HR, 20-12-2013, nr. 12/02987
ECLI:NL:HR:2013:1775
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2013
- Zaaknummer
12/02987
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2013
ECLI:NL:HR:2013:1775, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5691, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA2814, Gevolgd
- Vindplaatsen
NTFR 2014/700 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
FutD 2013-3088
Viditax (FutD) 2013122003
Beroepschrift 20‑12‑2013
Edelhoogachtbaar College,
Bij brief van 18 juni 2012 heeft [X] V.o.f. […], belanghebbende (hierna te noemen: ‘[X]’), […] beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage (hierna: ‘het gerechtshof’) van 11 mei 2012 inzake het hoger beroep tegen de beschikking aansprakelijkstelling waarbij [X] aansprakelijk is gesteld voor door [A] B.V. (voorheen:[B] B.V.) over de jaren 2000 en 2001 verschuldigde maar niet betaalde loonbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting. Afschrift van de uitspraak is op 19 juni 2012 per telefax verzonden.
De aan dit beroepschrift klevende verzuimen worden hierbij hersteld.
1. Cassatiemiddelen
Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen.
1.1. Middel I (op de zaak betrekking hebbende stukken)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49, lid 6, van de Invorderingswet 1990 en/of artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat de ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht.
1.2. Middel II (in gebreke zijn)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49, lid 1, van de Invorderingswet 1990 en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat [A] B.V. (voorheen [B] B.V.), hierna te noemen: ‘[B]’, in gebreke is met de voldoening van haar belastingschulden ten tijde van het aansprakelijk stellen van [X] voor de schulden van [B]
1.3. Middel III (juiste inhoudingsplichtige)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 49 van de Invorderingswet 1990 en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat [B] als inhoudingsplichtige moet worden aangemerkt voor de personen die bij [X] namens [B] de werkzaamheden hebben verricht.
1.4. Middel IV (omkering bewijslast)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49, lid 5, van de Invorderingswet 1990 en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat de bewijslast op [X] rust om aannemelijk te maken dat de door de ontvanger gehanteerde berekeningswijze van de beschikking aansprakelijkstelling onjuist is.
1.5. Middel V (juiste uitgangspunten berekening aanslag/beschikking)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49, lid 5, van de Invorderingswet 1990, artikel 25, lid 3, en artikel 27 e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat
- (i)
bij de berekening van de naheffingsaanslagen terecht rekening is gehouden met premies sociale verzekeringen,
- (ii)
de inspecteur terecht een nettoloon heeft gehanteerd bij de berekening van de naheffingsaanslagen,
- (iii)
terecht door de Belastingdienst is uitgegaan van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat van [B]
- (iv)
het uurloon NLG 13 (2000) en NLG 13,50 (2001) bedroeg.
1.6. Middel VI (eindheffing)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49, van de Invorderingswet 1990, artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat [X] aansprakelijk is voor de door [B] verschuldigde loonbelasting welke met toepassing van het eindheffingsregime is berekend.
1.7. Middel VII (strijd EU-recht)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49 en 34, van de Invorderingswet 1990, artikel 21, lid 3, van de Zesde Richtlijn en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat de in artikel 34 Invorderingswet 1990 opgenomen aansprakelijkheid voor de btw niet in strijd is met het EU- recht, meer in het bijzonder met artikel 21, derde lid, Zesde Richtlijn.
1.8. Middel VIII (strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 49, van de Invorderingswet 1990 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist
- (i)
dat het lange treuzelen van de ontvanger geen gevolgen heeft voor de beschikking aansprakelijkstelling,
- (ii)
dat afgifte van een verklaring van betalingsgedrag uitsluitend ziet op de belasting waarvoor door [B] aangifte loonbelasting heeft gedaan en niet ziet op de loonbelasting die is verschuldigd volgens een suppletieaangifte en
- (iii)
geen sprake is van gewekt vertrouwen door uitwinning en/of deblokkering van het WKA-tegoed van [B].
1.9. Middel IX (afboeking op belastingschulden)
Schending en/of onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 7 en 49, van de Invorderingswet 1990 en/of schending althans onjuist toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, en/of artikel 8:77, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, heeft beslist dat er geen ten onrechte uitwinning van het WKA-tegoed van [B] heeft plaatsgevonden en dat, indien rekening zou moeten worden gehouden met tweemaal de genoemde bedragen, dit niet leidt tot een lagere beschikking aansprakelijkstelling.
2. Toelichting
Ter toelichting van deze cassatiemiddelen merkt [X] het volgende op:
2.1. Toelichting Middel I (op de zaak betrekking hebbende stukken)
Invorderingsdossier
2.1.1
Door [X] is gesteld dat de Ontvanger niet heeft voldaan aan artikel 8:42 Awb. In de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage van 19 mei 2010 is in r.o. 4.1 vermeld welke stukken naar het oordeel van [X] niet zijn overgelegd.
2.1.2
Het gerechtshof heeft geoordeeld (r.o. 6.2.3):
‘De ontvanger heeft gesteld dat geen invorderingsdossier bestaat, dat voor de naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld (onderstreping [X]) evenmin andere stukken bestaan (…)’
2.1.3
Gelet op de hiervoor onderstreepte overweging van het gerechtshof, heeft het gerechtshof (ten onrechte) een beperking aangebracht in de algemene stelling van [X] dat het invorderingsdossier ten aanzien van [B] ten onrechte niet in geding is gebracht. [X] heeft in de procedures voor zowel de rechtbank als het gerechtshof nadrukkelijk gesteld dat er een invorderingsdossier ten aanzien van [B] aanwezig is (geweest) en dat die informatie van belang kan zijn voor onderhavige procedure: Uit HR 25 april 2008 (nr. 43 448, BNB 2008/161) komt naar voren dat ook stukken moeten worden overgelegd indien daarom wordt verzocht door [X] en door [X] aannemelijk wordt gemaakt dat die stukken van enige belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming met betrekking tot de beschikking aansprakelijkstelling en de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslagen. Door [X] is in zowel de procedure voor de rechtbank als voor het gerechtshof duidelijk gemaakt wat het belang is.
2.1.4
De Hoge Raad heeft in de zogeheten 19 december arresten namelijk geoordeeld dat de ontvanger bij de afweging om al dan niet uitstel van betaling te verlenen rekening moet houden met de belangen van derden (HR 19 december 2008, nr. 43 622, BNB 2009/76, Hoge Raad 19 december 2008, nr. 43 282, BNB 2009/75 en HR 19 december 2008, nr. 43 387, BNB 2009/73).
2.1.5
De ontvanger heeft (onder meer in het verweerschrift in de procedure voor het gerechtshof d.d. 29 september 2010, pag. 3) gesteld dat er geen invorderingsdossier is en dat een dergelijk dossier alleen wordt aangelegd bij ingediende bezwaren tegen de aanslag of een betalingsregeling. Uit de context van het gestelde van de ontvanger maakt [X] op dat de ontvanger met invorderingsdossier een fysiek stuk bedoeld. Daar staat tegenover dat [X] met invorderingsdossier mede bedoeld de in de Geautomatiseerde Ontvangers Administratie (GOA) vastgelegde aantekeningen.
2.1.6
Uit de onder 2.1.5 bedoelde passage uit het verweerschrift wordt door de ontvanger gesteld dat belastingaanslagen vanuit de GOA te Apeldoorn worden overgedragen naar de competente eenheid voor de invordering daarvan.
2.1.7
Naar aanleiding van die overdracht zijn er allerlei activiteiten door de ontvanger ontwikkeld. Van die activiteiten zal een vastlegging hebben plaatsgevonden, in de GOA dan Wel in een fysiek dossier.
Overzicht uitwinning WKA-depot [B]
2.1.8
Het overzicht van de belastingschuld van [B] op het moment dat het WKA-depot van [B] door de ontvanger wordt uitgewonnen, kan van belang zijn voor de beschikking aansprakelijkstelling ten name van [X].
2.1.9
Ten eerste kan dan worden vastgesteld of de uitwinning rechtmatig is geweest.
Zoals in de eerdere procedures reeds is betoogd door [X], is de uitwinning van het WKA-depot door de ontvanger onrechtmatig geweest.
Om tot uitwinning te kunnen overgaan van het WKA-depot van [B] is het noodzakelijk dat
- (i)
er belastingaanslagen zijn (geweest) waarmee [B] in gebreke is,
- (ii)
aanmaningen zijn verstuurd,
- (iii)
dwangbevelen zijn uitgevaardigd,
- (iv)
die dwangbevelen rechtsgeldig zijn betekend en
- (v)
[B] dan nog immer in gebreke is met de voldoening van die belastingaanslagen.
Niet aangetoond is dat er een executoriale titel aanwezig was om het WKA-depot van [B] uit te winnen. Het WKA-depot behoorde immers tot het vermogen van [B].
2.1.10
Door de ontvanger is niets bijgebracht, zeker niet aan stukken, maar hij heeft volstaan met de stelling dat de uitwinning wel rechtmatig was.
2.1.11
Voorts heeft het gerechtshof niet over de rechtmatigheid van de uitwinning van het WKA-depot geoordeeld, alhoewel [X] dat nadrukkelijk aan de orde heeft gesteld.
2.1.12
De beoordeling van de rechtmatigheid van voornoemde uitwinning is van belang. Immers, indien zou moeten worden geoordeeld dat de uitwinning onrechtmatig is, zoals door [X] immer is gesteld, dan betekent dat dat het bedrag van de uitwinning terug moet worden betaald. Bovendien blijkt dan van het bestaan van een bate hetgeen tot heropening van de vereffening dient te leiden.
2.1.13
Artikel 55, lid 5, Invorderingswet 1990 (wettekst 2012) bepaalt dat iedereen die in de betaling heeft bijgedragen gerechtigd blijft het bijgedragene alsnog op de belastingschuldige terug te vorderen. Vertaald naar deze situatie betekent dat de aansprakelijkgestelden die hun beschikking aansprakelijkstelling voor de schulden van [B] betaald dat bedrag van [B] kunnen terugvorderen.
Daarnaast bepaalt artikel 57 Invorderingswet 1990 dat zij gesubrogeerd zijn in het voorrecht van de fiscus.
2.1.14
Voorts schrijft artikel 54 Invorderingswet 1990 voor dat een teruggave als gevolg van een vermindering van een belastingaanslag waarop door een of meer aansprakelijkgestelden is betaald, toekomt aan die aansprakelijkgestelden.
2.1.15
Daarenboven blijft het te restitueren bedrag in verband met de onrechtmatige uitwinning van het WKA-tegoed van [B] een bate die in beginsel toekomt aan 10. [B] Vervolgens dient de bate te worden verdeeld over de schuldeisers. Gelet op het feit dat er naast de ontvanger ook nog andere schuldeisers zijn, te weten de aansprakelijkgestelden die hun beschikking aansprakelijkstelling voor de schulden van [B] hebben betaald en in de voorrang van de fiscus voor die bedragen zijn gesubrogeerd, zal de verdeling dienen plaats te vinden op basis van de hoogte van de vorderingen.
2.1.16
Voorts wijst [X] er op dat, mede op basis van de bevindingen van de Belastingdienst, [B] een vordering op haar bestuurder(s) heeft op basis van het gevoerde wanbeleid. In dit verband wijst [B] naar J.M.M. Maeijer en J.A.W Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen en vennootschapsrecht in verband met de invoering van de boeken 3, 5 en 6 NBW op 1 januari 1992, 1991, blz. 133–135.
Aanslagen vennootschapsbelasting [B]
2.1.17
Het staat vast dat er aan [B] belastingaanslagen vennootschapsbelasting zijn opgelegd en die tot een te betalen bedrag aan belasting hebben geleid. Onder ‘Vaststaande feiten’ (r.o. 3.17) is vermeld dat er een bedrag van € 7.318 is afgeboekt op een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2002 en dat er een bedrag is afgeboekt van € 94.694 op een aanslag vennootschapsbelasting 2000.
2.1.18
De in r.o. 3.8 tot en met 3.10 van het gerechtshof genoemde naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting ten name van [B] over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 dienen ten laste te komen van dat jaar. Dat leidt, gelet op de hoogte van de onherroepelijk vaststaande naheffingsaanslagen, tot een vermindering van de belastbare winst en dus tot een teruggave Vpb.
2.1.19
Door die teruggave(n) Vpb ontstaat er een bate voor [B] Indien die bate toekomt aan de ontvanger dan leidt dat er toe dat de belastingaanslagen waarvoor [X] aansprakelijk is gesteld, dienen te worden verminderd door de afboeking van die bate. Daarmee is duidelijk dat aanslagen vennootschapsbelasting en met name of die zijn verminderd als gevolg van de opgelegde naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting wel een rol (kunnen) spelen bij de beschikking aansprakelijkstelling van [X] (en de daaraan ten grondslag liggende naheffingsaanslagen ten name van [B]).
Stukken voordracht en afzien strafrechtelijke vervolging [B]
2.1.20
Door [X] is in de procedure voor de rechtbank alsmede het gerechtshof uitdrukkelijk betoogd dat de stukken inzake de voordracht en het afzien van strafrechtelijke vervolging van [B] op de zaak betrekking hebbende stukken vormen. Die stukken zijn door de ontvanger niet; ook niet onder toepassing van artikel 8:29 Awb, aan de rechtbank en het gerechtshof toegestuurd.
2.1.21
De ontvanger heeft gesteld dat in de onder 2.1.20 bedoelde stukken geen nadere informatie aanwezig is omtrent de berekening en het opleggen van de naheffingsaanslagen waarvoor [X] aansprakelijk is gesteld. De rechtbank oordeelde, en bij dat oordeel heeft het gerechtshof zich aangesloten (zie r.o. 6.1), dat zij in het dossier geen aanwijzingen heeft gevonden die erop wijzen dat zulks wel het geval is. Voorts oordeelde de rechtbank dat aangezien [X] niet aansprakelijk is gesteld voor de aan [B] opgelegde boeten, de ontvanger terecht het standpunt heeft ingenomen dat de bedoelde stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken vormen.
2.1.22
Het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof is niet gebaseerd op de stukken inzake de voordracht en het afzien van strafrechtelijke vervolging van [B] nu die stukken door de ontvanger niet in geding zijn gebracht. Het gerechtshof en de rechtbank hebben het oordeel dan ook niet kunnen stoelen op die stukken en hebben dus niet kunnen vaststellen dat de stelling van de ontvanger juist is, inhoudende dat die stukken geen nadere informatie bevatten omtrent de berekening en het opleggen van de naheffingsaanslagen waarvoor [X] aansprakelijk is gesteld.
2.1.23
Uit HR 25 april 2008 (nr. 43 448, BNB 2008/161) komt naar voren dat ook stukken moeten worden overgelegd indien daarom wordt verzocht door [X] en door [X] aannemelijk kan worden gemaakt dat die stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming met betrekking tot de beschikking aansprakelijkstelling en de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslagen. Door [X] is in zowel de procedure voor de rechtbank als voor het gerechtshof duidelijk gemaakt wat het belang is.
2.1.24
Het gerechtshof heeft er niet op toegezien dat die stukken in geding zijn gebracht door de ontvanger noch is onderzocht of een beroep op artikel 8:29, lid 3, Awb door de ontvanger is gerechtvaardigd. Mitsdien is het gerechtshof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het oordeel onvoldoende gemotiveerd.
2.2. Toelichting Middel II (in gebreke zijn)
2.2.1
De naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001, voortvloeiende uit het boekenonderzoek dat in 2002 is gestart en heeft geresulteerd in een rapport d.d. 10 september 2003, zijn ten name gesteld van [B] en gedagtekend 12 september 2003. Naar aanleiding van die belastingaanslagen is besloten om een ketenaansprakelijkheidsonderzoek te starten. Naar aanleiding van die bevindingen heeft de inspecteur een rapport opgemaakt met als dagtekening 5 december 2005. Op basis van de in dat rapport neergelegde bevindingen zijn er naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 (dagtekening 29 december 2005) en 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 (dagtekening 2 juni 2006).
2.2.2
[B] is op grond van artikel 2:19a BW bij gebrek aan baten ontbonden per 30 januari 2003. De voorgenoemde naheffingsaanslagen zijn derhalve allen opgelegd nadat [B] was opgehouden te bestaan.
2.2.3
De naheffingsaanslagen genoemd onder 2,2.1 zijn betekend aan het Parket van de Officier van Justitie in het arrondissement Den Haag of aan de Kamer van Koophandel [R] te [Q]. Door [B] is geen bezwaar gemaakt tegen de onderhavige naheffingsaanslagen.
2.2.4
In de arresten van 18 december 2009 (nrs. 08/02641, BNB 2010/72 en 08/03396, BNB 2010/73) heeft de Hoge Raad geoordeeld:
In zaak 08/02641:
‘3.4.1
Het Hof heeft met juistheid overwogen dat een belastingschuldige eerst nadat hij in de gelegenheid is geweest om van de aanslag kennis te nemen in gebreke kan zijn met de betaling van de desbetreffende belastingschuld. Deze regel heeft, toegepast als voorwaarde voor het aansprakelijk kunnen stellen van derden, echter geen goede zin in een geval als onderhavige, waarin een belastingaanslag binnen de daartoe in de AWR gestelde termijn is vastgesteld ten name van een rechtspersoon wie faillissement wegens gebrek aan baten is opgeheven, waarna deze rechtspersoon overeenkomstig artikel 2:19, leden 1 en 4, BW is ontbonden en is opgehouden te bestaan, en nadien niet blijkt van het bestaan van een aan de ontbonden rechtspersoon toekomende bate welke aanleiding kan zijn de vereffening te (her)openen als bedoeld in artikel 23c, lid 1, BW met als gevolg dat de rechtspersoon in zoverre zou herleven.
In de hiervoor geschetste omstandigheden staat vast dat de rechtspersoon ten name van wie de aanslag is vastgesteld, de aanslag niet zal betwisten en evenmin zal betalen. (…)’
In zaak 08/0-3396
‘3.2.2
Indien, zoals in het onderhavige geval, een belastingaanslag binnen de daartoe in de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde termijn is vastgesteld en ten name van een rechtspersoon die overeenkomstig artikel 2:19, leden 1 en 4, BW is ontbonden en is opgehouden te bestaan en nadien niet blijkt van het bestaan van een aan de ontbonden rechtspersoon toekomende bate welke aanleiding zou zijn de vereffening te (her)openen als bedoeld in artikel 2:23c, lid 1, BW, kan de inlener die op de voet van artikel 34 van de Wet aansprakelijk wordt gesteld de ontvanger niet tegenwerpen dat de aanslag niet bekend is gemaakt aan degene die de belastingschuld heeft belopen (vergelijk het heden door de Hoge Raad gewezen arrest in de zaak met nummer 08/02641, van welk arrest een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht).’
