Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.4.2.3
10.4.2.3 Gebruik van verrekenprijsdocumentatie in het kader van een onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258451:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
L. Bastin, Transfer Pricing and the WTO, Journal of World Trade 48(1), p. 73-80.
Commentary 23.1. Examination of the expression “circumstances surrounding the sale” under Article 1.2 (a) in relation to the use of transfer pricing studies. (Adopted, 31st Session, 29 October 2010, VT0774E1c).
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018).
Case study 14.1. Use of transfer pricing documentation when examining related party transactions under Article 1.2 (a) of the Agreement. (Adopted, 42 Session, 22 April 2016 VT0920E1c).
Case study 14.2. Use of transfer pricing documentation when examining related party transactions under Article 1.2 (a) of the agreement (Adopted, 45th Session, 23-25 October 2017).
W.M. Methenitis & S.C. Wrappe, WCO Endorses Pricing Studies to Support Customs Valuation, Tax Management Transfer Pricing Report 19(15), p. 859.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 67.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 63-68.
L. Pogorelova, Trade and Transfer Pricing, Intertax 40(1), p. 33.
J.L. Cooper & M. Volpato, WCO Approves Transfer Pricing Case Study, ITPJ 23(5), p. 363.
Case study 14.2. Use of transfer pricing documentation when examining related party transactions under Article 1.2 (a) of the agreement (Adopted, 45th Session, 23-25 October 2017).
In de CVA is geen bepaling opgenomen waaruit expliciet volgt dat verrekenprijsdocumentatie aangewend kan worden om aan te tonen dat een prijs die bij een intragroepstransactie tot stand komt, is beïnvloed. Er is tot op heden ook geen zaak aangebracht voor het DSB over de wisselwerking tussen de vaststelling van de douanewaarde en de vaststelling van interne verrekenprijzen. Bastin betoogt dat het niet onmogelijk is dat in de toekomst op dit punt een zaak wordt aangebracht bij het DSB. Hij onderscheidt daarbij twee situaties. In de eerste situatie gaat een onderneming in een hoog belast land (land van uitvoer) een intragroepstransactie aan met een onderneming in een laag belast land (land van invoer). Na invoer worden de goederen aan een derde verkocht tegen een prijs waarbij de winst van de groep in het land van invoer wordt geoptimaliseerd. Indien laatstgenoemd land importeurs toestaat om bij intragroepstransacties de douanewaarde gelijk te stellen aan interne verrekenprijs, zelfs als dit naar de maatstaven van de CVA leidt tot onderwaardering van de goederen, kan het land van export een zaak aanhangig maken bij de CVA. Het argument zou lijken op de stellingname in de door Panama aangebrachte zaak tegen Colombia – Indicative Prices and Restrictions on Ports of Entry (onderdeel 5.3.1.1). In deze zaak klaagde Panama over het gebruik van indicatieve prijzen vastgesteld voor het moment van invoer, die, aldus Colombia, werden gebruikt als referentieprijzen om mogelijke onderwaardering te voorkomen. Het DSB stelde in die zaak dat daarmee werd afgeweken van de waarderingsmethoden onder de CVA en Panama werd derhalve in het gelijk gesteld. Als deze conclusie wordt doorgetrokken zou het land van invoer in de eerst geschetste situatie ook op de vingers worden getikt door het DSB, omdat van de waarderingsmethoden in de CVA wordt afgeweken. In een tweede situatie gaat een onderneming in een laag belast land (land van uitvoer) een intragroepstransactie aan met een onderneming in een hoog belast land (land van invoer). Daaropvolgend worden de goederen verkocht tegen een prijs aan een derde waarbij de winst van de groep in het land van invoer wordt geminimaliseerd. Indien het land van uitvoer toestaat dat een te lage (verreken)prijs wordt gehanteerd, kan dit de voordelen, die het land van invoer verwacht te ontvangen onder het WHO-wetgevingspakket, schaden, wat leidt tot schending van artikel XXIII, lid 1, onderdeel b, GATT. De geschonden voordelen bestaan in dat geval uit de vrijheid van een WHO-lid om de douanewaarde vast te stellen op de werkelijke waarde op de basis van het waarderingsmechanisme zoals voorgeschreven in de CVA zonder tussenkomst of ondermijning van dat proces door verschaffing van prijzen die op basis van een niet-erkende waarderingsmethode zijn vastgesteld. Met Bastin ben ik van mening dat een zaak gelijk aan de eerste situatie kansrijker is dan de tweede vanwege de stringente criteria die gelden voor de toepassing van artikel XXIII, lid 1, onderdeel b, GATT.1
Hoewel het CVA geen uitsluitsel biedt, volgt uit juridisch niet-bindende instrumenten van de WDO dat naar de feiten en omstandigheden van het geval moet worden bepaald of verrekenprijsdocumentatie kan worden gebruikt om aan te tonen dat de verbondenheid van partijen geen invloed heeft gehad op de prijs. Zo blijkt uit Commentary 23.12, het rapport Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing3 en Case Study 14.14 dat verrekenprijsanalyses, ook wanneer zij gebaseerd zijn op een transactionele winstmethode, waardevol kunnen zijn voor het bepalen of sprake is van prijsbeïnvloeding. Case Study 14.25 schetst voorts een situatie waarbij de initiële interne verrekenprijs achteraf niet zakelijk bleek. Er vond desondanks geen verrekenprijsaanpassing plaats, met als gevolg dat de gehanteerde transactiewaarde, die gebaseerd was op de initiële interne verrekenprijs, werd aangemerkt als zijnde beïnvloed door de verbondenheid van partijen. Ik ga hierna op elk van de instrumenten nader in.
