Ik merk op dat Hof Amsterdam in zijn uitspraak belanghebbende aanduidt als [X] (zonder ‘z’ als slotletter), evenals de staatssecretaris van Financiën in zijn cassatieberoepschrift. In de (meeste) andere gedingstukken wordt belanghebbendes naam ‘[X]’ (met ‘z’ op het eind) gespeld. Uit het tot de stukken behorende uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, leid ik af dat belanghebbendes naam op een ‘z’ eindigt.
HR, 29-05-2015, nr. 14/00416
ECLI:NL:HR:2015:1356
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-05-2015
- Zaaknummer
14/00416
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1356, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑05‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:4801, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1956, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1956, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑10‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1356, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑10‑2014
- Vindplaatsen
BNB 2015/162 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
NTFR 2016/109
NTFR 2015/1648 met annotatie van Mr. C.C. van den Berg
FutD 2015-1309
Viditax (FutD) 2015052901
NTFR 2014/2767 met annotatie van Mr. C.C. van den Berg
FutD 2014-2660
Viditax (FutD) 2014111418
Uitspraak 29‑05‑2015
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting, art. 6, lid 1, en art. 6, lid 2, letter d, 3°, en letter e, 1°, Wet OB; art. 9, lid 1, en art. 9, lid 2, letter e, en lid 3, letter b, Zesde richtlijn, alsmede art. 43, art. 56, lid 1, en art. 58, letter b, BTW-richtlijn 2006 (tekst tot 2010). Bepalen van de plaats van dienst voor juridische adviesdiensten die zijn verricht door buiten de Europese Unie gevestigde ondernemers jegens een in Nederland gevestigde niet-ondernemer.
Partij(en)
29 mei 2015
nr. 14/00416
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 december 2013, nr. 13/00140, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2013 (nr. AWB 12/1715) betreffende de over de periode 9 juni 2006 tot en met 31 december 2007 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 27 oktober 2014 geconcludeerd tot ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, gevestigd in Nederland, is een zogeheten houdstervennootschap. Zij is geen ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2006 en 2007; hierna: de Wet).
2.1.2.
In 2006 heeft belanghebbende 33 percent van de aandelen in [I] Inc., gevestigd te Canada, verworven. Buiten de Europese Unie gevestigde ondernemers hebben belanghebbende met betrekking tot deze verwerving bedragen in rekening gebracht voor juridische advisering (hierna: de adviesdiensten).
2.1.3.
Belanghebbende heeft ter zake van de adviesdiensten geen omzetbelasting op aangifte voldaan, ervan uitgaande dat de adviesdiensten op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet niet in Nederland belastbaar zijn.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel 6, lid 2, aanhef en letter e, aanhef en 1°, van de Wet meebrengt dat de adviesdiensten wel in Nederland belastbaar zijn en derhalve omzetbelasting is verschuldigd. De Inspecteur heeft op die grond de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft – anders dan de Rechtbank - geoordeeld dat de wetgever met de invoering van artikel 6, lid 2, aanhef en letter e, van de Wet de in artikel 9, lid 3, letter b, van de Zesde richtlijn en artikel 58 van BTW-richtlijn 2006 (tekst tot 2010) gegeven bevoegdheid niet heeft overschreden. Naar het oordeel van het Hof is deze wettelijke bepaling niet in strijd met de hiervoor vermelde richtlijnbepalingen voor zover deze inhoudt dat in Nederland belastbaar zijn bepaalde diensten, zoals de adviesdiensten die door een buiten de Europese Unie gevestigde ondernemer worden verricht aan een niet-ondernemer in Nederland. Daaraan doet naar het oordeel van het Hof niet af hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen in de punten 32 en 33 van het arrest van 19 februari 2009, Athesia Druck Srl, C-1/08, ECLI:EU:C:2009:108, V-N 2009/11.19 (hierna: het arrest Athesia).
De middelen verzetten zich met rechtsklachten en een motiveringsklacht tegen deze oordelen van het Hof.
2.3.1.
Diensten zijn in Nederland belastbaar met omzetbelasting, indien deze binnen Nederland worden verricht. Regels over de plaatsbepaling van diensten zijn onder meer neergelegd in artikel 6 van de Wet. Met dit artikel is door de wetgever uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 9 van de Zesde richtlijn en – sedert 1 januari 2007 – de artikelen 43 tot en met 59 van BTW-richtlijn 2006.
2.3.2.
Artikel 6, lid 1, van de Wet geeft uitvoering aan artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn en artikel 43 van BTW-richtlijn 2006. Volgens deze bepalingen is de plaats van de dienst de plaats waar de ondernemer die de dienst verricht, woont of is gevestigd dan wel een vaste inrichting heeft van waaruit hij de dienst verricht (deze regel hierna: de hoofdregel). Diensten die een buiten Nederland wonende of gevestigde ondernemer verricht jegens een binnen Nederland wonende of gevestigde afnemer, zijn mitsdien op grond van de hoofdregel niet in Nederland belastbaar.
2.3.3.
Artikel 6, lid 2, van de Wet bevat uitzonderingen op de hoofdregel. In cassatie is van belang de in artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet opgenomen uitzondering. Deze betreft diverse nader omschreven diensten die worden verleend aan ondernemers (ongeacht de woon- of vestigingsplaats), of aan anderen dan ondernemers (hierna: niet-ondernemers) ingeval deze buiten de Europese Unie wonen of zijn gevestigd. Met betrekking tot deze categorieën afnemers is de plaats van de desbetreffende diensten de plaats waar de afnemer (degene aan wie de dienst wordt verleend) woont of is gevestigd.
De hiervoor bedoelde uitzondering op de hoofdregel is niet van toepassing voor die diensten die worden verricht aan niet-ondernemers die in Nederland wonen of in Nederland zijn gevestigd. In Nederland zijn op grond hiervan niet belastbaar diensten die een buiten Nederland wonende of gevestigde ondernemer verricht aan een binnen Nederland wonende of gevestigde niet-ondernemer (vgl. onderdeel 5.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
2.3.4.
Tot de in artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet bedoelde diensten behoren:
“3°. de diensten, verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants, en soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en –verschaffing;”
Dit komt overeen met artikel 9, lid 2, letter e, derde gedachtestreepje, van de Zesde richtlijn en artikel 56, lid 1, letter c, van BTW-richtlijn 2006. De adviesdiensten betreffen diensten die in artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet zijn bedoeld. Overeenkomstig hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen vallen deze diensten niet onder de daar bedoelde uitzondering op de hoofdregel (vgl. onderdeel 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
2.3.5.
Evenals het hiervoor in 2.3.3 vermelde artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet bevat artikel 6, lid 2, letter e, van de Wet uitzonderingen op de hoofdregel. Laatstvermelde bepaling, onder 1°, ziet op diensten “bedoeld in onderdeel d, 1° tot en met 7°” van artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet. Zoals hiervoor in 2.3.3 overwogen, is voor deze diensten in principe de hoofdregel van toepassing indien een buiten Nederland wonende of gevestigde ondernemer deze verricht aan een binnen Nederland wonende of gevestigde niet-ondernemer.
Artikel 6, lid 2, aanhef en letter e, 1°, van de Wet houdt in dat voor de daarin bedoelde diensten de hoofdregel niet geldt indien de afnemer (een niet-ondernemer) een in Nederland gevestigd lichaam is in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie van de dienst in Nederland plaatsvinden. De dienst wordt dan geacht in Nederland plaats te vinden.
2.3.6.
Artikel 6, lid 2, aanhef en letter e, 1°, van de Wet is gegrond op artikel 9, lid 3, aanhef en letter b, van de Zesde richtlijn en artikel 58, aanhef en letter b, van BTW-richtlijn 2006. Op grond van deze unierechtelijke artikelen “kunnen de lidstaten voor de diensten als bedoeld in lid 2, onder e [in BTW-richtlijn 2006: voor de in artikel 56, lid 1, bedoelde diensten](…) de plaats van de diensten, die, krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland geschieden.”
Met “diensten die, krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap zijn gelegen” wordt volgens de tekst niet uitsluitend gedoeld op de diensten waarvoor artikel 9, lid 2, aanhef en letter e, van de Zesde richtlijn respectievelijk artikel 56, lid 1, van BTW-richtlijn 2006 de hoofdregel buiten werking stelt (vgl. onderdeel 6.13 van de conclusie van de Advocaat-Generaal), maar op diensten die krachtens het gehele artikel 9 van de Zesde richtlijn respectievelijk de artikelen 43 tot en met 57 van BTW-richtlijn 2006 buiten de Gemeenschap plaatsvinden, dus ook die welke ingevolge artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn of artikel 43 van BTW-richtlijn 2006 buiten de Gemeenschap plaatsvinden.
In dit verband betogen de middelen echter dat hetgeen het Hof van Justitie in de punten 32 en 33 van het arrest Athesia heeft overwogen tot een andere conclusie moet leiden.
In punt 33 is overwogen:
“Een dienstverrichting die, volgens de in artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn gestelde criteria, buiten de Gemeenschap ligt (maatschappelijke zetel in een derde land en geen vaste inrichting in een lidstaat) en die niet worden bedoeld in lid 2, sub e, van ditzelfde artikel, kan niet onder de afwijking bedoeld in artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn vallen.”
In het bijzonder middel 3 houdt in dat de adviesdiensten dienstverrichtingen zijn “bedoeld in lid 2, sub e”, en dat het Hof van Justitie met vorenvermelde overweging heeft beslist dat daarop artikel 9, lid 3, letter b, van de Zesde richtlijn en artikel 58, letter b, van BTW-richtlijn 2006 niet van toepassing zijn, zodat de adviesdiensten op grond van de richtlijnen niet in Nederland plaatsvinden. De andersluidende bepaling van de Wet (artikel 6, lid 2, letter e, aanhef en 1°) is hiermee in strijd en moet daarom buiten toepassing blijven, aldus middel 3.
Het arrest Athesia doelt in punt 33 op diensten die worden verricht door een buiten de Gemeenschap gevestigde ondernemer aan een eveneens buiten de Gemeenschap gevestigde afnemer. Op dergelijke diensten zien, zoals middel 3 terecht naar voren brengt, de richtlijnen van de Europese Unie inzake de btw niet.
Dit is echter anders met betrekking tot diensten als diensten op het gebied van de reclame en adviesdiensten die worden verricht door een buiten de Europese Unie wonende of gevestigde ondernemer aan een niet-ondernemer die binnen de Europese Unie woont of is gevestigd. Deze diensten worden - buiten redelijke twijfel - wel bedoeld in artikel 9, lid 2, letter e, derde gedachtestreepje, van de Zesde richtlijn en in artikel 56, lid 1, letter c, van BTW-richtlijn 2006.