2.2.5
Onderhavige zaak wijkt op een aantal punten af van de hiervoor behandelde casusposities die hebben geleid tot de arresten van 18 december 2009. Zo is [B] niet failliet verklaard hetgeen wel het geval was in BNB 2010/72. Er heeft ook geen (her)opening van de vereffening plaatsgevonden bij [B] hetgeen wel het geval was in BNB 2010/73.
2.2.6
Daarenboven is een aantal naheffingsaanslagen niet opgelegd aan [B] (zie verder onder toelichting Middel III).
2.2.7
De naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000, aanslagnummers [003] en zijn gedagtekend 29 december 2005. Genoemde naheffingsaanslagen zijn door de belastingdeurwaarder betekend aan het Parket van de Officier van Justitie te Den Haag op 29 december 2005. Betekening heeft op die wijze plaatsgevonden omdat volgens de akte van betekening [B] zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten het Koninkrijk is (zie prod. 16 bij het beroepschrift in hoger beroep). De aanslagen zijn op 2 januari 2006 gepubliceerd in een dagblad.
2.2.8
De Belastingdienst heeft de onder 2.2.7 bedoelde belastingaanslagen doen betekenen op basis van artikel 54 Rechtsvordering. Artikel 54 Rechtsvordering ziet op betekening van exploten aan (rechts)personen waarvan geen woon- of vestigingsplaats bekend is binnen of buiten het Koninkrijk.
2.2.9
Met betrekking tot rechtspersonen die zijn ontbonden, geldt dat betekening van exploten plaatsvindt aan de vereffenaar (vgl. artikel 50 Rv.). Volgens de ontvanger is de Kamer van Koophandel [R] de vereffenaar van [B] zodat betekening had moeten plaatsvinden aan de Kamer van Koophandel [R] dan wel aan de bestuurder van [B].
2.2.10
Betekening van de onder 2.2.7 bedoelde belastingaanslagen heeft op verkeerde gronden plaatsgevonden, hetgeen betekent dat de aanslagen niet op reguliere en tijdige wijze zijn vastgesteld (vgl. Hof Arnhem 25 september 2001, nr. 00/038, V-N 2001/62.31).
2.2.11
De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als de dagtekening van de vaststelling van de aanslag (vgl. artikel 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen). Indien de datum ter postbezorging van het aanslagbiljet ligt na de dagtekening van het aanslagbiljet dan treedt de datum van de terpostbezorging in de plaats van de dagtekening (vgl. HR 6 december 1989, nr. 25 888, BNB 1990/176 en HR 6 december 1989, nr. 25 909, BNB 1990/177).
2.2.12
Nu betekening van de onderhavige naheffingsaanslagen op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden én de publicatie in een dagblad op 2 januari 2006 heeft plaatsgevonden, zijn de belastingaanslagen niet binnen de wettelijke termijn van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar vastgesteld.
2.2.13
Het oordeel van het gerechtshof, dat een beroep op het feit dat de hiervoor genoemde belastingaanslagen niet tijdig zijn vastgesteld, wordt gekoppeld aan het feit dat de belastingaanslagen niet aan [B] bekend zijn gemaakt en dat heropening van de vereffening niet aan de orde is. Dit oordeel is niet begrijpelijk en gaat voorbij aan de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad.
2.2.14
In BNB 2010/72 is geoordeeld dat de ontvanger dient te stellen en aannemelijk te maken dat de betrokken belastingaanslagen niet zullen worden betaald en geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de belastingaanslagen. In casu is door de ontvanger niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt dat niet zal worden betaald en geen bezwaar zal worden gemaakt.
2.2.15
Het oordeel van het gerechtshof, ‘het staat vast dat de vennootschap ten name van wie de naheffingsaanslagen zijn vastgesteld die niet zal betwisten en evenmin zal betalen’, is niet, althans onvoldoende, gemotiveerd. Van Marion kan op geen enkele wijze nagaan op grond van welke feiten en omstandigheden het gerechtshof tot zijn oordeel is gekomen. Het oordeel is dus niet, althans onvoldoende, gemotiveerd.
2.3. Toelichting Middel III (juiste inhoudingsplichtige)
2.3.1
De naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting, met als dagtekening 29 december 2005 en 2 juni 2006, zijn ten name gesteld van De Vereffenaar van de ontbonden vennootschap [A] B.V., Kamer van Koophandel [A.STRAAT 1], [Q] (zie prod. 14 bij het beroepschrift in hoger beroep en zie r.o. 3.9 van het gerechtshof).
2.3.2
Een van de meest essentiële elementen van een aanslagbiljet is, dat er geen misverstand kan bestaan of ontstaan over aan wie de belastingaanslag is opgelegd. Vandaar dat de tenaamstelling van een aanslagbiljet doorslaggevend is.
Het fiscaal nummer, waar het gerechtshof en de rechtbank waarde aan hechten, is geen essentieel onderdeel van het aanslagbiljet (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/00174, BNB 2011/28 en HR 30 september 1998, nr. 33 264, BNB 1998/379).
2.3.3
Door geen waarde te hechten aan de tenaamstelling van de naheffingsaanslagen heeft het gerechtshof ten onrechte geen acht geslagen op de onder 2.3.2 opgenomen oordelen van de Hoge Raad en heeft mitsdien het recht verkeerd toegepast.
2.3.4
Door [X] is immer in de procedure voor het gerechtshof en de rechtbank tevens gesteld dat de feitelijke inhoudingsplichtige niet [B] was maar [C]. In het beroepschrift in beroep bij de rechtbank (punten 4.25 tot en met 4.28) alsmede in het beroepschrift in hoger beroep (punten 4.3.1 tot en met 4.3.6) is door [X]) aangegeven dat er aanwijzingen zijn die er op duiden dat niet [B] de inhoudingsplichtige is.
2.3.5
De ontvanger stelt dat [B] de inhoudingsplichtige is en voert daartoe aan dat [B] als besloten vennootschap stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, op naam van [B] is gefactureerd, de bankrekening op naam van [B] stond, [B] bij de Belastingdienst bekend stond als besloten vennootschap, het WKA-tegoed op naam van [B] stond en de contractspartner volgens de contracten [B] was (zie blz. 11 van het verweerschrift in de procedure voor de rechtbank).
2.3.6
Uit de ingestelde aansprakelijkheidsonderzoeken komt duidelijk naar voren dat alle werkzaamheden en beleidsbeslissingen worden genomen door [C]. Hij maakt de afspraken met de opdrachtgevers, hij maakt de afspraken met het personeel over loon, uren, plaats van werkzaamheden, etc.
Gelet op de bevindingen uit de diverse onderzoeken bij [B] en bij de opdrachtgevers van [B] had de inspecteur op zijn minst twijfels moeten hebben over wie de feitelijke inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting en wie de feitelijke ondernemer is voor de omzetbelasting. Daarbij is de feitelijke situatie doorslaggevend en niet hoe een en ander wordt gepresenteerd aan de buitenwereld.
2.3.7
Artikel 6, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 definieert de inhoudingsplichtige als degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan. Het is aan de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat [B] als inhoudingsplichtige moet worden aangemerkt. De Belastingdienst heeft echter geen feiten en omstandigheden, behoudens de presentatie naar buiten toe, bijgebracht om te bewijzen dat [B] de inhoudingsplichtige is. Zie in dit verband rechtbank 's‑Gravenhage (strafkamer) van 4 maart 2011, nr. 09/993010-10, LJN BQ4414 en Hof Amsterdam 8 april 2010, nr. 08/00624, LJN BM4919.
2.3.8
Het oordeel van het gerechtshof geeft geen dan wel onvoldoende inzicht in de gronden waarop [B] als inhoudingsplichtige wordt aangemerkt.
2.3.9
[X] heeft subsidiair aangevoerd dat de naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd hadden moeten worden aan de werknemers van [B]. Het gerechtshof verwerpt dat door onder meer te oordelen dat dit niet mogelijk is omdat [X] heeft gesteld dat het gaat om anonieme werknemers en verwijst daarvoor naar punt 4.30 van het beroepschrift in eerste aanleg. Die verwijzing is niet juist. In punt 4.30 is namelijk opgenomen: ‘4.30 Een en ander klemt te meer nu de naheffingsaanslagen loonbelasting zijn opgelegd met toepassing van het anoniementarief en eindheffing.’ Uit die passage kan niet worden afgeleid dat [X] stelt dat het om anonieme werknemers gaat.
Integendeel: bij [X] hebben personen gewerkt waarvan [X] de identiteit op voorgeschreven wijze heeft vastgesteld.
2.3.10
Het gerechtshof heeft zijn oordeel derhalve op verkeerde gronden gebaseerd en dit oordeel is derhalve niet, althans onvoldoende, gemotiveerd.
2.4. Toelichting Middel IV (omkering bewijslast)
2.4.1
De toegepaste omkering en bezwaring van de bewijslast zoals toegepast bij de vaststelling van de onderhavige naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting ten name van [B] geldt niet ten aanzien van [X].
