Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.9.3
4.9.3 Art. 2:11 BW en aandeelhouders
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS297603:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bulten 2011, p. 72.
OK 19 januari 2006, JOR 2006,127 (Fin(d)it), ro. 1.3 en 3.2.
Leijten 2011 gaat in op een geheel andere, doch niettemin soortgelijke situatie. Leijten merkt in zijn noot bij de uitspraak van de Rechtbank Haarlem d.d. 7 juli 2010, JOR 2011, 73 (Samar/Tie Nederland) namelijk op dat uit die uitspraak afgeleid kan worden dat het tegenstrijdig belang van een tweedegraads bestuurder kan worden toegerekend aan een eerstegraads bestuurder. De rechtbank begrijpt – aldus Leijten – onder het begrip “bestuurders” uit art. 2:256 (oud) BW kennelijk ook tweedegraads bestuurders. Leijten acht dit begrijpelijk, mede gelet op de achterliggende gedachte van art. 2:11 BW en op de omstandigheid dat reeds de wetgever van 1928 toestond dat een rechtspersoon bestuurder is van een andere rechtspersoon.
Rechtbank Groningen 11 juni 2008, JOR 2008,194, r.o. 5.17.
Bartman 2008, par. 8.
Zie Hoofdstuk 5.
Geerts, aantekening 10.
Men kan echter ook een tegenovergestelde redenering volgen: blijkbaar is (analoge) toepassing niet mogelijk aangezien al drie groepen van personen zijn genoemd op wie het artikel wél van toepassing is.
Art. 2:11 BW spreekt uitdrukkelijk over bestuurders. In de doctrine en jurisprudentie komt men echter af en toe de stelling tegen dat art. 2:11 BW (naar analogie) mag worden toegepast ingeval sprake is van een rechtspersoon-aandeelhouder.
Bulten schrijft – in het kader van een uittredingsvordering die voor risico komt van de aandeelhouder indien het gedrag de aandeelhouder kan worden toegerekend – dat het vaak zal gaan om de activiteiten van een natuurlijk persoon achter de rechtspersoon, waarbij de rechtspersoon de aandeelhouder is. De analoge toepassing van art. 2:11 BW is naar haar mening in zo’n situatie gerechtvaardigd omdat de ratio – het opheffen van de onmogelijkheid zich te verschuilen achter een rechtspersoonlijk schild – dezelfde is.1 Zij verwijst naar een zaak waarin de rechtspersoon-aandeelhouder tevens bestuurder was en een natuurlijk persoon de enig bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap was. De onrechtmatige gedragingen werden in die zaak toegerekend aan de aandeelhouder en de andere aandeelhouder (eveneens een rechtspersoon) mocht uittreden.23
In een zaak voorgelegd aan de Rechtbank Groningen is sprake van een natuurlijk persoon die niet alleen bestuurder is van een holding, maar ook – rechtstreeks – van de betreffende werkmaatschappij. De holding is echter geen bestuurder van die werkmaatschappij. De rechtbank overweegt dat de holding en de werkmaatschappij in samenhang moeten worden bezien, aangezien de holding de moedervennootschap is van de werkmaatschappij en de aansprakelijkheid voor de werkmaatschappij gelet op art. 2:11 BW ook op de betreffende natuurlijk persoon rust.4 Ik begrijp deze overweging niet. De holding was namelijk geen bestuurder van de werkmaatschappij, doch “slechts” (enig) aandeelhouder. Bartman oppert nog de mogelijkheid dat de holding is aan te merken als een (mede-)beleidsbepaler van de werkmaatschappij (art. 2:248 lid 7 BW). Die aansprakelijkheid wordt gelet op het arrest Lammers-Aerts via art. 2:11 BW doorgegeven aan de tweedegraads formeel bestuurder (de natuurlijk persoon). Voor het geval dat de bedoeling mocht zijn van de rechtsoverweging, vindt Bartman – terecht – dat die rechtsoverweging wel erg cryptisch is geformuleerd.5
Nog afgezien van het feit dat de normatieve reikwijdte van art. 2:11 BW beperkt dient te worden tot gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid6, is het – gelet op het stringente standpunt van de Hoge Raad omtrent de personele reikwijdte van art. 2:11 BW – niet waarschijnlijk dat hij dit artikel van toepassing acht op aandeelhouders. Mijns inziens gaat het te ver om een bepaling die uitdrukkelijk is geschreven voor bestuurders van toepassing te achten op situaties waarin sprake is van aandeelhouders. Dat ligt mijns inziens slechts anders indien en voor zover een aandeelhouder te kwalificeren is als (mede-) beleidsbepaler in de zin van (bijvoorbeeld) art. 2:248 lid 7 BW. Analoge toepassing van art. 2:11 BW gaat natuurlijk minder ver dan directe toepassing van dat artikel op aandeelhouders met de daaraan verbonden aansprakelijkheid. Niettemin vind ik dat men met een dergelijke toepassing van een specifiek voor bestuurdersaansprakelijkheid geschreven bepaling terughoudend dient te zijn.
Dat gerechtelijke instanties niet snel bereid zijn om hetgeen geldt voor bestuurders van overeenkomstige toepassing te achten op aandeelhouders, ziet men bijvoorbeeld ook in het enquêterecht. In het kader van het verhaal van onderzoekskosten in het enquêterecht (art. 2:354 BW) is de vraag aan de orde geweest of die kosten verhaald kunnen worden op de aandeelhouder. De aandeelhouder wordt – anders dan de bestuurder, de commissaris of “de ander” die in dienst van de rechtspersoon is – namelijk niet met zoveel woorden genoemd in het betreffende wetsartikel. Uit de zaak OK 18 oktober 2004, JOR 2004, 328 volgt dat de Ondernemingskamer de tekst van art. 2:354 BW niet zo ver wil oprekken.7 Overigens was analoge toepassing in dat geval wellicht voor de hand liggender geweest dan analoge toepassing ten aanzien van art. 2:11 BW, aangezien art. 2:354 BW (anders dan art. 2:11 BW) niet speciaal is geschreven voor bestuurders, maar ook voor anderen.8