Op grond van het vorenstaande faalt middel 3, dat inhoudt dat het Hof de Zesde richtlijn en BTW-richtlijn 2006 onjuist heeft uitgelegd.
2.3.7.
De middelen 1 en 4 verdedigen dat, wat er zij van de betekenis van de Zesde richtlijn en BTW-richtlijn 2006, artikel 6, lid 2, letter e, 1°, van de Wet niet ziet op diensten als de adviesdiensten, aangezien deze zijn uitgezonderd van artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet (omdat deze worden verleend aan een niet-ondernemer die niet buiten de Europese Unie woont of is gevestigd).
De middelen falen. Mede gelet op de bedoeling van de wetgever (zie het in onderdeel 7.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal aangehaalde gedeelte van de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1989/90, 21 463, nr. 3, blz. 2) zijn - zo de afnemer in Nederland is gevestigd - onder de in artikel 6, lid 2, letter e, 1°, van de Wet vermelde “diensten, bedoeld in onderdeel d, 1° tot en met 7°” mede te begrijpen de onder 1° tot en met 7° opgesomde diensten waarvoor in beginsel (uitgaande van artikel 6, lid 2, letter d, 1° tot en met 7°, van de Wet) de hoofdregel geldt. Anders dan in het bijzonder middel 1 verdedigt, is dit gelet op wat hiervoor in 2.3.6 is overwogen in overeenstemming met de Zesde richtlijn en BTW-richtlijn 2006. Op grond hiervan falen de middelen 1 en 4.
Hiermee faalt ook middel 2, dat inhoudt dat het Hof over het vorenstaande geen oordeel heeft gegeven zonder dit (voldoende) te motiveren. Het gaat hier om een zuiver rechtsoordeel. Een zodanig oordeel kan in cassatie niet met vrucht met een motiveringsklacht worden bestreden.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2015.
De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door mr. E.N. Punt.
Conclusie 27‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Belanghebbende, een houdstervennootschap van wie vaststaat dat zij geen ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), heeft in verband met de aankoop van een Canadese deelneming juridische adviesdiensten afgenomen van buiten de Europese Unie (hierna: EU) gevestigde advocatenkantoren. Deze procedure draait om de vraag of Nederland met het (tot 1 januari 2010 geldende) artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet verder is gegaan dan de Zesde richtlijn en - vanaf 1 januari 2007 - de btw-richtlijn de lidstaten toestaat, door adviesdiensten die van buiten de EU worden verricht aan een niet-ondernemer in Nederland, in Nederland in de heffing van omzetbelasting te betrekken. Rechtbank Noord-Holland (hierna: de Rechtbank) heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, sub 1, van de Wet wegens strijdigheid met artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn buiten toepassing moet blijven. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) oordeelde in tegengestelde zin. Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever met de invoering van artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet, zijn in artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn c.q. artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn (oud) gegeven bevoegdheid niet overschreden. A-G Van Hilten bespreekt in deze conclusie eerst de voor deze zaak relevante afwijking op de hoofregel dat diensten belastbaar zijn in het land waar de dienstverrichter is gevestigd (artikel 6, lid 1, van de Wet). In afwijking hiervan bepaalt artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet dat adviesdiensten welke worden verleend aan ondernemers of aan niet-ondernemers buiten de EU, verricht worden op de plaats waar de dienstontvanger woont of is gevestigd. Nu belanghebbende een niet-ondernemer binnen de EU is (Nederland), constateert de A-G dat voor de plaatsbepaling van de onderhavige adviesdiensten de hoofdregel van artikel 6, lid 1, van de Wet van toepassing is. Dat zou betekenen dat de aan belanghebbende verrichte adviesdiensten niet in de EU plaatsvinden (en dus ook niet in de EU belastbaar zijn). Op grond van artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn kunnen de lidstaten echter, teneinde dubbele heffing of niet-heffing van belasting alsmede concurrentievervalsing te voorkomen, voor de diensten als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn (vgl. artikel 6, lid 2, onderdeel d, van de Wet) “de plaats van de diensten, die, krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland geschieden”. De A-G meent dat het grammaticaal en teleologisch voor de hand ligt dat met de zinsnede ‘krachtens dit artikel’, artikel 9 (als geheel) moet zijn bedoeld, en niet lid 2 van artikel 9 van de Zesde richtlijn. Andere taalversies van de bepaling brengen de A-G niet op andere gedachten. De A-G merkt vervolgens op dat per 1 juli 2003 aan de aanhef van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn een tussenzinnetje is toegevoegd, die bepaalde ‘9-2-e-diensten’ uitsluit van het toepassingsbereik van de bepaling. Zij meent dat deze toevoeging niet anders kan betekenen dan dat voor andere diensten dan die welke per 1 juli 2003 van de werkingssfeer van de richtlijnbepaling zijn uitgesloten, artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn wél toepassing kan vinden, indien die diensten voor niet-belastingplichtigen worden verricht (en dus op grond van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn in het land van de dienstverrichter belastbaar zijn, indien de desbetreffende lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 9, lid 3, onderdeel b, van de Zesde richtlijn). Hetgeen de A-G heeft betoogd inzake de reikwijdte van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn, geldt haars inziens eveneens voor artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn (oud). Hiermee lijkt de kous van de reikwijdte van de kan-bepaling van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn af, en de conclusie dringt zich volgens de A-G op dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om ook adviesdiensten naar het binnenland kunnen verleggen die buiten artikel 9, lid 2, onderdeel e, van de Zesde richtlijn vallen, omdat zij aan een EU niet-ondernemer worden verricht (en hun plaats bepaald wordt met toepassing van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn). Het HvJ zaait echter twijfel door in het arrest van 19 februari 2009, Athesia Druck, C-1/08 (hierna: het arrest Athesia), te overwegen dat “Een dienstverrichting die, volgens de in artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn gestelde criteria, buiten de Gemeenschap ligt (…) en die niet worden bedoeld in lid 2, sub e, van ditzelfde artikel, (…) niet onder de afwijking bedoeld in artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn [kan] vallen.”. Gezien de richtlijngeschiedenis en het doel en strekking van het bepaalde in artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn acht de A-G op zijn minst niet zuiver geformuleerd. Al met al brengt het arrest Athesia de A-G niet op andere gedachten. Zij komt tot de conclusie dat artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn het de lidstaten toestaat om adviesdiensten die op grond van het bepaalde in (één van de leden/lidonderdelen van) artikel 9 buiten de EU plaatsvinden, en die in het binnenland werkelijk worden gebruikt en geëxploiteerd op grond van die bepaling naar het binnenland te verplaatsen, mits de afnemer of de dienstverrichter in het binnenland is gevestigd. Het voorleggen van prejudiciële vragen aan het HvJ zijn haars inziens niet nodig. Met betrekking tot de Nederlandse omzetting van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn meent de A-G dat de wetgever beoogd heeft aan het bepaalde in artikel 6, lid 2, onderdeel e, sub 1, van de Wet dezelfde reikwijdte te geven als aan artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn. De A-G komt tot de slotsom dat Nederland geen ruimere interpretatie aan de kan-bepaling heeft gegeven dan de Zesde richtlijn toestaat. Alle middelen falen. A-G Van Hilten adviseert het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. M.E. van Hilten
Advocaat-Generaal
Conclusie van 27 oktober 2014 inzake:
HR nr. 14/00416 | [X] B.V.1. |
Hof nr. 13/00140 Rb nr. AWB 12/1715 | |
Derde Kamer A | tegen |
Omzetbelasting 9 juni 2006 - 31 december 2007 | Staatssecretaris van Financiën |
1. Inleiding
1.1
Deze procedure draait om de vraag of Nederland met het (tot 1 januari 2010 geldende) artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) verder is gegaan dan de Zesde richtlijn en – vanaf 1 januari 2007 – de btw-richtlijn de lidstaten toestaat,2.door adviesdiensten die van buiten de Europese Unie (hierna ook: EU) worden verricht aan een niet-ondernemer in Nederland, in Nederland in de heffing van omzetbelasting te betrekken.
1.2
Belanghebbende, een houdstervennootschap van wie vaststaat dat zij geen ondernemer is in de zin van de omzetbelasting, heeft in verband met de aankoop van een Canadese deelneming juridische adviesdiensten afgenomen van buiten de EU gevestigde advocatenkantoren. Zij betoogt dat deze diensten niet in Nederland in de heffing kunnen worden betrokken omdat de Zesde richtlijn (en vanaf 1 januari 2007 de btw-richtlijn) het de lidstaten niet toestaat om dergelijke diensten die worden verricht aan een binnenlandse niet-ondernemer, in Nederland te situeren.
1.3
Rechtbank Noord-Holland (hierna: de Rechtbank) heeft onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie (verder: HvJ) belanghebbende in het gelijk gesteld. In hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam (hierna: het Hof) in tegengestelde zin. Het laatste woord is nu aan de Hoge Raad.
1.4
Opgemerkt zij dat deze procedure een hoog gehalte aan oudvaderlands, en oud-Europees recht heeft. De regeling inzake de plaatsbepaling van diensten is bij Richtlijn 2008/8/EG3.met ingang van 1 januari 20104.ingrijpend gewijzigd, en hoewel ook thans nog vergelijkbare bepalingen als die van artikel 6, lid 2, onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet en artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde -, respectievelijk artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn bestaan, lijkt de problematiek van de onderhavige zaak sindsdien te zijn opgelost, nu de huidige richtlijnbepaling5.wat duidelijker is geformuleerd.
2. De feiten
2.1
Belanghebbende, opgericht op 9 juni 2006, en gevestigd in Nederland, is een houdstervennootschap. Zij verricht geen economische activiteiten en is geen ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet.
2.2
Als zogenoemde tussenhoudster maakt belanghebbende deel uit van het internationale [A]-concern. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door Coöperatieve [B] UA. Via de in Kazachstan gevestigde houdstervennootschap [C], worden de aandelen in belanghebbende uiteindelijk gehouden door de overheid van Kazachstan.
2.3
Het bestuur van belanghebbende wordt gevormd door [D] BV, gevestigd te [Q], [E] BV, eveneens gevestigd te [Q], [F] (tot 2 november 2007), woonachtig te Kazachstan, [H] (vanaf 2 november 2007)6.en [G], woonachtig te Abu Dhabi.7.De bestuurders zijn gezamenlijk bevoegd. De directievergaderingen worden in Nederland gehouden.
2.4
In 2006 heeft belanghebbende 33% van de aandelen verworven in [I], Inc., gevestigd te Canada (hierna: de deelneming). De aankoop van de deelneming is gefinancierd met externe leningen.
2.5
Ter zake van de aankoop en de financiering van de deelneming heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de diensten van diverse adviseurs, gevestigd in binnen- en buitenland. De volgende buiten de Europese Unie gevestigde ondernemers hebben belanghebbende een bedrag van in totaal € 1.072.552 in rekening gebracht voor juridische advisering aangaande het Canadese en Amerikaanse recht.8.
i) [J], een advocatenkantoor in Canada, heeft op 30 juni 2006 een factuur aan belanghebbende gezonden voor juridische adviesdiensten met betrekking tot de aankoop van de deelneming;
ii) [K], een advocatenkantoor dat in de Verenigde Staten (hierna: de VS) is gevestigd, en is gespecialiseerd in bedrijfsjuridische aangelegenheden, heeft in de onderhavige periode een twaalftal facturen aan belanghebbende uitgereikt. [K] heeft onder andere contracten, brieven en e-mails met betrekking tot de aankoop van de deelneming juridisch beoordeeld. Daarnaast heeft [K] juridische adviezen gegeven over de transactie.
iii) [L], een advocatenkantoor gevestigd te Canada, heeft in de onderhavige periode acht facturen aan belanghebbende uitgereikt voor juridische adviesdiensten met betrekking tot de aankoop van de deelneming.
2.6
In 2009 is ten behoeve van de heffing van omzetbelasting bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. De controlerend ambtenaar heeft zich, blijkens het van dit onderzoek opgemaakte rapport (hierna: het controlerapport), op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van (onder meer) de in punt 2.5 bedoelde dienstverlening in Nederland omzetbelasting is verschuldigd, welke omzetbelasting zij, gezien het ontbreken van ondernemerschap, niet in aftrek kan brengen.
2.7
Conform de bevindingen bij het boekenonderzoek heeft de Inspecteur9.over het tijdvak 9 juni 2006 tot en met 31 december 2007 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 529.588.
2.8
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 203.785.
3. Het geding in feitelijke instanties
3.1
De Rechtbank
3.1.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Voor de Rechtbank was primair in geschil of het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef, en onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet in strijd is met (artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van) de Zesde richtlijn.10.Subsidiair was in geschil of het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie van de aan belanghebbende verleende diensten in Nederland heeft plaatsgevonden.
3.1.2
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, sub 1, van de Wet wegens strijdigheid met de hiervoor genoemde richtlijnbepaling(en) buiten toepassing moet blijven. Aan behandeling van de subsidiaire stelling van belanghebbende kwam zij derhalve niet toe. De Rechtbank overwoog:
“5.3.1 Uit de tekst van artikel 9, tweede lid, sub e, van de Zesde richtlijn volgt dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de plaats van de na de aanhef genoemde categorieën diensten die worden verleend aan ontvangers die buiten de Europese Unie zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Europese Unie doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd. Eiseres valt niet binnen een van de twee categorieën ontvangers die in de aanhef zijn genoemd. Uit de punten 32 en 33 van het arrest Athesia Druck11.leidt de rechtbank af dat diensten die naar hun aard wel onder artikel 9, tweede lid, sub e, van de Zesde richtlijn vallen maar die niet aan de overige in deze bepaling genoemde criteria voldoen van artikel 9, derde lid, sub b, van de Zesde richtlijn zijn uitgesloten. Dit is het geval wanneer de dienstverrichter buiten de Europese Unie is gevestigd en de ontvanger een binnen de Europese Unie gevestigde niet-ondernemer is.
5.3.2.
Ook wat betreft doel en strekking is de door eiseres voorgestane uitleg van artikel 9, derde lid, sub b, van de Zesde richtlijn meer in overeenstemming met de Zesde richtlijn. Bij de uitlegging van artikel 9, tweede lid, sub e, van de Zesde richtlijn heeft het Hof van Justitie herhaaldelijk gewezen op de preambule bij de Zesde richtlijn, waaruit is af te leiden dat voornoemde bepaling ziet op diensten die kostprijsverhogend zijn (…). Van een kostprijsverhogend effect in de in de preambule bedoeld zin kan bij de onderhavige diensten niet worden gesproken. Weliswaar verhogen de diensten de kostprijs van de deelneming, maar nu het enkele houden van aandelen geen economische activiteit is, is geen sprake van een voor de heffing van omzetbelasting relevant effect.”
3.1.3
Bij uitspraak van 6 februari 2013, nr. AWB 12/1715, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4158, NTFR 2013/769 m.nt. Van der Laan, heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en heeft zij de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigd.
3.2
Het Hof
3.2.1
De Inspecteur heeft van de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In hoger beroep is tussen partijen uitsluitend nog12.in geschil of artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet in strijd is met artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn en (vanaf 1 januari 2007) artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn wat betreft de toepassing van deze wettelijke bepaling op gevallen als het onderhavige, waarin een buiten de Europese Unie gevestigde ondernemer een adviesdienst verricht aan een in Nederland gevestigde niet-ondernemer.
3.2.2
Het Hof oordeelde dat de wetgever met de invoering van artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel e, aanhef en sub 1, van de Wet, zijn in artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn c.q. artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn gegeven bevoegdheid niet heeft overschreden. Het Hof overwoog daartoe (cursivering Hof):
“6.3. Gezien de woordkeuze van de richtlijnwetgever, acht het Hof aannemelijk dat de term 'dit artikel' verwijst naar artikel 9 in zijn geheel en niet enkel naar het derde13.lid (sub e) van deze bepaling. Ware dit anders, dan had het voor de hand gelegen dat de richtlijngever rechtstreeks zou hebben verwezen naar het in dezelfde zin genoemde onderdeel van artikel 9. (…) In het feit dat in [MvH: de Franse tekst van] artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde Richtlijn wordt gerefereerd aan 'article' en niet aan (het in de aanhef gebruikte begrip) 'paragraphe', vindt het Hof steun voor zijn oordeel dat 'dit artikel' in de Nederlandse tekst, verwijst naar artikel 9 in zijn geheel.
6.4.
Steun voor dit oordeel kan ook worden gevonden in de wijziging van de aanhef van artikel 9, lid 3, van de Zesde richtlijn per 1 juli 2003. Vanaf die datum wordt een uitzondering gemaakt voor diensten als bedoeld in het laatste streepje van artikel 9, lid 2, sub e (langs elektronische weg verleende diensten) wanneer deze voor niet-belastingplichtigen worden verricht. Deze uitzondering laat geen andere conclusie toe dan dat artikel 9, lid 3, van de Zesde richtlijn ook geldt voor diensten die aan niet-belastingplichtigen worden verricht. (…)
6.5.
De wetsgeschiedenis biedt naar het oordeel van het Hof eveneens steun aan deze tekstuele uitleg. Volgens artikel 2, lid 3, van de ontwerptekst voor de Zesde Richtlijn (…) wordt aan belasting over de toegevoegde waarde onderworpen 'het in het binnenland verkrijgen, door een belastingplichtige, van de in artikel 16, lid 10, vermelde diensten - waaronder begrepen de thans in geding zijnde adviesdiensten - welke door een in het buitenland gevestigde dienstverrichter zijn bewezen, alsmede het in het binnenland verkrijgen, door een niet-belastingplichtige, van dezelfde diensten, welke door een buiten de gemeenschap gevestigde dienstverrichter zijn verricht (…)'. Weliswaar is artikel 2, derde lid, van de ontwerptekst voor de Zesde Richtlijn niet als zodanig in de definitieve tekst van de Zesde Richtlijn overgenomen, maar de bedoeling daarvan komt naar 's Hofs oordeel tot uiting in de vormgeving van de regeling inzake de plaats van de dienst. Met die regeling wordt in feite hetzelfde resultaat bereikt, zij het dat die regeling de lidstaten voor bepaalde diensten niet verplicht de regeling in de nationale wetgeving op te nemen. Een en ander biedt naar 's Hofs oordeel steun aan de opvatting dat de richtlijn wetgever met de invoering van artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn de lidstaten de mogelijkheid heeft willen geven ook diensten als de onderhavige aan een niet-belastingplichtige, welke door een buiten de Unie gevestigde dienstverrichter zijn verricht, aan de heffing van btw te onderwerpen.
6.7.
Het Hof is van oordeel dat rechtsoverweging 33 van het arrest Athesia Druck moet worden gelezen in het licht van het - onder het derde gedachtestreepje - gegeven dictum dat artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn er niet toe kan leiden dat een dienst die niet valt binnen het toepassingsgebied van artikel 9, lid 2, sub e, van deze richtlijn en, meer in het algemeen, van dat artikel 9 van voornoemde richtlijn in zijn geheel, waarnaar artikel 9, lid 3, sub b, van diezelfde richtlijn uitdrukkelijk verwijst (…), niet met toepassing van die bepaling alsnog kan worden belast. (…) Anders dan de rechtbank, is het Hof van oordeel dat het HvJ (…) in voornoemde rechtsoverweging 33 enkel tot uitdrukking heeft willen brengen dat diensten die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 9 vallen, niet onder de afwijking van artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn kunnen worden gebracht. Nu, zoals in die zaak, het toepassingsgebied van artikel 9, lid 1 en lid 2, van de Zesde richtlijn met betrekking tot diensten die door een Oostenrijkse ondernemer worden verricht aan afnemers in Oostenrijk en Duitsland zich niet uitstrekt tot Italië, kan toepassing van artikel 9, lid 3, van de Zesde richtlijn niet bewerkstelligen dat de plaats van die diensten niettemin in Italië wordt gesitueerd.”
3.2.3
Het Hof heeft bij uitspraak van 12 december 2013, nr. 13/00140, ECLI:NL:GHAMS:2013:4801, het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
4. Het geding in cassatie
4.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt vier middelen voor die alle rechts- of motiveringsklachten inhouden tegen het oordeel van het Hof dat de aan belanghebbende verrichte diensten in Nederland bij haar belastbaar zijn.
4.2
Samengevat voert belanghebbende in haar vier cassatiemiddelen het volgende aan. Zij stelt zich op het standpunt dat het Hof ten onrechte uitgaat van de richtlijnbepaling, terwijl belanghebbende juist een beroep doet op de Nederlandse wettelijke bepaling, die haars inziens daarmee in strijd is (middel 1). Over de reikwijdte van artikel 6, lid 2, onderdeel e, van de Wet – onder welke bepaling volgens belanghebbende de aan haar verrichte diensten niet vallen – heeft het Hof zich niet uitgelaten, hetgeen meebrengt, aldus belanghebbende, dat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd (middel 2 en middel 4). Voorts heeft het Hof, nog steeds volgens belanghebbende, miskend dat het toepassingsbereik van artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn beperkt is. Artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn is geen generieke bepaling die het toepassingsbereik van artikel 9 kan uitbreiden (middel 3).
4.3
De staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
4.4
Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid een conclusie van repliek in te dienen.14.
5. Hoofdregel inzake de plaats van aan niet-ondernemers verrichte adviesdiensten
5.1
De hoofdregel inzake de plaatsbepaling van diensten is – tot 1 januari 201015.en voor zover hier van belang – op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet16.de plaats waar de dienstverrichter woont of is gevestigd.
5.2
Hoofdregels hebben echter de onhebbelijke gewoonte dat daaraan afwijkingen kleven. Dat geldt ook voor de plaats van dienst. Zo worden – voor zover hier van belang – op grond van artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet, in afwijking van het eerste lid:
“de hierna genoemde diensten welke worden verleend aan ondernemers, of aan anderen dan ondernemers voor zover zij buiten de Gemeenschap wonen of zijn gevestigd, verricht op de plaats waar degene aan wie de dienst wordt verleend, woont of is gevestigd. (…)
(…)
3º de diensten, verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants, en soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en –verschaffing;
(…)”
5.3
Deze bepaling is in de Wet opgenomen bij de aanpassing van de Wet aan de Zesde richtlijn, en is rechtstreeks uit die richtlijn (artikel 9, lid 2, aanhef en onder e) overgenomen.17.Blijkens de wetsgeschiedenis (cursivering MvH):18.
“(…) betreft [het] hier in het algemeen diensten waarvan de kosten de prijzen van goederen beïnvloeden; (…) Om praktische redenen is voor particulieren aan wie een in letter e genoemde dienst wordt verricht, teruggekeerd tot de hoofdregel, dat wil zeggen dat de plaats van dienst is gelegen in het land waar de dienstverrichter is gevestigd. Uit concurrentieoverwegingen blijft echter belastingheffing achterwege, indien de particulier woont of is gevestigd buiten de lid-staten van de Europese Gemeenschappen.(…)”
5.4
Kennelijk heeft de wetgever de considerans bij de Zesde richtlijn goed gelezen. In de zevende overweging van die considerans staat namelijk ongeveer hetzelfde als in de eerste zin van het hiervoor opgenomen citaat (cursivering MvH):
“Overwegende dat de vaststelling van de plaats van de belastbare handelingen heeft geleid tot competentieconflicten tussen de Lid-Staten, met name (…) met betrekking tot diensten; dat de plaats van diensten in beginsel moet worden vastgesteld op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, maar dat die plaats evenwel in bepaalde gevallen moet worden vastgesteld in het land van de ontvanger van de diensten, met name voor sommige diensten tussen belastingplichtigen waarvan de kosten in de prijs van de goederen worden opgenomen;”
5.5
De mijns inziens niet heel makkelijk leesbare regeling van artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet, komt erop neer dat de in die bepaling met name genoemde diensten, waaronder de hier in geschil zijnde adviesdiensten (als pars pro toto duid ik de in artikel 6, lid 2, onderdeel d, van de Wet, respectievelijk artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn en artikel 56, lid 1, van de btw-richtlijn genoemde diensten, hierna kortweg aan als ‘adviesdiensten’) alléén in Nederland belastbaar zijn indien zij door een buitenlandse ondernemer19.worden verleend en de Nederlandse afnemer ondernemer is. Is de Nederlandse afnemer van een buitenlandse adviesdienstverlener géén ondernemer, dan valt de dienst niet onder het bereik van artikel 6, lid 2, onderdeel d, van de Wet (zie de wettekst, de afnemer is in dit geval immers een niet-ondernemer die binnen de Gemeenschap is gevestigd). Voor de plaatsbepaling wordt dan teruggesprongen naar de hoofdregel van artikel 6, lid 1, van de Wet. De dienst wordt op grond daarvan gesitueerd in het land van de dienstverrichter. Is de dienstverrichter in deze gevallen buiten de Europese Unie gevestigd, dan wordt in het geheel niet aan (Europese) btw-heffing toegekomen.
5.6
Toegespitst op de onderhavige casus: de aan belanghebbende verrichte adviesdiensten zijn op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet belastbaar in Canada, respectievelijk de VS, nu de plaatsbepaling van artikel 6, lid 2, onderdeel d, van de Wet niet van toepassing kan zijn omdat belanghebbende geen ondernemer is.
6 Afwijking op de hoofdregel voor adviesdiensten aan niet-ondernemers: de Zesde Richtlijn en het voorstel daartoe
6.1
Als gezegd, is het bepaalde in artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet overgenomen uit de Zesde richtlijn, waar in artikel 9, lid 2, aanhef en onder e, een vergelijkbare bepaling is opgenomen, voor dezelfde diensten als die welke in artikel 6, lid 2, onderdeel d zijn genoemd.
6.2
In het voorstel voor een Zesde richtlijn (hierna: het Voorstel)20.was de heffing ter zake van internationale adviesdiensten nog anders geregeld. Niet via een afwijkende plaatsbepaling, maar via een vrijstelling21.werd op grond van het Voorstel bereikt dat in het land van de dienstverrichter geen heffing plaatsvond indien de afnemer buiten de Gemeenschap was gevestigd, dan wel een ondernemer in een andere lidstaat was. Op grond van artikel 16, aanhef en lid 1022., van het Voorstel:
“(….) verlenen [de lidstaten] vrijstelling (…) voor:
(…)
10. de navolgende diensten, onder voorwaarde dat de dienstverrichter aantoont:
- dat hetzij degene aan wie de dienst is verleend buiten de Gemeenschap is gevestigd,
- dat hetzij degene aan wie de dienst is verleend een belastingplichtige is, die binnen de Gemeenschap maar buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd;
(…)
e. de diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs en studiebureaus, alsmede soortgelijke diensten,
(…)”
6.3
Teneinde te bereiken dat de in artikel 16, lid 10 vermelde adviesdiensten niet geheel onbelast zouden blijven indien de afnemer een ondernemer in een andere lidstaat dan die van de dienstverrichter was, was in artikel 2, lid 3, van het Voorstel een regeling opgenomen die sterk doet denken aan de huidige intracommunautaire verwerving van goederen. Artikel 2, lid 3, van het Voorstel bepaalde namelijk dat aan de belasting over de toegevoegde waarde was onderworpen:
“het in het binnenland verkrijgen, door een belastingplichtige, van de in artikel 16, lid 10, vermelde diensten, welke door een in het buitenland gevestigde dienstverrichter zijn bewezen (…)”
6.4
De regeling van artikel 16, lid 10, van het Voorstel was als volgt toegelicht:
“De vrijstelling voor de onder punt 10 opgenomen diensten vormt een noodzakelijke correctie op de bepalingen van artikel 10. De plaats van de dienst is door artikel 10 gefixeerd op de plaats waar de dienstverrichter gevestigd is. Daaruit volgt dat in beginsel een dienst welke wordt bewezen aan degeen die in een andere Lid-Staat of buiten de Gemeenschap gevestigd is, zal worden belast bij de dienstverrichter. De toepassing van deze regel op de in punt 10 bedoelde diensten is niet erg wenselijk. Met betrekking tot de diensten, welke worden bewezen aan iemand die in een ander land dan dat van de dienstverrichter gevestigd is, zou immer de toepassing van het algemene, in artikel 10 vastgelegde beginsel voor de dienstverrichters van de gemeenschap aanleiding geven tot concurrentieverstoringen23.tegenover de dienstverrichters uit derde landen; binnen de Gemeenschap zou dit beginsel als gevolg van het tariefsverschil tussen de Lid-Staten tot concurrentieverstoringen leiden tussen de dienstverrichters, al naargelang zij in de ene of de andere Lid-Staat gevestigd zijn. Derhalve is voor de in punt 10 bedoelde diensten een vrijstelling opgenomen welke geldt in het land van de dienstverrichter (…)”
6.5
Waarom de hiervoor geschetste regeling uit het Voorstel niet is overgenomen in de Zesde richtlijn, kan niet worden afgeleid uit de gepubliceerde stukken met betrekking tot de totstandkoming van die richtlijn. Denkbaar is dat een rol heeft gespeeld dat diensten in de zin van artikel 16, lid 10, van het Voorstel, in twee landen (konden) plaatsvinden, namelijk op grond van artikel 10, lid 1, van het Voorstel24.in de lidstaat van de dienstverrichter (waar het nultarief gold) en op grond van het – bij de wijziging op het Voorstel toegevoegde – artikel 10, lid 3, van het Voorstel, ook nog eens in de lidstaat van de afnemer.25.Dat wringt, en ik sluit niet uit – maar dat is giswerk – dat daarom de regeling uiteindelijk iets anders is vormgegeven, namelijk door de plaats van de dienst voor de betrokken diensten te ‘verschuiven’ naar het land waar de ontvanger van de dienst is gevestigd, waardoor er geen dubbele plaats van dienst is, terwijl bovendien in het land van de dienstverrichter (administratief) ‘gedoe’ met betrekking tot de vrijstelling achterwege blijft. Qua resultaat zijn de regeling uit het Voorstel en die uit de Zesde richtlijn in zoverre gelijk, en het lijkt mij ook dat het doel en de strekking van artikel 16, lid 10, van het Voorstel niet anders is dan die van artikel 9, lid 2, aanhef en onder e, van de Zesde richtlijn: het tegengaan van concurrentieverstoringen tussen Europese dienstverleners en aanbieders van dezelfde diensten uit derde landen (zie voor de diverse facetten van concurrentieverstoring de voetnoot bij het citaat uit de toelichting op artikel 16, lid 10, van het Voorstel).
6.6
Ik merkte zojuist op dat de regeling voor internationale adviesdienstverlening als bedoeld in artikel 16, lid 10, van het Voorstel qua resultaat gelijk is aan die van artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn.
6.7
Dat is echter niet helemaal juist.
6.8
In punt 6.3 heb ik namelijk het bepaalde in artikel 2, lid 3, van het Voorstel niet volledig geciteerd. Op grond van die bepaling was niet alleen belasting verschuldigd ter zake van het door een belastingplichtige in het binnenland verkrijgen van een adviesdienst die door een in het buitenland gevestigde dienstverrichter is verleend, maar ook ter zake van (cursivering MvH):
“(…) het in het binnenland verkrijgen, door een niet-belastingplichtige, van dezelfde diensten, welke door een buiten de Gemeenschap gevestigde dienstverrichter zijn bewezen”.
6.9
De reden voor deze (uitbreiding van de) heffing was, zo leert ons de toelichting op artikel 2 van het Voorstel de volgende:
“(…) beoogt de heffing bij degene te wiens behoeve door in het buitenland gevestigde personen diensten worden bewezen, juridisch geen enkele mogelijkheid open te laten bedoelde diensten te ontvangen waarvan in een Lid-Staat gebruik zal worden gemaakt zonder dat daarover de belasting over de toegevoegde waarde is voldaan.”26.
6.10
In concreto is het verschil tussen artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn en de regeling van artikel (16, lid 10 juncto) 2, lid 3, van het Voorstel gelegen in de heffing ter zake van adviesdiensten door een niet in de Europese Unie gevestigde ondernemer aan een niet-ondernemer in de Europese Unie: op grond van de regeling uit het Voorstel voor een Zesde richtlijn was die dienst zonder meer belastbaar bij de niet-ondernemende afnemer, terwijl op grond van artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn in deze gevallen geen heffing bij de afnemer plaatsvindt (zie onderdeel 5 van deze conclusie).
6.11
Dat neemt niet weg dat de Zesde richtlijn wel de mogelijkheid daartoe kent. Op grond van het bepaalde in artikel 9, lid 3, van de Zesde richtlijn kunnen de lidstaten – voor zover hier van belang en met mijn cursivering:
“Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van belasting alsmede concurrentievervalsing te voorkomen, kunnen de lidstaten voor de diensten als bedoeld in lid 2, onder e, (…):
(…)
b. de plaats van de diensten, die, krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland geschieden.”
6.12
Het lijkt mij dat met deze bepaling facultatief is geregeld, wat in het Voorstel voor een Zesde richtlijn nog verplicht was: adviesdiensten die door een niet-EU-ondernemer worden verricht aan een EU-niet-ondernemer belastbaar stellen in de lidstaat van de afnemer.27.De faciliteit geldt uitsluitend voor de (advies)diensten, die in artikel 9, lid 2, e, van de Zesde richtlijn zijn opgesomd, en uitsluitend indien zij ‘krachtens dit artikel’ buiten de Gemeenschap zijn gelegen.28.
6.13
Grammaticaal ligt voor de hand dat met de zinsnede in onderdeel b ‘krachtens dit artikel’, artikel 9 (als geheel) moet zijn bedoeld, en niet lid 229.van artikel 9 van de Zesde richtlijn. Had de richtlijngever iets anders bedoeld, dan had een andere woordkeuze voor de hand gelegen. Ook teleologisch ligt deze interpretatie voor de hand, uitgaande van mijn veronderstelling (zie punt 6.5 van deze conclusie) dat de doelstelling van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn dezelfde is als die van artikel 2, lid 3, juncto artikel 16, lid 10, van het Voorstel: het voorkómen dat adviesdiensten die door afnemers binnen de Gemeenschap (tegenwoordig: Unie) worden afgenomen, buiten de heffing zouden blijven, ten gevolge waarvan ‘Europese’ ondernemers concurrentienadeel zouden (kunnen) ondervinden. De enige situatie waarin een adviesdienst op grond van artikel 9, lid 2, (onder e,) van de Zesde richtlijn niet in de Europese Unie plaatsvindt, betreft een uitgaande dienst: die waarin een in de Europese Unie gevestigde ondernemer een adviesdienst verleent aan een afnemer buiten de Europese Unie. Het is weliswaar voorstelbaar dat ook in dergelijke gevallen (namelijk bij werkelijk gebruik en werkelijke exploitatie van de dienst in het binnenland) de behoefte bestaat om die dienst naar het binnenland te verleggen – ik denk aan structuren waarbij via een niet-EU-ondernemer adviesdiensten worden verricht die uiteindelijk ten goede komen aan (bijvoorbeeld) een zuivere houdstervennootschap (niet-ondernemer) binnen de Europese Unie30.– maar ik kan mij – gelet op de door mij veronderstelde gelijke ratio van de bepaling uit het Voorstel en die uit de Zesde richtlijn en gelet op het bereik van de regeling uit het Voorstel – niet goed voorstellen dat juist die diensten die in het Voorstel nadrukkelijk tot binnenlandse heffing moesten leiden (namelijk adviesdiensten door een niet-EU-dienstverrichter aan een EU-niet-ondernemer) op grond van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn niet tot binnenlandse heffing zouden mogen leiden indien de lidstaat in kwestie van de in deze bepaling geboden mogelijkheid gebruik heeft gemaakt.
6.14
Andere taalversies van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn brengen mij niet op andere gedachten. Ook daarin wordt uitdrukkelijk naar ‘dit artikel’ (althans het equivalent daarvan) verwezen. Ter illustratie wijs ik op de Franse, Duitse en Engelse tekst van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn (tekst tot 1 januari 2003):
6.14.1
In het Frans heeft te gelden (met mijn cursivering):
“3. Afin d’éviter des cas de double imposition, de non-imposition ou de distorsions de concurrence, les États membres peuvent, en ce qui concerne la prestation de services visés au paragraphe 2, sous e) (…)
(…)
b) le lieu de prestations de services, qui, en vertu du présent article, est situé en dehors de la Communauté, comme s'il était situé à l'intérieur du pays, (…).”
6.14.2
In het Duits bepaalt artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn:
“(3) Um Doppelbesteuerung, Nichtbesteuerung oder Wettbewerbsverzerrungen zu vermeiden, können die Mitgliedstaaten bei den in Absatz 2 Buchstabe e) bezeichneten Dienstleistungen (…)
(…)
b) den Ort einer Dienstleistung, der nach diesem Artikel ausserhalb der Gemeinschaft liegt, so behandeln, als läge er im Inland, (…)”
6.14.3
In het Engels luidt artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn:
“3. In order to avoid double taxation, non-taxation or the distortion of competition the Member States may, with regard to the supply of services referred to in 2 (e) (…) consider:
(…)
(b) the place of supply of services, which under this Article would be situated outside the Community, as being within the territory of the country (…)”
6.15
Per 1 juli 200331.is de aanhef van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn uitgebreid – doch in reikwijdte beperkt – met de toevoeging van een tussenzinnetje (cursief MvH):
“(…) kunnen de lidstaten voor de diensten als bedoeld in lid 2, onder e), met uitzondering van de diensten als bedoeld in het laatste streepje32.wanneer deze voor niet-belastingplichtigen worden verricht, (…):”
6.16
In achtereenvolgens de Franse, Duitse en Engelse tekst luidt de aanhef van artikel 9, lid 3, onder b, sinds 1 juli 2003 (met mijn cursivering):
“3. Pour éviter les cas de double imposition, de non-imposition ou de distorsion de concurrence, les États membres peuvent, en ce qui concerne la prestation des services visés au paragraphe 2, point e), excepté ceux visés au dernier tiret, lorsque ces services sont fournis à des personnes non assujetties, (…) considérer:”
“(3) Um Doppelbesteuerung, Nichtbesteuerung oder Wettbewerbsverzerrungen zu vermeiden, können die Mitgliedstaaten bei den in Absatz 2 Buchstabe e) bezeichneten Dienstleistungen, mit Ausnahme der unter dem letzten Gedankenstrich genannten Dienstleistungen, sofern diese an nicht steuerpflichtige Personen erbracht werden, (…).”
“3. In order to avoid double taxation, non-taxation or the distortion of competition, the Member States may, with regard to the supply of services referred to in paragraph 2(e), except for the services referred to in the last indent when supplied to non-taxable persons, (…) consider:”
6.17
Zoals het Hof in overweging 6.4 van zijn uitspraak ook overwoog, meen ik dat deze toevoeging niet anders kan betekenen dan dat voor andere diensten dan die van het laatste gedachtestreepje van artikel 9, lid 2, onder e, artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn wél toepassing kan vinden indien die diensten voor niet-belastingplichtigen worden verricht (en dus op grond van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn in het land van de dienstverrichter belastbaar zijn – indien de desbetreffende lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 9, lid 3, onderdeel b).
6.18
Per 1 januari 2007 is de Zesde richtlijn vervangen door de btw-richtlijn. Daarin werd de regeling van artikel 9 van de Zesde richtlijn verspreid over diverse artikelen. In artikel 56, lid 1, van de btw-richtlijn werd de regeling van artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn overgenomen, artikel 58 aanhef en onder b, van de btw-richtlijn kent een regeling die overeenkomt met die van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn. Nu met de herschikking van de bepalingen uit de Zesde richtlijn in de btw-richtlijn geen materiële wijzigingen zijn beoogd, naar blijkt uit de derde overweging van de considerans van laatstgenoemde richtlijn33., meen ik dat hetgeen ik in het voorgaande heb betoogd inzake de reikwijdte van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn, ook geldt voor artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn.34.
6.19
De kous van de reikwijdte van de kan-bepaling van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn lijkt daarmee af, en de conclusie dringt zich op dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om ook adviesdiensten naar het binnenland kunnen verleggen die buiten artikel 9, lid 2, onderdeel e, van de Zesde richtlijn vallen, omdat zij aan een ‘Europese’ niet-ondernemer worden verricht (en hun plaats bepaald wordt met toepassing van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn).
6.20
Ware het niet dat het HvJ twijfel zaait.
6.21
In de zaak die heeft geleid tot het – zonder conclusie gewezen – arrest van het HvJ van 19 februari 2009, Athesia Druck, C-1/08 (hierna: arrest Athesia) ging het om de plaats van reclamediensten – die behoren tot de categorie ‘adviesdiensten’ van artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn – en de reikwijdte van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn. Enigszins vereenvoudigd weergegeven was in de zaak Athesia het volgende aan de hand. Een Italiaanse ondernemer had reclamediensten35.verleend aan een buiten de Europese Unie (te weten Oostenrijk, dat destijds nog geen lidstaat was) gevestigde ondernemer, Athesia Advertising36., die deze diensten ‘doorverrichte’ aan zijn klanten binnen en buiten de Europese Unie, te weten in Oostenrijk en Duitsland37..
6.22
Na te hebben geoordeeld dat het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie van de desbetreffende reclamediensten in Italië plaatsvond – waarmee de eerste hobbel naar toepasbaarheid van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn was genomen – overwoog het HvJ:
“32 Hieruit [MvH: uit de vaststelling dat de desbetreffende reclamediensten in Italië werden gebruikt en geëxploiteerd] volgt dat bij gebruikmaking van de in deze bepaling [MvH: artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn] voorziene bevoegdheid, en in een situatie als die in het hoofgeding, de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaat, krachtens lid 2 juncto lid 3 van artikel 9 van de Zesde richtlijn, de door een dienstverrichter ten behoeve van de eind- of eerste ontvanger verrichte diensten op het gebied van de reclame mogen aanmerken als diensten die zijn verricht op het grondgebied van de staat en die als zodanig belastbaar zijn, maar dat zij de diensten die de eerste ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd ten behoeve van zijn klanten verricht, niet als belastbaar mogen aanmerken.
33. Een dienstverrichting die, volgens de in artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn gestelde criteria, buiten de Gemeenschap ligt (maatschappelijke zetel in een derde land en geen vaste inrichting in een lidstaat) en die niet worden bedoeld in lid 2, sub e, van ditzelfde artikel, kan niet onder de afwijking bedoeld in artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn vallen.”
6.23
Met name de hiervoor geciteerde overweging 33 is hoogst cryptisch – en is dat ook in het Italiaans (de procestaal), Frans, Duits en Engels, in welke talen ik bedoelde overweging 33 hierna citeer:
“33. Una prestazione di servizi che, secondo i criteri di cui all’art. 9, n. 1, della sesta direttiva, è esterna alla Comunità (presenza della sede legale in uno Stato terzo e mancanza di un centro di attività stabile in uno Stato membro) e che non è prevista dal n. 2, lett. e), di questo stesso articolo non può rientrare nell’ambito di applicazione della deroga contenuta nell’art. 9, n. 3, lett. b), della sesta direttiva.”
“33. Une prestation de services qui, selon les critères posés à l’article 9, paragraphe 1, de la sixième directive, est extérieure à la Communauté (présence du siège social dans un État tiers et absence d’établissement stable dans un État membre) et qui n’est pas visée au paragraphe 2, sous e), de ce même article ne peut faire l’objet de la dérogation prévue à l’article 9, paragraphe 3, sous b), de la sixième directive.”
“33. Eine Dienstleistung, die nach den in Art. 9 Abs. 1 der Sechsten Richtlinie aufgestellten Kriterien außerhalb der Gemeinschaft liegt (Gesellschaftssitz in einem Drittstaat und Fehlen einer festen Niederlassung in einem Mitgliedstaat) und die nicht in Art. 9 Abs. 2 Buchst. e genannt wird, kann nicht unter die abweichende Regelung in Art. 9 Abs. 3 Buchst. b der Sechsten Richtlinie fallen.”
“33. Where services are supplied, according to the criteria laid down in Article 9(1) of the Sixth Directive, outside the Community (the principal place of business in a non‑Member state and no fixed establishment in a Member State) and are not referred to in Article 9(2)(e), such a supply of services cannot benefit from the derogation provided for in Article 9(3)(b) of the Sixth Directive.”
6.24
Grammaticaal en los van de context bezien, is overweging 33 een open deur: diensten die niet ‘bedoeld’ (genoemd?38.) worden in artikel 9, lid 2, onderdeel e, van de Zesde richtlijn, en die op grond van artikel 9, lid 1 buiten de Europese Unie plaatsvinden, vallen niet onder het bereik van artikel 9, lid 3, onderdeel b. Dat staat echter ook al in de richtlijn. Het lijkt mij dan ook niet zo waarschijnlijk dat het HvJ punt 33 zo bedoeld heeft. Het ligt meer voor de hand dat het HvJ in dit punt 33 wil uitleggen waarom de diensten van de niet-EU-ondernemer (het Oostenrijkse Athesia) aan diens klanten niet onder het (Italiaanse) bereik van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn vallen. In die context bezien lijkt het HvJ inderdaad te zeggen dat een dienst die buiten het bereik van (de aanhef? van) artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn valt en (dus) onder de plaatsbepalingsregel van artikel 9, lid 1 moet worden gerangschikt, niet met toepassing van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn naar het binnenland kan worden verlegd.
6.25
Gezien de richtlijngeschiedenis en het doel en strekking van het bepaalde in artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn, als eerder weergegeven, acht ik die uitlegging niet juist. Het kan niet zo zijn dat het HvJ hier bedoeld heeft te zeggen dat een adviesdienst waarvan het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland plaatsvinden en die – omdat de afnemer een niet-ondernemer is – volgens de hoofdregel van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn buiten de Europese Unie plaatsvindt, niet onder het bereik van de kan-bepaling van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn valt, ook al omdat juist daardoor ‘Europese’ ondernemers worden uitgeschakeld, althans concurrentienadeel ondervinden: zij moeten immers wél omzetbelasting over hun diensten berekenen, terwijl de niet-EU-concurrent zonder omzetbelasting factureert en daardoor (vermoedelijk) goedkoper is. Dat is nu juist wat de kan-bepaling mijns inziens bedoelt tegen te gaan (zie ook punt 6.5 van deze conclusie).
6.26
Ik lees de overweging dan ook met het feitencomplex van de zaak Athesia op het netvlies: artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn kan namelijk mijns inziens niet zover reiken dat een adviesdienst die in een bepaalde lidstaat (in de zaak Athesia Italië) gebruikt en geëxploiteerd wordt, naar het binnenland kan worden ‘verplaatst’ indien noch de dienstverrichter, noch de afnemer in die lidstaat (Italië) zijn gevestigd. Deze lezing is in lijn met punt 26 van het arrest van het HvJ van 5 juni 2003, Design Concept, C-438/01, waarin het HvJ overweegt (cursivering MvH):
“Ingevolge artikel 9, leden 1 en 2, hangt de vaststelling van de plaats van een dienst alleen af van de plaats waar de verrichter en de ontvanger van de betrokken dienst zijn gevestigd. (…).”
6.27
Alles bij elkaar genomen, brengt het arrest Athesia mij derhalve niet op andere gedachten dan die welke ik in punt 6.19 al uitte. Mijns inziens staat artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn het de lidstaten toe om adviesdiensten die op grond van het bepaalde in (één van de leden/lidonderdelen van) artikel 9 buiten de Europese Unie plaatsvinden, en die in het binnenland werkelijk worden gebruikt en geëxploiteerd op grond van die bepaling naar het binnenland te verplaatsen, mits de afnemer of de dienstverrichter in het binnenland is gevestigd. Bij de beoordeling, in onderdeel 7 van deze conclusie, van de richtlijnconformiteit van artikel 6, lid 2, aanhef en onder e, aanhef en sub 1, van de Wet, ga ik ook hiervan uit.
6.28
Hoewel het HvJ hieromtrent niet duidelijk is, of beter gezegd, juist twijfel zaait, meen ik, mede gelet op de omstandigheid dat de problematiek inmiddels uitgebannen is (zie punt 1.4 van deze conclusie), dat het voorleggen van prejudiciële vragen niet nodig is.
7. De Nederlandse omzetting van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn
7.1
Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Zesde Richtlijn in artikel 9, lid 3, onder b, biedt. Bij Wet van 7 maart 1991, Stb. 1991, 9639.werd met ingang van 1 april 1991 aan artikel 6, lid 2, van de Wet een onderdeel e toegevoegd. Deze bepaling luidt:40.
“de hierna genoemde diensten welke worden verricht door ondernemers die buiten de Gemeenschap wonen of zijn gevestigd (…), in Nederland verricht, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in Nederland plaatsvinden:
1º. diensten, bedoeld in onderdeel d, 1º tot en met 7º, welke worden verleend aan in Nederland gevestigde lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, andere dan ondernemers;
(…)”
7.2
Reden voor de toevoeging van onderdeel e, aan artikel 6, lid 2, van de Wet, was primair gelegen in de bestrijding van de zogenoemde IJsland-constructie die destijds opgeld deed. Kort gezegd hield deze constructie in dat niet-ondernemers (overheidslichamen) roerende zaken huurden van buiten de EU gevestigde verhuurders – bij voorkeur in landen zonder btw, zoals (toen)41.IJsland, de naamgever van de constructie. Op grond van artikel 6, lid 2, onderdeel d, van de Wet, waren deze diensten niet in Nederland belastbaar, zodat belastingschoon computers, vuilniswagens e.d. konden worden gehuurd. Het kwam de concurrentiepositie van Nederlandse c.q. binnen de EU gevestigde ondernemers niet ten goede, zoals de staatssecretaris van Financiën in de memorie van toelichting opmerkt (de cursiveringen zijn van mijn hand):42.
“Naar mijn oordeel is de hiervoren beschreven ontwikkeling geen goede zaak. Naast de derving aan btw-opbrengsten, leidt zij ertoe dat Nederlandse verhuurders die niet van de omwegconstructie gebruik maken hun concurrentiepositie zien verslechteren.
De in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 6 van de wet strekt primair ertoe dat in de vorenbedoelde situatie van verhuur van roerende goederen vanuit derde-landen aan Nederlandse overheidslichamen Nederlandse btw wordt geheven. Aldus wordt uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 9, lid 3, sub b, van de zesde richtlijn (…). Deze richtlijnbepaling biedt de mogelijkheid de plaats van bepaalde diensten, waaronder de verhuur van roerende goederen, die op grond van de normaal van kracht zijnde bepalingen buiten de Europese Gemeenschappen is gelegen, toch aan te merken als in Nederland te zijn gelegen (…)
Het wetsvoorstel heeft een ruime strekking en beperkt zich niet tot de verhuur van roerende goederen (…) aan Nederlandse overheidslichamen. Voorgesteld wordt de verlegging van de plaats van dienst naar Nederland te laten gelden voor alle diensten die hiervoor ingevolge de zesde btw-richtlijn in aanmerking komen. Dit ten einde toekomstige problemen in andere sectoren voor te zijn.
7.3
Gelet op de toelichting, meen ik te mogen concluderen dat de wetgever beoogd heeft aan het bepaalde in artikel 6, lid 2, onderdeel e, sub 1, van de Wet dezelfde reikwijdte te geven als aan artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn.
7.4
Anders dan belanghebbende, meen ik dat uit de wettekst niet moet worden afgeleid dat alleen die (advies)diensten naar Nederland kunnen worden verlegd, die ‘an sich’ onder artikel 6, lid 2, onderdeel d, van de Wet vallen – dat wil zeggen, diensten die niet alleen tot de opgesomde categorieën diensten behoren, maar die ook aan de voorwaarden van de aanhef van die bepaling voldoen. Dit te minder wanneer de wetsgeschiedenis daarbij in aanmerking wordt genomen. Op grond van artikel 6, lid 2, aanhef onderdeel e, sub 1, van de Wet, worden mijns inziens derhalve diensten die door niet-EU-ondernemers worden verricht aan in Nederland gevestigde niet-ondernemers, naar Nederland verlegd – vooropgesteld dat het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie in Nederland plaatsvinden.
