Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/3.2.4.3.1
3.2.4.3.1 Algemeen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931067:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover in algemene zin Zippro 2009; J.S. Kortmann & Sieburgh 2009, p. 281 e.v.; en Ligteringen 2016.
HvJEG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, Jur. 2001, p. I-06297; NJ 2002/43(Courage/Crehan), r.o. 26.
HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461, Jur. 2006, p. I-06619; NJ 2007/34, m.nt. M.R. Mok (Manfredi), r.o. 60; HvJEU 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168, m.nt. M.R. Mok (Otis), r.o. 41; HvJEU 6 juni 2013, C-536/11, ECLI:EU:C:2013:366, NJ 2013/537, m.nt. M.R. Mok (Donau Chemie), r.o. 21 en 23; HvJEU 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317, NJ 2014/424, m.nt. M.R. Mok (Kone), r.o. 21; en HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann; JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk (Skanska), r.o. 25; HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 33.
HvJEU 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263, JOR 2019/176, m.nt. C. Spierings (Cogeco), r.o. 39.
HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461, Jur. 2006, p. I-06619; NJ 2007/34, m.nt. M.R. Mok (Manfredi), r.o. 95.
Zie voor het Nederlandse recht Zippro 2009/7.9; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262, m.nt. S.D. Lindenbergh en J.S. Kortmann (TenneT/ABB), r.o. 4.4.1 e.v.; Stein 2017; J.S. Kortmann & Blaauboer 2019; en Van den Berg 2019/6.3 en 6.4.
Zie Van den Berg 2019/6.3 en 6.4; Weber 2021; en Kroes 2022, p. 68.
HvJEU 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317, NJ 2014/424, m.nt. M.R. Mok (Kone), r.o. 34. De niet-inbreukpleger is daarvoor zelf uiteraard niet aansprakelijk.
57. Aansprakelijkheid van ondernemingen als privaatrechtelijk rechtsgevolg van schending van mededingingsrecht. Naast de publiekrechtelijke handhaving van mededingingsrecht door middel van boetes, maakt het Unierecht gebruik van schadevergoeding, als privaatrechtelijk handhavingsinstrument.1 In het arrest Courage/Crehan oordeelde het Hof van Justitie dat art. 101 VwEU weliswaar slechts spreekt van nietigheid als sanctie op schending van het kartelverbod, maar dat schending ervan ook een recht op schadevergoeding in het leven kan roepen, omdat “[a]an de volle werking van artikel 85 van het Verdrag [thans art. 101 VwEU; DFHS], in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde verbod, zou worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kon vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen”.2 Dit is inmiddels vaste rechtspraak,3 ook ten aanzien van het verbod op misbruik van een economische machtspositie(art. 102 VwEU).4
De aansprakelijkheid geldt voor geleden verlies (damnum emergens) en gederfde winst (lucrum cessans), evenals voor de rente daarover.5 De schade die eisende partijen daarbij doorgaans stellen te hebben geleden, bestaat erin dat er als gevolg van de inbreukmakende gedragingen een hoger prijsniveau gold op de relevante markt, waarbij het verschil tussen de werkelijke prijs en de prijs die zou hebben gegolden in geval van vrije mededinging (de ‘meerprijs’) een schadepost oplevert. Voor zover een benadeelde partij een dergelijke meerprijs zelf weer heeft kunnen doorberekenen, bestaat geen recht op vergoeding ervan (het passing on- of doorberekeningsverweer).6 Wel is denkbaar dat de prijselasticiteit van het product op een ‘stroomafwaartse’ markt (downstream market) ervoor zorgt dat er minder producten worden verkocht (zogeheten ‘volume-effecten’), als gevolg waarvan winst wordt gederfd.7 Daarnaast is van belang dat de schade die inbreukplegers verplicht zijn te vergoeden, ook kan bestaan uit een meerprijs die een afnemer van een product heeft betaald aan een niet-inbreukpleger (zogeheten ‘parapluschade’ of ‘umbrella damages’), omdat ook dergelijke schade het gevolg is van de inbreuk op het mededingingsrecht.8