2.4.2
Het gerechtshof gaat daar echter niet van uit. Het gerechtshof heeft de bewijslast toebedeeld aan [X] omdat de ontvanger anders in een onmogelijke bewijspositie komt te verkeren. Het gerechtshof verwijst daarbij haar HR 17 september 1999, nr. C98/040, NJ 2000, 50.
2.4.3
De verwijzing naar HR 17 september 1999, nr. C98/040, NJ 2000, 50 is in deze kwestie niet op zijn plaats. In die casus ging het om de verdeling of toerekening van de aan de belastingschuldige opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting over de contractspartners. Die betrokken naheffingsaanslagen waren het gevolg van het feit dat er personeel niet in de administratie was opgenomen. De ontvanger heeft vervolgens de naheffingsaanslagen pro rato op basis van omzetgegevens omgeslagen over de contractspartners. Dit omdat niet bekend was welke personen waar hadden gewerkt.
2.4.4
In de zaak van is dat niet het geval. Buiten twijfel staat dat door [X] [X] een sluitende administratie is gevoerd op grond waarvan is vastgesteld welke personen namens [B] de werkzaamheden bij [X] hebben verricht.
Van die personen zijn ook allemaal afschriften geldige ID-bewijzen in de administratie van [X] opgenomen. Dit heeft er toe geleid dat de Belastingdienst het toegepaste anoniementarief bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen ten name van [B] ten aanzien van [X] heeft gematigd.
2.4.5
Het staat derhalve vast welke personen bij [X] de werkzaamheden namens [B] hebben verricht. In de CvR in de procedure voor de rechtbank — blz. 13, onder (vii) en (viii) in samenhang met bijlage 33 bij het verweerschrift — heeft [X] aangegeven welke van die personen op de loonlijst van [B] waren vermeld in de periode 2000 en 2001.
2.4.6
Van de personen die niet op de loonlijst van [B] stonden in 2000 en/of 2001 is het aan de ontvanger om te bewijzen dat die personen werknemers waren van [B], dat zij een nettoloonafspraak hadden en dat zij NLG 13 of NLG 13,50 per uur verdienden (zie ook toelichting Middel V). Immers, de omkering van de bewijslast geldt niet met betrekking tot [X]. Dat betekent dat de ‘normale’ bewijsregels gelden. In het algemeen ligt het op de weg van de Belastingdienst om bewijs te leveren van feiten waarop een belastingaanslag is gebaseerd (P. Meyjes e.d. Fiscaal Procesrecht (4e druk, pag. 109) en Ch.J. Langereis en I. de Roos, Hoofdlijnen fiscaal procesrecht, FED fiscale studieserie (2e druk), blz. 218, 2006, Deventer, Kluwer).
2.4.7
De Belastingdienst heeft daar geen enkel onderzoek naar gedaan. Dit klemt te meer nu de betrokken personen met naam, adres, woonplaats en sofinummer bekend waren.
2.4.8
Het oordeel van het gerechtshof dat de bewijslast op [X] rust geeft derhalve blijk van een onjuiste toepassing van artikel 49, lid 5, Invorderingswet 1990 (tekst 2012). De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad 17 september 1999, nr. C98/040, BNB 1999/441, berust op een verkeerde lezing van dat arrest.
In de zaak van [X] gaat het om de vraag of de naheffingsaanslagen ten name van [B] richting [X] wel zijn onderbouwd door de ontvanger.
Immers, die onderbouwing dient dan plaats te vinden zonder de toepassing van de omkering van de bewijslast en met de normale bewijsregels.
2.5. Toelichting Middel V (juiste uitgangspunten berekening aanslag/beschikking)
2.5.1
Het gerechtshof heeft geoordeeld dat
- (i)
bij de berekening van de naheffingsaanslagen terecht rekening is gehouden met premies sociale verzekeringen,
- (ii)
de inspecteur terecht een nettoloon heeft gehanteerd bij de berekening van de naheffingsaanslagen,
- (iii)
terecht door de Belastingdienst is uitgegaan van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat van [B],
- (iv)
het uurloon NLG 13 (2000) en NLG 13,50 (2001) bedroeg.
2.5.2
Het gerechtshof is in haar oordeel niet ingegaan op het door [X] gevoerde verweer dat, gelet op de door de Belastingdienst gehanteerde uurlonen van NLG 13 (2000) en NLG 13,50 (2001), de werknemers van [B] meer verdienden dan de toen geldende Ziekenfondswet-norm. Dat betekent dat een werknemer dan niet verzekerd is voor de Ziekenfondswet (zie punt 4.6.3 en 4.6.4 van het beroepschrift in hoger beroep).
2.5.3
Met betrekking tot de vraag of er sprake was van een nettoloon geldt hetgeen onder de toelichting bij Middel IV is opgemerkt omtrent de omkering van de bewijslast. De bewijslast dat sprake is van een nettoloonafspraak rust op de inspecteur (HR 10 februari 1993, nr. 27 813, BNB 1983/138, HR 4 mei 1994, nrs. 247 en 250, BNB 1994/234 en BNB 1994/235).
2.5.4
Het gerechtshof oordeelde dat het door het ontbreken van een loonadministratie niet mogelijk is? om te bepalen welke lonen aan welke werknemers zijn betaald waardoor verhaal van de na te heffen loonbelasting bij voorbaat onmogelijk is.
Dit oordeel steunt op hetgeen in de controlerapporten van de Belastingdienst ten aanzien van [B] van 10 september 2003 en 5 december 2005 is gerelateerd.
2.5.5
In het rapport van 10 september 2003 is onder punt 2 vermeld dat de administratie van [B] aan de (nieuwe) directeur/aandeelhouder, [E], is overhandigd. [E] is onvindbaar. De Belastingdienst heeft dus geen administratie ter beschikking gesteld gekregen. Het staat dan ook niet vast dat er geen administratie is en dus staat ook niet vast dat er geen administratie is waaruit naar voren komt welke werknemer welk loon heeft ontvangen waardoor wel verhaal mogelijk is.
administratie is waaruit naar voren komt welke werknemer welk loon heeft ontvangen waardoor wel verhaal mogelijk is.
2.5.6
In het rapport van 5 december 2005 wordt voor wat betreft de administratie verwezen naar hetgeen in het rapport van 10 september 2003 is opgenomen.
2.5.7
Het oordeel van het gerechtshof is niet dan wel onvoldoende gemotiveerd en geeft geen inzicht in de overwegingen die tot het oordeel van het gerechtshof hebben geleid dat verhaal bij voorbaat onmogelijk is.
2.5.8
Met betrekking tot het door de Belastingdienst gehanteerde uurloon bij de vaststelling van de onderhavige naheffingsaanslagen loonbelasting (NLG 13 voor 2000 en NLG 13,50 voor 2001) wordt onder meer een beroep gedaan op de verklaringen die drie personen tegenover […] hebben afgelegd (zie r.o. 3.15 van het gerechtshof). Het gerechtshof heeft — ten onrechte — geoordeeld dat [X] de onder r.o. 3.15 opgenomen verklaringen niet heeft betwist.
Immers, [X] heeft nadrukkelijk onder de punten 4.5.11 tot en met 4.5.13 van het beroepschrift in hoger beroep de verklaringen en de juridische duiding van die verklaringen betwist. Bovendien is in de punten 4.5.15 tot en met 4.5.23 van het beroepschrift in hoger beroep alsmede in punt 4.6 van de CvR door [X] gemotiveerd gesteld dat het uurloon zoals gehanteerd door de Belastingdienst te hoog is vastgesteld. Voorts is het aantal van drie verklaringen, afgezet tegenover het totaal aantal personeelsleden van [B] niet representatief te noemen.
2.5.9
Het oordeel van het gerechtshof om uitsluitend de drie verklaringen van werknemers, hoewel door [X] betwist, van belang te achten en niet in te gaan op de door [X] naar voren gebrachte verweren, geeft geen dan wel onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het gerechtshof.
2.5.10
In r.o. 4.34 is door het gerechtshof geoordeeld dat de Belastingdienst terecht is uitgegaan van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat 2001 van [B]. Daarbij wordt de bewijslast op [X] gelegd. Het in r.o. 4.34 gegeven oordeel is niet gemotiveerd en is bovendien ook onbegrijpelijk. Waarom wordt door het gerechtshof uitgegaan van de verzamelloonstaten en niet van de loonbelastingkaarten?
2.6. Toelichting Middel VI (eindheffing)
2.6.1
Naar het oordeel van het gerechtshof brengt tekst noch doel en strekking noch de totstandkomingsgeschiedenis van de aansprakelijkheidswetgeving zoals die in de Invorderingswet 1990 is neergelegd met zich dat de aansprakelijkheid zich beperkt tot de loonbelasting, berekend zonder toepassing van het eindheffingsregime.
2.6.2
De eindheffing is per 1 januari 1997 ingevoerd. Echter, zowel bij de invoering van de eindheffing in 1997 als bij de aanpassing van het procesrecht voor de aansprakelijkstellingen (Wet van 12 september 2002, Stb. 2002, 478) is geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om artikel 49, lid 4, IW 1990 (voorheen artikel 50, lid 4, IW 1990) nader te preciseren of een aansprakelijkgestelde al dan niet de mogelijkheid heeft een verzoek te doen om eindheffing achterwege te laten.
