Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.5.2.1
5.5.2.1 Ængwirden/Pasma
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Leeuwarder Courant 26 september 1929, p. 2.
Leeuwarder Courant 4 mei 1925, p. 2. Of deze arrestatie uiteindelijk heeft geresulteerd in een strafrechtelijke vervolging, kon niet meer worden nagegaan.
Tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden is Pasma in hoger beroep gegaan (Hof Leeuwarden 2 november 1932, opgenomen in Weekblad voor den Nederlandschen Bond van Gemeente-ambtenaren nr. 1660, p. 232 -234). Bij dit hoger beroep is de gemeente niet opgekomen tegen de restrictieve uitleg van het begrip 'bewijsstukken' door de Rechtbank. Dit hoger beroep wordt — om andere redenen — uitgebreid besproken in Van Loenen-II (1934), p. 1079-1080.
Buriks (1936), p. 736.
In maart 1925 kwamen financiële malversaties aan het licht die tussen 1917 en 1925 zouden zijn gepleegd op het ontvangerskantoor van de gemeente lEngwirden. Hoewel het om verschillende vormen van fraude ging, werd het leeuwendeel van het geld verduisterd door bepaalde aan burgers verleende ontheffmgen van gemeentelijke belastingaanslagen dubbel te verantwoorden: éénmaal als een vermindering van de aanslag en éénmaal als een terugbetaling aan de betrokken burgers. De burgers in kwestie werden echter niet dubbel vergoed. Hierdoor daalden de inkomsten van de gemeente op papier twee maal zo snel als zij in werkelijkheid deden. Omdat de controle op de inkomsten niet zo minutieus was als de controle op de uitgaven,1 kon het verschil tussen de verantwoorde (lagere) inkomsten en de daadwerkelijke (hogere) inkomsten langs deze weg onopgemerkt worden verduisterd. Ter staving van de dubbele verantwoording leverde het ontvangerskantoor zelf overzichten van de ontheffingen aan, waarin onder de verleende ontheffmgen eveneens die waren opgenomen die in de gemeentelijke rekening reeds als teruggave waren afgeboekt. Hoewel de verduisteringen zouden zijn gepleegd door de ontvangersklerk (die feitelijk de gehele financiële administratie voerde) en deze klerk onder verdenking van verduistering werd gearresteerd,2 stelde de gemeente haar (inmiddels voormalige) Ontvanger, Pasma, aansprakelijk voor het verduisterde geld. Op zichzelf accepteerde de rechtbank de aansprakelijkheid van Pasma voor de handelingen van zijn klerk. Het probleem dat zich echter voordeed, was of de onjuiste voorstelling van zaken in de hiervoor genoemde overzichten (de "Staten van Ontheffmgen") kon worden beschouwd als valsheid in bewijsstukken in de zin van het toenmalige art. 222 Gemeentewet.3 De rechtbank overwoog:
"dat evenwel die Staten van Ontheffingen door den Ontvanger zelven of althans van zijnentwegen zijn opgemaakt en dus onmogelijk als bewijsstukken van de deugdelijkheid der door hem aangeboden rekening kunnen worden aangemerkt"
Door deze restrictieve interpretatie kon de voorwaardelijkheid van de décharge niet worden ingeroepen. Immers, er was misschien wel sprake van `valschheid', maar niet van `valschheid van bewijsstukken', omdat de overzichten van de Ontvanger zelf nu eenmaal niet als bewijsstukken konden worden aangemerkt.4 Hiermee viel de handelwijze van het ontvangerskantoor niet onder het enige voorbehoud op de décharge, dat tot 1931 bestond. Zodoende had men — in de woorden van Buriks — "op den knoeier geen voldoend verhaal".5 Volgens dezelfde Buriks was dit dan ook de reden om de uitzonderingsclausule bij décharge te verruimen met "andere onregelmatigheden", waaronder de aan Pasma toe te rekenen handelingen van zijn klerk zonder meer zouden kunnen worden geschaard.