Met het aannemen van Commentary 23.1 op 29 oktober 2010 heeft de Technische commissie douanewaarde voor het eerst een instrument uitgevaardigd waaruit volgt dat verrekenprijsdocumentatie een rol kan spelen bij de vaststelling van de douanewaarde voor intragroepstransacties. Het vormt daarmee een grote stap in de richting van verdere afstemming tussen de vaststelling van de douanewaarde en de vaststelling van interne verrekenprijzen.6 Zoals in onderdeel 7.5.5.3 reeds naar voren is gebracht, worden drie voorbeelden in punt 3 van de Aantekening bij artikel 1, lid 3, CVA genoemd van situaties waarbij de verbondenheid geen invloed zou hebben gehad op de prijs. Het gaat daarbij om de volgende situaties:
De prijs is volgens de normale prijsstellingsmethoden van de betrokken bedrijfstak tot stand gekomen;
De prijs is volgens de methode die de verkoper voor het vaststellen van zijn prijzen ten aanzien van niet met hun verbonden verkopers hanteert tot stand gekomen; of
De prijs is kostendekkend en omvat een winstmarge die representatief is voor de globale winstmarge van de betrokken onderneming over een representatieve periode (bijvoorbeeld op jaarbasis) bij de verkoop van goederen van dezelfde categorie of soort.
Dit betreft een niet-uitputtende lijst met voorbeelden.7 Toch hebben diverse douanejurisdicties deze voorbeelden aangegrepen om het aangevers te verbieden om verrekenprijsdocumentatie te overleggen om aan te tonen dat de verbondenheid geen invloed heeft gehad op de prijs, omdat dit niet als voorbeeld in de Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA is opgenomen. Met Commentary 23.1 geeft de Technische commissie douanewaarde van de WDO echter aan dat verrekenprijsdocumentatie wel degelijk een nuttige bron kan zijn voor het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop zoals ook in onderdeel 10.3.10 naar voren is gekomen. Wel zal, gelet op de verschillende waarderingsmethoden die voor douanewaarde- en verrekenprijsdoeleinden worden toegepast, verrekenprijsdocumentatie niet in alle gevallen relevante en adequate informatie bevatten voor het onderzoek naar de omstandigheden naar de verkoop. Derhalve moet per geval afzonderlijk worden bepaald of verrekenprijsdocumentatie kan worden gebruikt aldus de Technische commissie douanewaarde. In het rapport Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing, zoals initieel gepubliceerd op 24 juni 2015, wordt in navolging van Commentary 23.1 aangegeven dat verrekenprijsdocumentatie nuttige informatie kan bevatten voor het uitvoeren van het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop.8
Met het uitvaardigen van Case Study 14.1, zoals aangenomen op 22 april 2016, heeft de Technische commissie douanewaarde wederom een belangrijke stap gezet in een nadere coördinatie tussen de vaststelling van de douanewaarde en de vaststelling van interne verrekenprijzen bij intragroepstransacties. Het bijzondere van deze Case Study is dat de interne verrekenprijzen op basis van de transactionele winstmethode tot stand zijn gekomen. De feiten en omstandigheden zijn als volgt:
In Case Study 14.1 verkoopt XCO, een in land X gevestigde fabrikant, goederen aan zijn dochteronderneming ICO, gevestigd in land I. De gehanteerde interne verrekenprijzen zijn tot stand gekomen op basis van de TNMM, waarbij een vergelijkingsanalyse is gemaakt met acht distributeurs die bezien hun functies, activa en risico’s vergelijkbaar zijn met ICO. De afspraken zijn afgestemd met de belastingdiensten in de landen X en I in een bilaterale APA. Aangezien ICO niet over testwaarden beschikt, overlegt zij verrekenprijsdocumentatie om aan te tonen dat de verbondenheid tussen XCO en ICO de gehanteerde prijs voor het bepalen van de douanewaarde niet heeft beïnvloed. De Technische commissie douanewaarde van de WDO concludeert dat uit de gegevens van de verrekenprijsdocumentatie volgt dat er geen prijsbeïnvloeding heeft plaatsgevonden.