7.5
Gelet op de reikwijdte die ik de kan-bepaling van artikel 9, lid 3, aanhef en onder b, van de Zesde richtlijn toedicht (zie punt 6.27 van deze conclusie), en de wetsgeschiedenis van artikel 6, lid 2, onderdeel e, sub 1, van de Wet, meen ik dat deze wettelijke bepaling dezelfde reikwijdte heeft als de kan-bepaling van artikel 9, lid 3, aanhef en onderdeel b, van de Zesde richtlijn (respectievelijk artikel 58, aanhef en onder b, van de btw-richtlijn). Ik kom derhalve tot de slotsom dat Nederland geen ruimere interpretatie aan de kan-bepaling heeft gegeven dan de Zesde richtlijn toestaat. Anders gezegd: de Nederlandse regeling is in overeenstemming met hetgeen artikel 9, lid 3, aanhef en onderdeel b, van de Zesde richtlijn mogelijk maakt.
8. De middelen
8.1
Naar uit het vorenstaande voortvloeit, meen ik dat belanghebbendes beroep in cassatie niet kan slagen. Desalniettemin bezie ik hierna de middelen ‘an sich’.
8.2
Anders dan belanghebbende in haar eerste middel stelt, heeft het Hof niet de richtlijnbepaling ten nadele van belanghebbende uitgelegd, maar heeft het - uitgaande van een mijns inziens juiste rechtsopvatting - het bereik van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn vastgesteld. In zijn overweging (zie punt 6.8 van de hofuitspraak) dat Nederland met de invoering van artikel 6, lid 2, onderdeel e, sub 1, van de Wet zijn bevoegdheid niet heeft overschreden, ligt mijns inziens besloten het oordeel dat de wettelijke bepaling richtlijnconform kan en moet worden uitgelegd.
8.3
Gelet op de samenhang tussen de middelen, falen ook het derde en vierde middel. Mijns inziens heeft het Hof met juistheid beslist dat de onderhavige situatie onder het bereik van artikel 9, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn (middel 3) en onder dat van artikel 6, lid 2, onderdeel e, sub 1, van de Wet (middel 4), valt.
8.4
Ook het tweede middel faalt, nu een rechtsoordeel niet met vrucht met een motiveringsklacht kan worden bestreden.
9. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑10‑2014
Richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst, PB L 44 blz. 1.
De in voetnoot 3 genoemde richtlijn is in werking getreden op 21 februari 2008 en moest op 1 januari 2010 door de lidstaten zijn geïmplementeerd.
Te weten het vanaf 21 februari 2008 geldende artikel 59bis van de btw-richtlijn. Opgemerkt zij dat de vraag onder welke omstandigheden ‘het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie’ van een dienst als bedoeld in de hier genoemde bepalingen, nog altijd wel speelt. Die vraag is in casu echter nadrukkelijk niet (meer) in geschil. Ik laat die vraag in deze conclusie dan ook onbesproken.
Het Hof, noch de Rechtbank hebben vastgesteld waar [H] gevestigd is.
In het hierna te melden controlerapport is vermeld dat niet duidelijk is waar [G] woont: in Abu Dhabi of in de Verenigde Staten. In het beroepschrift voor de Rechtbank vermeldt belanghebbende als vestigingsplaats van [G] ‘Verenigde Staten/Abu Dhabi’. Rechtbank en Hof stellen feitelijk vast dat [G] in Abu Dhabi woonachtig is.
Zie punt 2.2 van de nader te melden hofuitspraak.
De inspecteur van de Belastingdienst/[P].
MvH: bedoeld is het arrest van Hof van Justitie van 19 februari 2009, Athesia Druck, C-1/08.
MvH: ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar subsidiaire stelling, te weten dat het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie van de aan haar verrichte diensten niet in Nederland plaatsvinden, laten varen. Zie het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof van 26 november 2013.
MvH: ik vermoed dat het Hof hier ‘tweede’ bedoelt.
Zie haar brief van 9 april 2014.
Bij Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket), Stb. 2009, 546 werd de regeling inzake de plaats van dienst ingrijpend gewijzigd per 1 januari 2010.
Dat tot 1 januari 2007 was gebaseerd op artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn, en met ingang van 1 januari 2007 (en tot 1 januari 2010) op artikel 43 van de btw-richtlijn.
Zie Kamerstukken II, 1977-1978, 14 887, nr. 5, blz. 18. De tekst van artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn is overigens iets anders geformuleerd dan de wettelijke bepaling. Hij luidt: “De plaats van de hieronder vermelde diensten, die worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd, de plaats waar de ontvanger de zetel van zijn bedrijfsuitoefening (…) heeft gevestigd, (…) of bij gebreke van een dergelijke zetel (…) zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats:”.
Als een binnenlandse dienstverrichter de desbetreffende diensten verricht aan een Nederlandse afnemer, is de dienst altijd in Nederland belastbaar.
Wij zouden in Nederland spreken over een nultarief. Het ging om een vrijstelling die het recht op aftrek niet beperkte (vgl. artikel 17, lid 3, onder b, van het Voorstel voor een Zesde richtlijn).
Het valt op dat in de toelichting op het Voorstel nu eens gesproken wordt over ‘lid 10’ en dan weer over ‘punt 10’. Ik houd het maar op ‘lid 10’.
MvH: Concurrentieverstoring kan zich in verschillende gedaanten voordoen. Europese ondernemers kunnen ‘op concurrentieachterstand’ komen als gevolg van de omstandigheid dat het verkrijgen van een restitutie van Europese btw voor buiten de EU gevestigde ondernemers op grond van de Dertiende richtlijn (Richtlijn 86/560/EEG van de Raad van 17 november 1986) een zaak van lange adem kan zijn, hetgeen hen ervan kan weerhouden om – bij ontbreken van een bijzondere regeling – zaken te doen met Europese aanbieders van adviesdiensten. Daarnaast werkt het uiteraard concurrentieverstorend voor Europese ondernemers als niet-EU-ondernemers hun diensten vrij van omzetbelasting op de Europese markt kunnen aanbieden. Ten slotte kan een rol spelen dat de voorfinanciering van btw (voldoening aan de fiscus vóór betaling door de afnemer) in het nadeel van de Europese ondernemer kan werken. Zie voor dit laatste ook mijn dissertatie, Bancaire en financiële prestaties in de Europese btw, Kluwer, Deventer 1992, blz. 213.
Op grond waarvan diensten werden geacht plaats te vinden in het land van de dienstverrichter (vgl. artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn).
Zie COM(74)795 van 26 juli 1974, waarbij een nieuw derde lid aan artikel 10 van het Voorstel werd toegevoegd, onder de toelichting dat met de toevoeging van dit lid werd beoogd de regeling die van toepassing is op in internationaal verband verleende diensten als bedoeld in artikel 2, lid 3, nauwkeuriger vast te leggen. “Daar deze diensten worden belast bij degene aan wie zij werden bewezen, leek het gewenst de plaats van belastingheffing op overeenkomstige wijze als geldt voor bij de dienstverrichter te belasten diensten te regelen.” (toelichting op artikel 10 lid 3, van het gewijzigde Voorstel, COM(74)795, blz. 4.
Mits het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland plaatsvinden, een voorwaarde die niet in het Voorstel was opgenomen. Omdat de vraag naar de ‘gebruikslocatie’ van de dienst in cassatie uitdrukkelijk niet aan de orde is, onthoud ik mij in deze conclusie van een bespreking van deze voorwaarde (ook wel aangeduid als de ‘use and enjoyment-rule’).
En het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland plaatsvindt, maar als eerder opgemerkt, laat ik deze voorwaarde in deze conclusie rusten, nu dat tussen partijen niet (meer) in geschil is.
Of zelfs lid 2, onderdeel e, van artikel 9.
Het hierna nog te melden arrest Athesia Druck lijkt een andere kant op te wijzen, waar het HvJ voor recht verklaart dat diensten in de zin van artikel 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn die door een buiten de EU gevestigde dienstverrichter ten behoeve van zijn eigen klanten worden verricht, niet onder het bereik van artikel 9, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn vallen. Het ging daar echter om diensten die door een niet in de EU gevestigde ondernemer werden verricht aan klanten in een andere lidstaat (t.w. Duitsland) dan die waar van die diensten gebruik werd gemaakt (Italië).
Bij Richtlijn 2002/38/EG van de Raad van 7 mei 2002 tot wijziging, voor een gedeelte tijdelijk, van Richtlijn 77/388/EG met betrekking tot de regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde die van toepassing is op bepaalde diensten die langs elektronische weg worden verricht alsook op radio- en televisieomroepdiensten, PB L 128, blz. 41. Deze richtlijn trad in werking per 1 juli 2003.
MvH: te weten langs elektronische weg verleende diensten.
Luidende: “Een heldere en rationele presentatie van de bepalingen, overeenkomstig het beginsel van betere regelgeving, vergt dat de structuur en de formulering van de richtlijn worden herschikt, waarbij evenwel in principe geen materiële wijzigingen in de bestaande wetgeving worden aangebracht. Niettemin moet een gering aantal materiële wijzigingen die inherent zijn aan de herschikkingsexercitie, in de tekst worden aangebracht. De wijzigingen in kwestie zijn limitatief vermeld in de bepalingen betreffende omzetting en inwerkingtreding.”
Tot 1 januari 2010, toen de plaats-van-dienstregeling op grond van richtlijn 2008/8/EG van de Raad ingrijpend werd gewijzigd. Thans is in artikel 59bis van de btw-richtlijn een vergelijkbare kan-bepaling opgenomen. In de aanhef van die bepaling is uitdrukkelijk vermeld dat die regeling geldt ‘met betrekking tot diensten waarvan de plaats van verrichting valt onder de artikelen 44, 45, 56 en 59’. De betreffende artikelen regelen de plaats van dienst voor diensten verricht aan ondernemers, niet-ondernemers, de verhuur van vervoermiddelen en met die van het ‘oude’ artikel 56 van de btw-richtlijn en 9, lid 2, onder e, van de Zesde richtlijn overeenkomende diensten aan buiten de EU gevestigde niet-ondernemers.
Namelijk reclameruimte in kranten, tijdschriften, radio en tv.
De desbetreffende ondernemer, Athesia Advertising, was in Oostenrijk – destijds nog geen lid van de EU – gevestigd en had een dochtervennootschap in Italië die als fiscaal vertegenwoordiger optrad.
Zie punt 11 van het arrest Athesia.
Zie met name de Duitse tekst, waarin de term ‘genannt’ wordt gebruikt, en de Engelse tekst waarin de term ‘referred to’ wordt gebruikt.
Wet van 7 maart 1991 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (wijziging van de plaats van dienst voor bepaalde prestaties), Stb. 1991, 96.
