv de kantonrechter verzoeken een boedelbeschrijving te bevelen door een bij dat bevel aan te wijzen notaris.22 Verder kan ook gedacht worden aan de hiervoor reeds genoemde mogelijkheid van de benoeming van een vereffenaar (art. 4:203 en 4:204 BW).
3.6.1 Tuchtrechtspraak