Hoewel Case Study 14.1 een nuttig instrument betreft, zeker nu in de praktijk in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van winstgedreven verrekenprijsmethodes bij het vormgeven van het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop,9 zijn de feiten en omstandigheden waarop de Case Study berust zeer specifiek. Het feitencomplex lijkt gesimplificeerd te zijn om enige controverse over de aanwijzingen die uit dit instrument kunnen worden herleid te voorkomen. In dat kader kan op de volgende punten worden gewezen:10
In het betreffende jaar waarop de Case Study betrekking heeft, hebben geen verrekenprijsaanpassingen plaatsgevonden. Wanneer er wel verrekenprijsaanpassingen hadden plaatsgevonden, zou de verrekenprijsdocumentatie naar mijn mening nog steeds gebruikt kunnen worden. Immers, de daarin opgenomen vergelijkingsanalyse had hetzelfde geweest.
De acht onafhankelijke distributeurs zijn in hetzelfde land als XCO gevestigd. Bij het identificeren van identieke en soortgelijke goederen, geldt als voorwaarde dat zij hetzelfde land van oorsprong moeten hebben als de ingevoerde goederen (onderdeel 10.3.6.2). Als dit wordt beschouwd als algemeen principe dat ten grondslag ligt aan de CVA, roept dat de vraag op wat de draagwijdte van deze Case Study is en of deze ook toepassing vindt als de distribiteurs in andere landen dan XCO waren gevestigd. In mijn optiek zou dit het geval moeten zijn als een grondige economische analyse heeft plaatsgevonden en, waar zich verschillen manifesteren, er voorzien wordt in de benodigde prijsaanpassingen.
In Case Study 14.1 hadden de betrokken partijen een bilaterale APA gesloten. Ik meen dat de uitkomst van deze Case Study ook zonder een (bilaterale) APA hetzelfde moet zijn, mits was voorzien in een grondige verrekenprijsanalyse.
De aan- en verkopen zijn allemaal intragroepstransacties. In de praktijk kunnen dit ook aan- en verkopen zijn van/aan onafhankelijke derden. Ook in dat geval zou naar mijn mening een verrekenprijsdocument gebaseerd op een transactionele winstmethode toegepast moeten kunnen worden, al zal in dat geval rekening gehouden moeten worden met bijvoorbeeld aantoonbare verschillen in handelsniveaus, hoeveelheidsniveaus en de geografische afzetmarkt.
Tijdens de vergadering van 23-25 oktober 2017 heeft de Technische commissie douanewaarde van de WDO Case Study 14.2 aangenomen.11 Case Study 14.2 handelt over de vraag of verrekenprijsdocumentatie kan worden gebruikt om aan te tonen dat de verbondenheid van partijen geen invloed heeft gehad op de prijs, indien aan het einde van het jaar de gehanteerde interne verrekenprijs niet zakelijk blijken te zijn en er opvolgend geen retroactieve verrekenprijsaanpassing plaatsvindt. De feiten in Case Study 14.2 zijn als volgt:
In Case Study 14.2 heeft XCO, een in land X gevestigde fabrikant, luxe handtassen verkocht aan zijn dochteronderneming ICO, gevestigd in land I. De interne verrekenprijzen zijn vastgesteld aan de hand van de resale-pricemethode. Uit de vergelijkingsanalyse, waarbij acht aan ICO gelijke distribiteurs zijn betrokken, volgt dat de zakelijke brutowinstmargerange is gelegen tussen de 35% en 46%. ICO behaalde een daadwerkelijke brutowinstmarge van 64%. Evenwel voerde ICO geen verrekenprijsaanpassing door en werd voor het vaststellen van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen uitgegaan van een prijs gelegen binnen de brutowinstmargerange. De Technische commissie douanewaarde van de WDO concludeert dat derhalve de prijs niet overeenkomt met een prijsstelling die gangbaar is bij de industrie in kwestie. Derhalve is sprake van prijsbeïnvloeding waardoor de transactiewaarde moet worden verworpen. De douanewaarde moet als gevolg daarvan op basis van een alternatieve waarderingsmethode worden vastgesteld.
De Technische commissie douanewaarde van de WDO laat niet los of de uitkomst anders was geweest indien er wel een verrekenprijsaanpassing was doorgevoerd. In mijn optiek zou de uitkomst in dat geval anders zijn geweest, mits de verrekenprijsaanpassing ook in aanmerking was genomen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde.