Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.7
2.7 Slotopmerkingen
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434213:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Arnhem 16 juni 1983, IVIPR 1984, 83: 'De minderjarige kinderen van partijen zijn geboren in de republiek Singapore, hebben de Singaporeaanse nationaliteit, wonen in Singapore bij hun moeder, en zullen daar in de toekomst vermoedelijk (althans voorlopig) ook blijven wonen. Onder deze omstandigheden raakt een voorziening in het gezag over de minde/jarigen de Nederlandse rechtssfeer niet of nauwelijks en het komt de rechtbank beter voor zo'n voorziening over te laten aan de rechter in de republiek Singapore, wiens rechtssfeer daar veel sterker bij betrokken is. De rechtbank zal zich daarom onthouden van het geven van een gezagsvoorziening.' Vgl. ook Rb. Arnhem 15 februari 1973, NJ 1973, 349; Rb. 's-Gravenhage 6 december 1982, NJ 1987, 1024; Rb. Leeuwarden 9 april 1987, IVIPR 1987, 243; Rb. 's-Gravenhage 16 maart 1992, IVIPR 1993, 244; Rb. 's-Gravenhage 28 juni 1995, IVIPR 1995, 498; Rb. 's-Hertogenbosch 10 augustus 2001, NJPR 2001, 255.
Zie HR 20 januari 1984, NJ1984, 751 (JCS); HR 13 februari 1987, NJ1987, 1014 (JCS), besproken in par. 2.6.4 resp. 2.6.3.
Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580. KB van 10 december 2001, Stb. 2001, 621.
Uit het voorafgaande is gebleken dat het Nederlandse forum non conveniens-leerstuk in het Nederlandse commune recht de functie van correctief vervulde. Het leerstuk uitte zich in de vorm van een toets van voldoende verbondenheid. Forum non conveniens corrigeerde de verstrekkende rechtsmacht van de Nederlandse rechter in verzoekschriftzaken, die op zijn beurt het resultaat was van het rechtsmachtscheppende effect van ruime, of zelfs onbegrensde regels van relatieve competentie. Het maakte een uitzondering op de regel dat met de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter tevens diens internationale bevoegdheid was gegeven. Forum non conveniens werkte rechtsmachtontnemend; rechtsmacht scheppen kon het in geen geval, noch voor de Nederlandse noch voor de buitenlandse rechter. Deze open norm in art. 429c Rv oud stelde de relatief en daarmee internationaal bevoegde rechter in staat om van geval tot geval te beoordelen of de uitoefening van rechtsmacht geoorloofd was. De Nederlandse rechter verklaarde zich als forum non conveniens onbevoegd, indien het verzoek onvoldoende aanknoping had met de rechtssfeer van Nederland. Hierbij lag de nadruk op de ongeschiktheid van het eigen forum; geringe binding met Nederland maakt de Nederlandse rechter in beginsel een ongeschikt forum. De Nederlandse rechter verklaarde zich onbevoegd, omdat bijvoorbeeld de minderjarige in het buitenland zijn gewone verblijfplaats had of de echtelijke woning in het buitenland lag. Daarmee gaf de Nederlandse rechter impliciet — soms ook expliciet -1 te kennen dat de rechter in de desbetreffende forumstaat zich, gelet op het aanknopingsoverwicht, in een geschiktere positie bevond om van de zaak kennis te nemen. Indien vast kwam te staan dat een gerechtelijke procedure in het buitenland onmogelijk was, kwam geen forum non conveniens tot stand. De Nederlandse rechter verklaarde zich dan bevoegd, zelfs als de zaak geen of slechts geringe feitelijke aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer had. Het belang van partijen of van de verzoeker bij een Nederlandse beslissing creëerde als het ware de door art. 429c Rv oud vereiste binding met de Nederlandse rechtssfeer. Er bestond dus een zekere verwevenheid tussen forum non conveniens en forum necessitatis.2
Op 1 januari 2002 is het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht ingrijpend gewijzigd. Op deze datum is de Wet Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, in werking getreden.3 Met deze wet is in art. 1 t/m 14 Rv een algemene regeling inzake de commune rechtsmacht in het leven geroepen. Buiten de toepassing van verdragen en EG-verordeningen wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaald volgens de bevoegdheidsgronden in art. 2-14 Rv. De commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt niet langer afgeleid uit de regels inzake de relatieve competentie. Het systeem van 'distributie bepaalt attributie' is daarmee zowel voor verzoekschrift- als dagvaardingszaken komen te vervallen.4 Met deze ingrijpende wijziging van het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht rijst de vraag of er nog wel behoefte bestaat aan een forum non conveniens-correctie. Is de nieuwe rechtsmachtregeling geschoond van exorbitante fora, zodanig dat een toets van voldoende verbondenheid kan worden gemist?