2.6.3
Een aansprakelijkgestelde kan bezwaar maken tegen de aansprakelijkstelling, evenals tegen de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslag(en) (vgl. artikel 49, lid 1, Invorderingswet 1990). Op een dergelijk bezwaarschrift zijn de regels van hoofdstuk V van de AWR van overeenkomstige toepassing (vgl. artikel 49, lid 4, Invorderingswet 1990). Op die grond kan een belastingaanslag door een aansprakelijkgestelde worden bestreden. Dat de wetgever van mening is dat een aansprakelijkgestelde de belastingaanslag op alle punten kan bestrijden (althans voor zover de aansprakelijkgestelde daarvoor ook aansprakelijk is gesteld) blijkt duidelijk uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1987/1988, 20 588, nr. 3, blz. 115–116). Uitgangspunt moet zijn dat de aansprakelijkgestelde in dezelfde omstandigheden komt te verkeren als de belastingschuldige voor wat betreft de mogelijkheden om gemotiveerd bezwaar te kunnen maken tegen de aan de belastingschuldige opgelegde belastingaanslagen.
2.6.4
Dat de wetgever de aansprakelijkheid voor de loonbelasting berekend volgens het eindheffingsregime onredelijk vindt blijkt uit uitlatingen van enkele leden van de Tweede Kamer en van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens de behandeling van het wetsvoorstel 31 833 (Wijziging van titel 7:10 (arbeidsovereenkomst) van het Burgerlijk Wetboek in verband met de totstandbrenging van een inlenersaansprakelijkheid met betrekking tot de voldoening van het toepasselijke minimumloon en de toepasselijke minimumvakantiebijslag). Bij de behandeling in de Tweede Kamer van voornoemd wetsvoorstel op 10 september 2009 heeft de heer Van Hijum van het CDA daar het volgende over gezegd:
‘Een tweede zorgpunt voor mijn fractie betreft de inleners, dus de bedrijven die gebruik maken van uitzendbedrijven, die te goeder trouw zijn, maar achteraf met boetes en naheffingen worden geconfronteerd: (…) Het uitgangspunt is dat wij een verantwoordelijkheid en prikkel leggen bij bedrijven om zaken te doen met uitzendbureaus die de zaken goed op orde hebben, is goed te rechtvaardigen, maar tot hoe ver reikt die verantwoordelijkheid?’
De minister heeft hierop als volgt geantwoord:
‘Dat laat onverlet dat ik het eens ben met de heer Van Hijum als hij stelt dat het altijd onbevredigend is voor ene bedrijf, als het alles heeft gedaan wat mogelijk is, om vervolgens geconfronteerd te worden met die situaties. (…) Bij al dit soort regelingen, zoals de ketenaansprakelijkheid, blijf je als het gaat om de grenzen zitten met zaken waarvan je je in redelijkheid kunt afvragen of die niet anders hadden gekund. Uiteindelijk zal per geval, waarbij gebruik wordt gemaakt van de regeling, door de rechter moeten worden vastgesteld. (…) Ik zeg echter gaarne toe dat ik mij daarover opnieuw met de branche zal verstaan om te bezien waar die gevallen zich voordoen, waar de problematiek zit en hoe groot die is. Vervolgens zullen wij bezien of daar iets aan moet worden gedaan en wat eraan kan worden gedaan, wellicht via de regelgeving.’
2.6.5
Inmiddels is bij de halfjaarlijkse wijziging van de Leidraad Invordering 2008 een vrijwaring opgenomen. Een inlener kan zich disculperen indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- ▶
De uitlener voldoet aan de NEN 4440-I of 4400-II norm en is opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid (SNA);
- ▶
De inlener stort 25% van de factuur (inclusief btw) op de g-rekening van de in het register van de SNA opgenomen uitlener. Dit percentage wordt 20% indien de btw verlegd is.
- ▶
De betaling door de inlener op de g-rekening door de in het register van de SNA opgenomen uitlener voldoet aan de voorwaarden voor vrijwarende betalingen op de g-rekening zoals opgenomen in de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004;
- ▶
De inlener kan de identiteit van de ingeleende werknemer aantonen en kan aantonen dat de werknemer over een geldig verblijfs- of tewerkstellingsvergunning beschikt, voor zover dit van toepassing is.
2.6.6
Genoemde vrijwaring per 1 juli 2012 is het gevolg van het door de Tweede Kamer aangenomen amendement, inhoudende dat de regering overleg moet voeren met de branche om aanvullende maatregelen te verkennen voor inleners om via voorzorgsmaatregelen het risico op naheffingen en boetes te elimineren, waaronder vrijwaring voor aansprakelijkheid van belastingen en premies (Kamerstukken II, 31 833, nr. 8). Zie ook 2.6.4.
2.6.7
Gezien het vorenstaande is duidelijk dat bij de invoering van de aansprakelijkheidswetgeving het eindheffingsregime niet bestond; bij de invoering van het eindheffingsregime in eerste aanleg geen aandacht is besteed aan de gevolgen voor de aansprakelijkheidsbepalingen en later wel duidelijk is dat gevolgen niet voor rekening van een aansprâkelijkgestelde komen. Dit wordt nog eens bevestigd doordat de Staatssecretaris van Financiën van oordeel is dat een aannemer óp grond van artikel 35 Invorderingswet 1990 eveneens aansprakelijk is voor de loonbelasting die is verschuldigd als gevolg van het feit dat de verschuldigde loonbelasting niet wordt verhaald op de werknemers (zie artikel 35.10 Leidraad Invordering 2008). Een dergelijke bepaling is niet opgenomen bij artikel 34 in de Leidraad Invordering 2008.
2.6.8
Het besluit om de verschuldigde loonbelasting niet te verhalen, vormt in beginsel loon op het moment dat de inhoudingsplichtige dat besluit neemt (vgl. HR 19 oktober 1988, nr. 25 381, BNB 1988/336). Gelet op het feit dat de boekenonderzoeken in 2003 en 2005 hebben plaatsgevonden en de daaruit voortvloeiende naheffingsaanslagen zijn opgelegd in 2003 respectievelijk 2005 is het besluit om niet te verhalen in ieder geval in 2003 respectievelijk in 2005 genomen. Dat betekent dat het op dat moment loon is, dat wil zeggen loon 2003 respectievelijk 2005. Nu [X] in die jaren geen zaken heeft gedaan met [B] kan [X] daarvoor niet aansprakelijk worden gehouden.
2.6.9
Het oordeel van het gerechtshof dat de teksten van artikel 34 en 35 Invorderingswet 1990 niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is geeft blijk van een verkeerde rechtstoepassing en/of is niet althans onvoldoende gemotiveerd.
Immers, het besluit van [B] om af te zien van verhaal van de verschuldigde loonbelasting vormt op dat moment pas loon. Dat loon, dat over een geheel ander tijdvak is verschuldigd en waarin [X] geen gebruik heeft gemaakt van de diensten van [B], heeft geen betrekking op de periode dat [X] wel zaken heeft gedaan met [B].
2.6.10
Subsidiair is het toegepaste eindheffingstarief betreden. De toen vigerende Leidraad Invordering 1990 gaf expliciet aan hoe de matiging van het toegepaste anoniementarief bij het eindheffingsregime moet worden berekend, te weten:
‘De herrekening vindt plaats door het loon terzake van het werk te bruteren tegen een marginaal percentage dat wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de ‘geknipte’ tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA.’
2.6.11
Door [X] is ook gewezen op het feit dat de Leidraad Invordering 1990 en de Leidraad Invordering 2008 recht vormen in de zin van artikel 79 RO (HR 28 maart 1990, BNB 1990/194).
2.6.12
De ontvanger heeft gesteld dat bij die berekening nog rekening gehouden zou moeten worden met de premies WW, WAO, AOW en Zfw. Ten onrechte heeft het gerechtshof geoordeeld dat dit niet is bestreden door [X]. [X] heeft dit wel bestreden en wel in punt 4.16 CvR en punt 10.6 van de pleitaantekeningen in de procedure voor de rechtbank.
2.6.13
Daarenboven is het door de ontvanger genoemde percentage van 67,54% de uitkomst van het gebruteerde tarief van het in de Leidraad Invordering 1990 genoemde percentage, rekening houdend met de premies WW, WAO, AOW en Zfw (zie pag. 11 van bijlage 34 van het verweerschrift in de rechtbankprocedure).
2.7. Middel VII (strijd EU-recht)
2.7.1
Het gerechtshof oordeelde dat de inlenersaansprakelijkheid voor de omzetbelasting niet in strijd is met het EU-recht. Daartoe wijst het gerechtshof dat het [X] in redelijkheid niet kan zijn ontgaan dat uit het onderzoek van […] in 2001, uit een uitzending van het televisieprogramma NOVA (2001) en uit het door de Belastingdienst ingestelde boekenonderzoek bij [B] is gebleken dat [B] met illegale werknemers heeft gewerkt. Uit het aangekondigde aansprakelijkheidsonderzoek op 26 november 2004 zou [X] hebben kunnen afleiden dat er een aansprakelijkstelling zou kunnen volgen. Volgens het gerechtshof kan daaruit worden afgeleid dat [X] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de omzetbelasting niet of niet geheel betaald zou worden en was er aldus wetenschap bij [X] en daarom faalt het beroep op het arrest Federation of Technological Industries e.a.
