Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.1.1
11.1.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299264:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de vraag hoe dient te worden bepaald welke van verschillende bij elkaar gebrachte roerende zaken als hoofdzaak dient te gelden Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 512. Een onroerende zaak geldt altijd als hoofdzaak; zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 12.
Heyman & Bartels 2006, p. 271.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 496.
Al vóór de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek werd door Kortmann 1988, p. 715 gewezen op de problemen die door de verschillende criteria voor bestanddeelvorming (art. 3:4 BW), onroerend worden (art. 3:3 BW) en natrekking (art. 5:20 BW) ontstaan. Zo is in de literatuur gediscussieerd over de vraag of de vereisten van art. 3:4 BW kunnen worden omzeild via art. 5:20 BW en 3:3 BW; zie bijvoorbeeld Heyman 2000, p. 103 e.v.; van der Plank & Witting 2014; Verheul 2015, p. 240; Apers 2016, p. 176 e.v.; van der Plank 2016, p. 140 e.v. en (in het verlengde daarvan) over de vraag of een huis bestanddeel is van de grond; zie bijvoorbeeld Ploeger 1997, p. 124; Wolfert 2003, p. 280; Heyman & Bartels 2006; van Maanen 2006; van Maanen 2012. Ik sluit mij – zonder dit hier verder uit te werken, omdat het niet de kern van dit onderzoek raakt – aan bij de opvatting en argumenten van Tweehuysen 2016, p. 233 e.v.
Verdere regels zijn opgenomen in specifieke wetgeving; zie bijvoorbeeld art. 8:1 lid 3 BW en 8:3a lid 2 BW.
436. Het opbouwen van rechtsobjecten vindt in het Nederlandse recht plaats door te bekijken uit welke bestanddelen een zaak bestaat. Wanneer een zaak wordt aangevuld met extra schaarse middelen, dan is er sprake van bestanddeelvorming. De terminologie daarbij is dat de ene zaak bestanddeel wordt van de andere zaak, of, in uitzonderingsgevallen, iets dat nog geen zaak was, bestanddeel wordt van een zaak.1 De zaak waarvan de andere zaak onderdeel wordt, wordt aangeduid als ‘hoofdzaak’.2 Wanneer die bestanddeelvorming er ook voor zorgt dat schaarse middelen van de één onderdeel worden van het rechtsobject van de ander, dan is er tevens sprake van natrekking (al wordt de terminologie in de praktijk niet altijd zo strak gehanteerd) .3 De wettelijke regeling voor bestanddeelvorming is te vinden in art. 3:4 BW, dat – kortgezegd – bepaalt dat schaarse middelen bestanddeel zijn indien dat naar verkeersopvatting zo is of als ze niet zonder beschadiging van het rechtsobject kunnen worden losgemaakt. De artikelen 5:3 BW, 5:14 BW en 5:20 BW regelen wie eigenaar wordt van toegevoegde schaarse middelen en hebben daarmee betrekking op natrekking.4
437. In de literatuur en rechtspraak wordt gediscussieerd over de precieze verhouding van art. 3:4 BW tot andere artikelen, vooral art. 5:20 BW.5 Toch kies ik ervoor om de onderstaande bespreking te beperken tot de werking van art. 3:4 BW. De reden daarvoor is dat art. 3:4 BW het enige wetsartikel is dat daadwerkelijk in algemene zin bepaalt wat tot een rechts-object behoort.6 De andere artikelen hebben betrekking op de eigendomsvraag die daar mee samenhangt. Een andere reden is dat ik de bespreking in dit hoofdstuk kort houd, omdat ik vooral geïnteresseerd ben in onderwerpen die in de literatuur op minder aandacht hebben kunnen rekenen (zie randnummer 432).