Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.4.2
4.2.4.2 Waarborgen ten aanzien van de partijautonomie
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366022:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-III, nr. 41.
Zie par. 4.2.4.1.
Zie par. 13.3.4.
HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 m.nt. Veegens en Scholten (Wijsmuller) en de bepalingen van in Afdeling 4 van Titel 2:4/5 BW die zien op de bijeenroeping van de aandeelhoudersvergadering.
Zie Klaassen (Diss.), p. 155.
Zie art. 2:118/227 lid 4/7 BW.
Zie art. 2:118/227 lid 2 BW, art. 2:118a BW, art. 2:88/197 lid 3 en 4 BW en art. 2:89/198 lid 3 en 4 BW.
HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 m.nt. Veegens en Scholten (Wijsmuller) en de bepalingen van in Afdeling 4 van Titel 2:4/5 BW die zien op de bijeenroeping van de aandeelhoudersvergadering.
Art. 2: 238 lid 1 BW.
Art. 2:128 lid 1 BW.
Art. 2:129a/239a lid 3 BW.
Art. 2:114/224 lid 2 BW.
Zie bijvoorbeeld 2:102/212 BW en 2:123/233 BW.
Het hierboven geschetste systeem van besluitvorming, waarin de meerderheid bindende beslissingen kan afdwingen tegen de wil van de minderheid, vormt een uitzondering op het beginsel van de partijautonomie. Dit beginsel houdt onder meer in dat partijen in beginsel zelf mogen bepalen welke (privaatrechtelijke) verplichtingen partijen op zich nemen.1 Door (vrijwillig) zitting te nemen in de organen van de vennootschap doen partijen (deels) afstand van deze autonomie, omdat zij zich daardoor onderwerpen aan de regels van de deel-rechtsorde. Een uitvloeisel daarvan is dat zij bindende besluitvorming bij meerderheid van het beslissingsbevoegde orgaan aanvaarden.
Boek 2 BW en de jurisprudentie bieden echter diverse waarborgen dat deze (vrijwillige) inperking van de partijautonomie niet te ver doorslaat. Het gaat om (i) voorschriften ter zake van de vereiste meerderheid,2 (ii) bepalingen waaruit volgt dat een aandeelhouder niet tegen zijn wil kan worden gebonden aan enige verplichting boven zijn verplichting om zijn aandelen vol te storten3 en (iii) om voorschriften die er voor zorgen dat de bij de organisatie betrokkenen ten minste mogen proberen om invloed uit te oefenen op de besluitvorming (“inspraakrechten”).
Deze inspraakrechten houden ten eerste in dat de wet en rechtspraak voorschrijven dat in beginsel overleg dient vooraf te gaan aan besluitvorming.
De besluitvorming door een meerhoofdig orgaan dient tot stand te komen als vrucht van onderling overleg van alle leden van dat orgaan die wensen deel te nemen aan dat overleg.4 In de statuten kan dit vereiste verder worden opgeschroefd door het introduceren van quorumvereisten.5 Een dergelijk quorumvereiste betekent in voorkomende gevallen dat een vergadergerechtigde door het bedrijven van legestoelpolitiek een veto kan uitoefenen. Ten aanzien van de aandeelhoudersvergadering geldt daarnaast dat de bestuurders en commissarissen daarin een adviserende stem hebben.6 In voorkomende gevallen komen ook vergaderrechten toe aan eventuele certificaathouders, vruchtgebruikers en pandhouders ten aanzien van aandelen.7
Ten tweede moeten alle vergadergerechtigden in staat worden gesteld om deel te nemen aan dat overleg.8
In geval van besluitvorming binnen vergadering dienen de leden te worden opgeroepen. Bij besluitvorming buiten vergadering bij een BV dienen alle vergadergerechtigden in te stemmen met besluit buiten vergadering.9 Ten aanzien van de NV is dat op iets meer rigide wijze bewerkstelligd met de eis dat het besluit met algemene stemmen moet zijn aangenomen (naast de eisen dat de statuten zulks moeten toelaten, geen toonderaandelen zijn uitgegeven en ook geen certificaten).10
Voor het bestuur van een NV en BV bestaat echter de mogelijkheid om bij of krachtens de statuten te bepalen dat bij bepaalde besluiten niet alle bestuurders hoeven te worden betrokken.11
Ten derde bevordert de wet de kwaliteit van het onderlinge overleg ter aandeel-houdersvergadering.
Zo is voorgeschreven dat aandeelhoudersbesluiten tijdig moeten worden geagendeerd.12 Dat geeft de vergadergerechtigden de mogelijkheid om zich adequaat voor te bereiden. Tevens is ten aanzien van sommige besluiten vereist dat bepaalde informatie voorafgaand aan de besluitvorming beschikbaar wordt gesteld, zodat terzake ook daadwerkelijk op een zinnige manier overleg kan worden gevoerd.13
Dit alles doet er niet aan af dat dit overleg in voorkomende gevallen niet van de grond komt. Indien de vergadergerechtigden vooraf hun standpunten bepalen en niet bereid zijn om naar het standpunt van de wederpartij te luisteren, leiden bovengenoemde overlegregels tot een toneelstukje. Feit blijft dat de (vereiste) meerderheid van de stemgerechtigden beslist.