2.7.2
Uit het arrest Federation of Technological Industries e.a. komt naar voren dat de wetenschap ten tijde (onderstreping [X]) van een levering moet weten of redelijkerwijs moet weten dat de omzetbelasting niet betaald zou worden (zie r.o. 31 van genoemd arrest). [X] had die wetenschap niet.
2.7.3
In r.o. 4.28.2 wordt door het gerechtshof vastgesteld dat bij [X] geen illegale personen hebben gewerkt. Daarnaast wijst [X] er op dat er immer verklaringen van goed betalingsgedrag door de Belastingdienst zijn verstrekt aan [B], laatstelijk nog op 10 april 2001 en 16 mei 2001 (zie r.o. 3.16 van het gerechtshof).
2.7.4
Bovendien betekent het feit dat [B] met illegale werknemers werkte niet per definitie dat de omzetbelasting ter zake van de ter beschikking stelling van die illegale personen niet zou zijn of worden voldaan.
2.7.5
Het oordeel van het gerechtshof berust dan ook op een verkeerde lezing van het arrest Federation of Technological Industries en mitsdien is het EU-recht verkeerd toegepast.
2.8. Middel VII (strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur)
2.8.1
Het gerechtshof heeft met betrekking tot de verklaringen van goed betalingsgedrag geoordeeld dat die uitsluitend zien op de formeel verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen waarvoor [B] aangifte heeft gedaan. De verklaringen van betalingsgedrag zien niet op de loonbelasting die is verschuldigd volgens de suppletieaangifte van 12 maart 2001, aldus het gerechtshof.
2.8.2
In de toen vigerende tekst van artikel 35, § 15, punt 3, Leidraad Invordering 1990 is omtrent het karakter van de verklaring het volgende opgenomen:
‘De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft alleen betrekking op de loonbelasting en premies volksverzekeringen die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring (onderstreping [X]).’
2.8.3
Voorts is in de Leidraad Invordering 1990 opgenomen (artikel 35, § 15, punt 8):
‘Als de ontvanger bekend is dat de inspecteur van plan is binnen afzienbare tijd één of meer naheffingsaanslagen op te leggen, blijft het verzoek buiten behandeling tot die naheffingsaanslagen zijn opgelegd (…).’
2.8.4
In artikel 35, § 15, punt 4, Leidraad Invordering 1990 is gesteld dat de ontvanger niet aansprakelijk is voor enig nadeel van welke aard dan ook dat eventueel voortvloeit uit het gebruik van de verklaring. Echter, het afgeven van onjuiste verklaringen wordt door een dergelijke bepaling niet afgedekt (vgl. CRvB 23 oktober 1991, V-N 1991, blz. 1458, Rb. Almelo 4 oktober 1995, V-N 1995, blz. 4254, Rb. Breda 30 mei 2006, nr. AWB 05/1560, V-N 2007/6.22).
2.8.5
Uit de hiervoor geciteerde passages van de toen vigerende tekst van de Leidraad Invordering 1990 is niet af te leiden dat de verklaringen van betalingsgedrag alleen zouden zien op de loonbelasting waarvoor aangifte is gedaan. Integendeel materiële schuld dan is hij ook bekend met het feit dat de inspecteur dan binnen afzienbare tijd een of meer naheffingsaanslagen oplegt.
2.8.6
De suppletieaangifte is door [B] gedaan op 12 maart 2001. Daarna zijn er — ten onrechte — ‘schone’ verklaringen van betalingsgedrag aan [B] verstrekt door de ontvanger en wel op 10 april 2001 en 16 mei 2001.
2.8.7
Het gerechtshof heeft, onder verwijzing naar HR 25 juni 1997, nr. 31 731, BNB 1997/277, geoordeeld dat het vaststellen van een aanslag niet is aan te merken als het vaststellen van een burgerlijke verplichting in de zin van artikel 6 EVRM. In deze kwestie gaat het niet om het vaststellen van een belastingaanslag maar om het invorderen van een belastingaanslag. Geschillen over de invordering vallen, gelet op het civiele karakter daarvan, onder de werking van artikel 6 EVRM (vgl. HR 5 november 2007, nr.32 632, BNB 1997/406).
2.8.8
Toepassing van artikel 6 EVRM betekent dat [X] ook recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Door [X] is in de procedure bij gerechtshof en rechtbank aangegeven dat die redelijke termijn is overschreden. Bovendien is [X] daardoor benadeeld in haar verdediging.
Daarbij geldt dat het feit dat zij op 26 november 2004 is bezocht door de Belastingdienst niet betekent dat [X] aansprakelijk wordt gesteld en al met haar voorbereidingen van de verdediging kan beginnen.
2.8.9
Ten eerste omdat een bezoek van de Belastingdienst niet betekent dat [X] aansprakelijk zal worden gesteld. Te meer niet nu zij een urenadministratie heeft bijgehouden, van alle personen geldige ID-bewijzen in haar administratie heeft opgenomen en een voldoende groot bedrag ter dekking van de loonbelasting en sociale verzekeringspremies rechtstreeks heeft gestort.
[X] mocht er dan ook vanuit gaan dat het niet tot een aansprakelijkstelling voor haar zou komen.
2.8.10
De indicaties die de Belastingdienst had dat het bij [B] ‘niet pluis’ zou zijn, te weten de suppletieaangifte maart 2001, de bevindingen van […] in mei 2001 en het TV programma NOVA, waren [X] niet bekend en hadden haar ook niet bekend kunnen zijn. Uitsluitend ten aanzien van het programma NOVA had dat kunnen zijn. Echter, [X] heeft dat programma niet gezien. Dat kan haar niet worden tegengeworpen. Bovendien hebben er geen illegalen gewerkt bij [X].
2.8.11
Kortom: [X] is eerst bij de beschikking aansprakelijkstelling d.d. 31 januari 2007 op de hoogte gekomen dat zij aansprakelijk is gesteld voor (een deel van) de belastingschuld van [B].
2.8.12
Uitgaande dat artikel 6 EVRM van toepassing is op de beschikking aansprakelijkstelling, is de onmogelijkheid voor een aansprakelijkgestelde om bezwaar te maken tegen de toegepaste eindheffing bij het vaststellen van de belastingaanslag ten aanzien van de belastingschuldige daarmee in strijd en in ieder geval in strijd met het proportionaliteitsbeginsel.
2.8.13
De beschikking aansprakelijkstelling leidt tot de aantasting van het vermogen van [X], waardoor artikel 1 Eerste Protocol EVRM van toepassing is. Op basis van de vaste jurisprudentie dient dan te worden nagegaan of
- (i)
er sprake is van een wettelijke basis,
- (ii)
of een redelijk doel wordt gediend en
- (iii)
of het een evenredig middel is om een redelijk doel te bereiken.
2.8.14
De wettelijke basis is artikel 34 (ingeval sprake is van inlening) of artikel 35 (ingeval sprake is van aanneming van werk) Invorderingswet 1990. Het redelijke doel is om door de belastingschuldige niet-betaalde belastingen te verhalen. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel is er geen sprake van een evenredig middel om een redelijk doel te bereiken.
2.8.15
Door het eindheffingsregime onverkort door te laten werken in de beschikking aansprakelijkstelling, waarbij de aansprakelijkgestelde geen enkele wettelijke mogelijkheid heeft om daar bezwaren tegen aan te voeren, en ondanks het feit dat [X] een administratie heeft bijgehouden waarin de identiteitsgegevens en -bewijzen alsmede het aantal gewerkte uren per persoon is opgenomen, wordt geen redelijk doel nagestreefd. Op die wijze wordt er meer belasting ingevorderd dan er normaliter verschuldigd zou zijn.
2.8.16
Met betrekking tot de uitwinning van het WKA-depot en de afboeking van de uitgewonnen bedragen heeft het volgende te gelden. Indien wordt uitgegaan van een onrechtmatige uitwinning van het WKA-depot van [B] door de ontvanger, dan dienen die gelden terug te worden gestort naar [B]. Alsdan is er een bate die toekomt aan [B] hetgeen betekent heropening van de vereffening (zie 2.1.13).
Daarnaast worden de belastingaanslagen waar de uitgewonnen bedragen in eerste aanleg op zijn afgeboekt door die terugbetaling niet geredresseerd. Dat betekent dat op de niet-geredresseerde naheffingsaanslagen loonbelasting de uitgewonnen bedragen moeten worden afgeboekt. Dit leidt tot een lager bedrag voor de beschikking aansprakelijkstelling van [X].
2.9. Middel IX (afboeking op belastingschulden)
2.9.1
Met betrekking tot de uitwinning van het WKA-depot van [B] door de ontvanger heeft de ontvanger erkend dat die uitwinning onrechtmatig is(zie het proces-verbaal van de zitting van 14 april 2009). Door de rechtbank en het gerechtshof is dit ten onrechte niet als vaststaand feit aangemerkt.
2.9.2
De uitgewonnen bedragen zijn grotendeels afgeboekt op belastingaanslagen welke zijn opgelegd over een periode dat [B] geen activiteiten meer ontplooide.
De activiteiten van [B] zijn eind 2001 gestaakt (zie punt 4 van het rapport boekenonderzoek [B] d.d. 5 december 2005). Die aanslagen dienen te worden vernietigd, eventueel ambtshalve, en de vrijgekomen bedragen dienen vervolgens te worden aangewend voor de delging van de naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting. Dat betekent dat ook in methode II alsnog rekening moet worden gehouden met die afboekingen.
2.9.3
Tussen partijen is ook discussie gevoerd over de status van de rechtstreekse stortingen. Door het gerechtshof is daar ten onrechte geen oordeel over gegeven.
2.9.4
Bij de berekening van de beschikking aansprakelijkstelling is de ontvanger geheel voorbij gegaan aan het feit dat een groot deel van de werkzaamheden verricht bij [X] door [B] is gedaan door personen die waren verantwoord op de verzamelloonstaten van [B]. Niet in geschil is dat de gedane aangiften loonbelasting door [B] ook zijn voldaan. Voor die personen bestaat derhalve geen aansprakelijkheid. Indien en voor zover het werk is gedaan door personen verzamelloonstaten van [B]. Niet in geschil is dat de gedane aangiften loonbelasting door [B] ook zijn voldaan. Voor die personen bestaat derhalve geen aansprakelijkheid. Indien en voor zover het werk is gedaan door personen die niet op de verzamelloonstaten van [B] voorkomen en bij wijze van vooronderstelling uitgaande dat die personen in dienst waren bij [B], dan dienen de rechtstreekse stortingen daarvoor te worden aangewend. Dat geldt temeer indien de rechtstreekse stortingen ten onrechte zijn aangewend voor de delging van belastingaanslagen waarvan vaststaat dat die ten onrechte zijn opgelegd.
3. Conclusie
[X] concludeert op grond van het vorenstaande tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van dit geding, alsmede in de kosten van de procedure bij de rechtbank en het gerechtshof en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitspraak 20‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Invordering; artikelen 34 (en 35) en 49 van de Invorderingswet 1990, artikel 8:42 Awb, artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 21, lid 3, van de Zesde Richtlijn. Stelplicht belanghebbende met betrekking tot beweerdelijke op de zaak betrekking hebbende stukken, omkering en verzwaring bewijslast geldt niet jegens aansprakelijk gestelde (redelijke verdeling van de bewijslast), brutering heffingsloon met loonbelasting en premies volksverzekeringen, aanwending WKA-tegoed, aansprakelijkstelling voor door aanbieder van arbeidskrachten terzake verschuldigde omzetbelasting niet in strijd met Zesde Richtlijn.
Partij(en)
20 december 2013
nr. 12/02987
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van V.o.f. [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 mei 2012, nr. BK-10/00394, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 15 december 2006 op grond van primair artikel 34 en subsidiair artikel 35 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor aan [A] B.V. (voorheen: [B] B.V.) te [Z] opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting en de premies volksverzekeringen en in omzetbelasting over de jaren 2000 en 2001. Het bedrag van de aansprakelijkstelling is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger verminderd.
De Rechtbank te 's‑Gravenhage (nr. AWB 08/5276 IW) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 28 mei 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Nu deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende exploiteerde in 2000 en 2001 een agrarisch bedrijf. Voor de werkzaamheden binnen haar onderneming heeft belanghebbende gebruik gemaakt van arbeidskrachten die werden ingeleend van [B] B.V. (hierna: de vennootschap).
3.1.2.
De vennootschap is bij besluit van de Kamer van Koophandel [R] op de voet van artikel 2:19a BW bij gebrek aan baten ambtshalve ontbonden per 30 januari 2003. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor vijf door de vennootschap onbetaald gelaten naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de loonbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 2000 en 2001.
3.1.3.
In de uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger de loonbelasting en de premie volksverzekeringen die de vennootschap had moeten afdragen nader berekend op basis van i) een door de via de vennootschap aangeboden arbeidskrachten genoten netto uurloon van ƒ 13 (€ 5,90) voor 2000 en ƒ 13,50 (€ 6,13) voor 2001 en ii) directe brutering met inachtneming van het zogenoemde anoniementarief bedoeld in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB), zoals dat tarief voor de onderhavige jaren gold. Daarbij is de Ontvanger ervan uitgegaan dat de arbeidskrachten waren verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. Een en ander resulteerde in brutering van het nettoloon tegen een percentage van (afgerond) respectievelijk 187 (voor 2000) en 129,50 (voor 2001).
3.2.1.
Middel I klaagt over schending van het bepaalde in artikel 8:42, lid 1, Awb. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte dan wel op ontoereikende gronden geoordeeld dat de Ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het middel heeft blijkens de toelichting daarop het oog op het invorderingsdossier met betrekking tot de vennootschap, stukken betreffende de uitwinning van het zogenoemde WKA-tegoed van de vennootschap, stukken betreffende verminderingen van aan de vennootschap opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, en stukken inzake de voordracht voor en het afzien van strafvervolging van de vennootschap.
3.2.2.
Artikel 8:42 Awb dient aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (zie HR 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, BNB 2008/161).
3.2.3.
Wat betreft het invorderingsdossier met betrekking tot de vennootschap heeft het Hof niet aannemelijk geoordeeld dat dat dossier méér omvat of heeft omvat dan de stukken die de Ontvanger heeft overgelegd.
3.2.4.
Met betrekking tot de uitwinning van het WKA-tegoed van de vennootschap heeft het Hof aangenomen dat een overzicht van die uitwinning als door belanghebbende bedoeld, niet bestaat. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijk overzicht, zo het vervaardigd zou worden, niet van belang is voor de juistheid en de hoogte van belanghebbendes aansprakelijkheid, omdat een direct verband tussen de van het WKA-tegoed afgeboekte bedragen en de bedragen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, ontbreekt, en omdat eventuele wijzigingen in die afboeking waaruit aan de vennootschap toekomende bedragen zouden kunnen voortvloeien niet leiden tot nagekomen baten en derhalve geen aanleiding vormen voor heropening van de vereffening van de vennootschap.
3.2.5.
Met betrekking tot de door belanghebbende genoemde verminderingen van aan de vennootschap opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat die verminderingen leiden tot vermindering van haar aansprakelijkheid.
3.2.6.
Met betrekking tot de stukken betreffende de voordracht voor en het afzien van strafvervolging van de vennootschap heeft het Hof zich aangesloten bij de overwegingen van de Rechtbank, inhoudende dat die stukken volgens de Ontvanger geen nadere informatie bevatten omtrent de berekening en het opleggen van de naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld en dat de Rechtbank in het dossier geen aanwijzingen heeft aangetroffen die erop wijzen dat zulks - wellicht - wel het geval is.
3.2.7.
Met zijn hiervoor in 3.2.3 tot en met 3.2.6 weergegeven oordelen en overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 8:42, lid 1, Awb hetzij omdat de stukken om overlegging waarvan belanghebbende had verzocht – waaronder mede zijn te verstaan afdrukken van in elektronische vorm vastgelegde gegevens - niet bestaan, hetzij omdat die stukken niet van belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak, hetzij omdat belanghebbende heeft verzuimd te motiveren waarom die stukken van belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak.
Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij behoefden ook niet meer motivering dan het Hof heeft gegeven. Middel I faalt derhalve.
3.3.1.
Middel IV strekt ten betoge dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast zowel ten aanzien van de juistheid van de naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld als ten aanzien van de juistheid van belanghebbendes aansprakelijkstelling.
3.3.2.
Het middel stelt terecht voorop dat de bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen toegepaste zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan haar kan worden tegengeworpen. Dit brengt evenwel niet mee dat belanghebbende haar betwisting van de juistheid van de naheffingsaanslagen en haar aansprakelijkstelling daarvoor in het geheel niet behoeft te motiveren.
3.3.3.
Zowel ten aanzien van de aansprakelijkstelling als ten aanzien van de daaraan ten grondslag liggende naheffingsaanslagen gelden de in het fiscale recht gebruikelijke hoofdregels omtrent stelplicht en bewijslast. Die regels brengen mee dat het op de weg van de ontvanger ligt om de feiten te stellen waarop de aansprakelijkstelling en naheffingsaanslagen steunen, en deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken. Dat neemt echter niet weg dat indien een aansprakelijk gestelde zich in het kader van zijn verweer beroept op hem ontlastende omstandigheden, de bewijslast te dier zake in geval van betwisting bij hem rust. Voor zover het middel anders betoogt, faalt het derhalve.
3.3.4.
Zowel de door het Hof zelf gegeven bewijsoordelen als de door het Hof (in onderdeel 6.1 van zijn uitspraak) overgenomen bewijsoordelen van de Rechtbank met betrekking tot de afzonderlijke geschilpunten geven geen blijk van een onjuiste opvatting van de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 bedoelde bewijsregels. Het middel faalt daarom ook voor het overige, evenals middel V voor zover dat een klacht bevat over de door de Rechtbank en het Hof toegepaste bewijslastverdeling.
3.4.1.
Middel V klaagt voorts erover dat het Hof niet heeft behandeld belanghebbendes stelling dat bij de berekening van de naheffingsaanslagen loonbelasting en premies volksverzekeringen, en daarmee van belanghebbendes aansprakelijkstelling daarvoor, moet worden uitgegaan van lagere bruteringspercentages dan de hiervoor in 3.1.3 genoemde percentages. Aangezien het gehanteerde netto-uurloon van ƒ 13 (€ 5,90) onderscheidenlijk ƒ 13,50 (€ 6,13) boven de zogenoemde ziekenfondsgrens ligt, moet in de berekening van de bruteringspercentages geen rekening worden gehouden met de ingevolge de Ziekenfondswet verschuldigde premies, aldus het middel.
3.4.2.
Hoewel het middel terecht aanvoert dat het Hof deze stelling onbesproken heeft gelaten, kan dit niet tot cassatie leiden. Bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Ziekenfondswet bedoelde loongrens wordt overschreden, is het vierde lid van dat artikel van beslissende betekenis. Uit dit artikellid vloeit voort dat genoten loon voor de toepassing van artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Ziekenfondswet slechts kan worden aangemerkt als loon indien het een vast karakter heeft en kan worden herleid tot jaarloon. Is een dergelijke herleiding niet mogelijk dan geldt de betreffende werknemer als verzekerd voor de Ziekenfondswet (zie CRvB 3 december 1986, nr. PREMIE 1984/83, ECLI:NL:CRVB:1986:AK7822, RSV 1988, 3).
Uit de gedingstukken blijkt niet hoeveel uren elk van de door belanghebbende ingeleende arbeidskrachten per week, per maand of per jaar heeft gewerkt en evenmin blijkt uit de gedingstukken dat belanghebbende dienaangaande voor het Hof iets heeft gesteld. Voor een nader onderzoek op dit punt is in cassatie geen plaats. Het vorenstaande brengt mee dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de door belanghebbende ingeleende werknemers verzekerd zijn geweest ingevolge de Ziekenfondswet en dat het hiervoor in 3.4.1 weergegeven betoog van belanghebbende faalt.
3.5.1.
In middel VI wordt onder meer betoogd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aansprakelijkstelling op de voet van artikel 34, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) mede mogelijk is voor loonbelasting die is berekend met toepassing van een brutering van uitbetaalde bedragen aan loon. Het middel faalt in zoverre op de gronden vermeld in onderdeel 3.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/05644, ECLI:NL:HR:2013:BZ5048, BNB 2013/142.
3.5.2.
Middel VI betoogt voorts dat belanghebbende niet aansprakelijk is voor de brutering die voortvloeit uit het afzien door de vennootschap van verhaal van de van haar nageheven loonbelasting. Het besluit om daarvan af te zien is genomen in 2003 respectievelijk 2005. Het daardoor voor de arbeidskrachten ontstane voordeel vormt pas in die jaren loon. Aangezien belanghebbende in die jaren geen zaken meer deed met de vennootschap kan belanghebbende niet aansprakelijk worden gehouden voor de met die brutering gemoeide loonbelasting, aldus het middel.
3.5.3.
Het Hof heeft overgenomen het oordeel van de Rechtbank (in onderdeel 4.30 van haar uitspraak) dat de vennootschap de loonbetalingen aan de arbeidskrachten in 2000 en 2001 heeft gedaan onder zodanige omstandigheden dat verhaal van de ten onrechte niet ingehouden loonbelasting bij voorbaat onmogelijk was en dat die situatie moet worden gelijkgesteld met de situatie waarin de vennootschap toen zij de loonbetalingen deed de voorgeschreven inhoudingen op het loon voor haar rekening wilde nemen.
Voor zover het middel betoogt dat door een aansprakelijk gestelde onder deze omstandigheden met vrucht een verzoek kan worden gedaan als bedoeld in artikel 31, lid 1, aanhef en letter a, onderdeel 1, van de Wet LB, vindt het geen steun in het recht (vgl. HR 24 september 2004, nr. 29303, ECLI:NL:HR:2004:AO4778, BNB 2004/414).
Het hiervoor bedoelde oordeel geeft ook niet anderszins blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel VI faalt daarom ook in zoverre.
3.6.1.
Middel VII richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor omzetbelastingschulden van de vennootschap op grond van artikel 34, lid 1, van de Wet niet in strijd is met artikel 21, lid 3, van de Zesde richtlijn, omdat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet of niet geheel betaald zou worden.
3.6.2.
Artikel 21, lid 3, van de Zesde richtlijn staat de lidstaten toe maatregelen vast te stellen op grond waarvan een andere persoon dan de belastingschuldige hoofdelijk verplicht wordt tot voldoening van de belasting. Daarbij moeten de lidstaten de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, met name het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel, naleven. In dit kader is het legitiem dat de maatregelen van een lidstaat de rechten van de schatkist zo doelmatig mogelijk proberen te beschermen, mits zij niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is. Daarbij verzet het recht van de Unie zich niet ertegen om van de desbetreffende andere persoon dan de schuldenaar van de btw te verlangen dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude (zie HvJ EU 21 december 2012, C-499/10, Vlaamse Oliemaatschappij NV (VOM), LJN BU9828, V-N 2012/8.24, punten 19-22 en 25).
Dat de andere persoon dan de schuldenaar van de btw te goeder trouw heeft gehandeld door met de zorgvuldigheid van een bedachtzame ondernemer te werk te gaan, alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en zijn betrokkenheid bij fraude is uitgesloten, zijn derhalve factoren die in aanmerking moeten worden genomen om uit te maken of deze persoon hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de verschuldigde btw (arrest VOM, punt 26).
3.6.3.
Hoofdelijke aansprakelijkheid van inleners van arbeidskrachten op de voet van artikel 34, lid 1, van de Wet strekt ertoe de rechten van de fiscus te beschermen tegen onder meer fraude door malafide uitleners. Deze aansprakelijkstelling is slechts mogelijk in de in dat artikellid omschreven omstandigheden, ter zake waarvan – zoals hiervoor in 3.3.3 is overwogen – de bewijslast (in beginsel) op de ontvanger rust. Daarnaast biedt artikel 34, leden 3 en 5, van de Wet alsmede de Leidraad Invordering een te goeder trouw handelende inlener de mogelijkheid datgene te doen wat redelijkerwijs binnen zijn vermogen ligt tot voorkoming van de aansprakelijkheid.
In dit verband valt met name te wijzen op de mogelijkheid voor een inlener om ten behoeve van de uitlener de verschuldigde omzetbelasting waarvoor hij aansprakelijk is rechtstreeks en voldoende gespecificeerd over te maken naar een bankrekening van de Belastingdienst. Een dergelijke overmaking strekt op grond van artikel 34, § 3, lid 5, van de Leidraad Invordering 1990 respectievelijk onderdeel 34.5 van de Leidraad Invordering 2008 tot uitsluiting van de aansprakelijkheid voor de omzetbelasting tot op het overgemaakte bedrag.
Gelet op dit een en ander kan niet worden gezegd dat de regeling van artikel 34, lid 1, van de Wet strijdig is met artikel 21, lid 3, van de Zesde richtlijn of met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Daaraan doet niet af dat belanghebbende – naar het middel stelt – ten tijde van de dienstverlening niet wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de omzetbelasting niet door de vennootschap zou worden voldaan. Derhalve faalt middel VII.
3.7.1.
Middel VIII behelst onder meer het betoog dat aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de loonbelastingschulden van de vennootschap in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het middel voert in dat verband aan dat de eindheffingsregeling van artikel 31 van de Wet LB onverkort doorwerkt naar de aansprakelijkstelling, zonder dat de aansprakelijk gestelde zich daartegen kan verweren. Aldus wordt volgens het middel meer belasting ingevorderd dan normaliter verschuldigd zou zijn.
3.7.2.
Uit het hiervoor in onderdeel 3.5.3 overwogene volgt dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin reeds ten tijde van de uitbetaling van het loon de mogelijkheid van verhaal feitelijk of rechtens niet bestond. In een dergelijk geval kan, zoals hiervoor is overwogen, noch de werkgever noch de aansprakelijk gestelde met vrucht een verzoek doen als bedoeld in artikel 31, lid 1, aanhef en letter a, onderdeel 1, van de Wet LB. Anders dan het middel stelt wordt derhalve niet meer belasting ingevorderd dan door de inhoudingsplichtige verschuldigd zou zijn. Reeds hierop stuit het betoog af en faalt middel VIII in zoverre.
3.8.1.
Middel VIII houdt voorts, evenals middel IX, het betoog in dat het WKA-tegoed van de vennootschap op onjuiste en onrechtmatige wijze is uitgewonnen en dat dit moet leiden tot vermindering van belanghebbendes aansprakelijkheid. Met dit betoog wordt kennelijk gedoeld op de bedragen die inleners ter zake van door de vennootschap verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen hebben overgemaakt aan de Belastingdienst (het zogeheten rechtstreeks storten).
3.8.2.
Voor zover het betoog inhoudt dat de ontvanger bij toepassing van artikel 34 van de Leidraad Invordering 1990 dan wel onderdeel 34 van de Leidraad Invordering 2008 is gehouden het bedrag van de zogeheten primaire aansprakelijkheid van een bepaalde inlener te verminderen met rechtstreekse stortingen van andere inleners faalt het, aangezien voormelde bepalingen een dergelijke verplichting niet inhouden.
Het betoog stuit voor het overige af op de door het Hof overgenomen oordelen in de onderdelen 4.45 en 4.46 van de uitspraak van de Rechtbank, inhoudende dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de (gestelde) onjuiste en onrechtmatige uitwinning van het WKA-tegoed heeft geleid tot een te hoge aansprakelijkstelling van belanghebbende. Deze oordelen kunnen als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
Middel VIII faalt derhalve in zoverre eveneens, evenals middel IX.
3.9.
De middelen II, III, V voor het overige, VI voor het overige en VIII voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.