De hier weergegeven tekst is die, welke gold in de jaren waarin de feiten van de onderhavige procedure zich voordeden. In de jaren sinds de invoering van de bepaling, is een aantal redactionele wijzigingen aangebracht. Dat geschiedde - voor zover hier relevant - bij wet van 18 december 1991, Stb. 1991, 714, bij wet van 24 december 1992, Stb. 1992, 713, en bij wet van 6 december 1995, Stb. 1995, 588.
Inmiddels heeft IJsland een btw met (een van) de hoogste tarieven ter wereld: 25,5% (NRC archief; http://vorige.nrc.nl/economie/article2446654.ece/IJsland_heeft_vanaf_2010_hoogste_btw_ter_wereld).
Citaat ontleend aan de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 6 van de Wet, Tweede Kamer, 1989-1990, 21463, nr. 3, blz. 2.
Beroepschrift 27‑10‑2014
Edelhoogachtbaar college,
Beroep in cassatie namens [X] B.V. te [Z] tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam d.d. 12 december 2013, zaaknummer 13/00140
Namens [X] B.V. stellen wij beroep in cassatie in tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam d.d. 12 december 2013 met kenmerk 13/00140, waarvan u bijgaand een kopie aantreft.
BELANGRIJK: Voor een goed begrip van dit cassatieberoep wijzen wij er vooraf op dat tijdens de zitting bij het Gerechtshof een compromis is bereikt met de Belastingdienst. Wij verwijzen naar het proces verbaal van de zitting van het Hof waarin dit is weergegeven. Samengevat komt het erop neer dat de omvang van het financiële belang van belanghebbende bij deze zaak is beperkt en dat belanghebbende het aanvankelijk ingenomen subsidiaire standpunt dat geen sprake is van werkelijk gebruik en exploitatie van de dienst in Nederland, heeft verlaten. Doel van beide partijen was en is om daarmee te komen tot een principiële uitspraak over artikel 6, tweede lid, onderdeel e (onder 1o) Wet OB.
Oordeel van het Hof
Het Gerechtshof heeft het hoger beroep van de Belastingdienst gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank (waarbij belanghebbende in het gelijk werd gesteld) vernietigd.
Volgens het Hof is artikel 6, tweede lid, onderdeel e, ten 1o Wet OB niet in strijd met artikel 9, derde lid, onderdeel b van de Zesde Richtlijn. Het begrip ‘dit artikel’ in artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn slaat volgens het Hof terug op het volledige artikel 9 en niet specifiek op de diensten waarvan de plaats wordt geregeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel e Richtlijn.
1.
Dit volgt volgens het Hof uit een taalkundige uitleg van artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn, mede in aanmerking genomen de Franse taalversie van de Richtlijn (6.3);
2.
Bij een andere uitleg zou volgens het Hof de wijziging per 1 juli 2003 ten aanzien van langs elektronische weg verleende diensten betekenisloos zou zijn (6.4);
3.
Dit volgt volgens het Hof uit de wetsgeschiedenis van de Richtlijn (6.5); en
4.
Volgens het Hof heeft het Hof van Justitie in het arrest Athesia Druck alleen tot uitdrukking gebracht dat diensten die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 9 (in zijn geheel) Richtlijn vallen, niet Onder afwijking van artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn kunnen worden gebracht (6.6 en 6.7).
Middelen van cassatie
1. Schending althans verkeerde toepassing van het communautaire recht en/of schending van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
omdat het Gerechtshof ten onrechte directe werking geeft in het nadeel van belanghebbende aan artikel 9, derde lid, onderdeel b Zesde richtlijn, terwijl jegens belanghebbende slechts de Nederlandse Wet OB geldt.
Toelichting op cassatiemiddel 1
In overweging 6.8 komt het Hof op basis van de voorafgaande overwegingen tot de conclusie dat de Nederlandse wetgever met de invoering van artikel 6, tweede lid aanhef en onderdeel e, van de Wet OB zijn in artikel 9, derde lid, onderdeel b Zesde BTW-richtlijn (c.q. artikel 58 BTW-richtlijn) niet heeft overschreden.
De overwegingen waarop het Hof die conclusie stoelt hebben echter uitsluitend betrekking op de uitleg van artikel 9 Richtlijn. Het Hof komt ten aanzien van artikel 9 Richtlijn tot de conclusie dat taalkundig bezien het derde lid terugslaat op het gehele artikel. Het Hof komt ten aanzien van artikel 9 Richtlijn tot de conclusie dat een wijzing betekenisloos zou zijn bij een andere uitleg. Het Hof komt ten aanzien van artikel 9 Richtlijn tot de conclusie dat de wetgeschiedenis van die Richtlijn de ruime toepassing van artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn insluit. En tenslotte overweegt het Hof dat de bij het arrest Athesia Druck door het Hof van Justitie gegeven uitleg van artikel 9 Richtlijn ook niet de ruime toepassing van artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn in de weg staat.
Het Hof verwijst dus vier keer naar artikel 9 Richtlijn, meer in het bijzonder naar de uitleg van de Richtlijn dat artikel 9, derde lid Richtlijn geacht moet worden terug te slaan op artikel 9 in het geheel en een situatie als in het onderhavige geding insluit. Het Hof laat echter na om te beoordelen of artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB ook, zoals kennelijk in de Richtlijn, geacht kan worden terug te slaan op artikel 6 in zijn geheel én een situatie als in het onderhavige geding insluit. Dat dient niet op basis van de Richtlijn, maar uiteraard op basis van de Wet OB beoordeeld te worden. Doordat het Hof dit onderzoek heeft nagelaten, heeft het Hof kennelijk uitsluitend op basis van de Richtlijn geoordeeld, hetgeen een schending is van het (communautaire) recht.
Wij wijzen er in dit verband nadrukkelijk op dat artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB materieel verschilt van artikel 9, derde lid Richtlijn, Waar in artikel 9, derde lid Richtlijn wordt verwezen naar ‘dit artikel’ — in de Franse taalversie: ‘en vertu de présent article’ —, wordt in artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB uitsluitend verwezen naar ‘diensten bedoeld in onderdeel d’. Dit verschil is juist waar het om draait (!). Kennelijk heeft het Hof daarmee directe werking van de Richtlijn aangenomen in het nadeel van belanghebbende, hetgeen uiteraard niet mag en kan.
2. Schending van artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (motiveringsklacht)
omdat het Gerechtshof kennelijk niet heeft geoordeeld over artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB
Toelichting op cassatiemiddel 2
Uit de hiervoor gegeven toelichting op cassatiemiddel 1 kwam naar voren dat het Hof heeft nagelaten te onderzoeken / te beoordelen of, op dezelfde manier als het Hof heeft overwogen ten aanzien van artikel 9 Richtlijn, artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB geacht kan worden terug te slaan op artikel 6 in zijn geheel én een situatie als in het onderhavige geschil insluit. De uitspraak van het Hof is daarmee niet of althans ondeugdelijk gemotiveerd en onbegrijpelijk en is gedaan op gronden die de uitspraak niet kunnen dragen.
3. Schending of althans verkeerde toepassing van artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn en/of schending van artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
omdat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat artikel 9, derde lid Richtlijn een situatie als in het onderhavige geding insluit.
Toelichting op cassatiemiddel 3
De kern van het onderhavige geschil wordt, anders dan het Hof meent, niet gevormd door de vraag of binnen de Richtlijn artikel 9, derde lid, onderdeel b alleen terugslaat op artikel 9, tweede lid, onderdeel e of op artikel 9 in zijn geheel. De taalkundige exercitie van het Hof gaat over deze vraag en raakt daarmee niet de kern. De kern van het geschil wordt gevormd door de vraag wat het toepassingsgebied is van artikel 9 Richtlijn. Immers, volgens het Athesia Druck arrest kan artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn uitsluitend werking hebben voor diensten die reeds onder toepassingsgebied van de Richtlijn vallen. Wij verwijzen naar het derde gedachtenstreepje in het dictum van dit arrest.
Het Gerechtshof meent kennelijk dat het toepassingsbereik van artikel 9 Richtlijn is beperkt tot het land van de dienstverrichter of het land van de afnemer1.. Een ander land (in Athesia Druck: Italië) kan geen aanspraak maken op heffing omdat dat de prestatie2. buiten het aan de Richtlijn ontleende toepassingsbereik van dat land valt.
Naar ons oordeel legt het Gerechtshof daarmee echter een onjuiste maatstaf aan. Het toepassingsgebied van de Richtlijn is namelijk beperkter, zoals wij reeds in hoger beroep uiteen hebben gezet. Het standpunt van het Gerechtshof komt er in wezen hierop neer dat alle diensten die waar dan ook ter wereld verricht worden binnen het toepassingsbereik van de Richtlijn liggen, ook de diensten van bijvoorbeeld een Amerikaanse dienstverlener aan een Mexicaan. Rechtsoverweging 33 uit het Athesia Druck arrest maakt echter duidelijk dat dit een onjuiste rechtsopvatting is. Juist artikel 9, eerste lid beperkt het toepassingsbereik van de Richtlijn tot dienstverrichtingen door een dienstverrichter die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of en vaste inrichting heeft gevestigd in de Gemeenschap.
Het gaat er dus niet om dat artikel 9, eerste lid technisch gezien een toets aanlegt over alle diensten die waar dan ook ter wereld verricht worden. Het gaat erom of ingevolge artikel 9, eerste lid een dienstverrichting binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn, dat wil zeggen binnen de Gemeenschap, valt. Het gaat met andere woorden om de uitkomst van de toets die met artikel 9 Richtlijn wordt aangelegd. Het toepassingsbereik van de Richtlijn is beperkt tot de uitkomst van deze toets die luidt: ‘binnen de Gemeenschap verricht’. Vervolgens is van belang dat artikel 9, tweede lid, onderdeel e Richtlijn3. het toepassingsbereik van de Richtlijn uitbreidt tot dienstverrichtingen aan belastingplichtigen binnen de Gemeenschap. Het toepassingsgebied van de Richtlijn wordt aldus generiek uitgebreid. Dat is geheel overeenkomstig de considerans bij de Zesde Richtlijn waarnaar het Hof van Justitie in het Athesia Druck arrest verwijst en waarnaar ook de Rechtbank Haarlem verwees. Tegelijkertijd bevat hetzelfde artikel 9, tweede lid, onderdeel e Richtlijn een beperking van het toepassingsgebied van de Richtlijn zoals dat zou volgen uit het eerste lid, namelijk voor diensten aan ontvangers buiten de Gemeenschap.
Zoveel is duidelijk dat volgens de Richtlijn, de pre-ambule ervan én het Athesia Druck arrest artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn geen generieke bepaling is die het toepassingsbereik van de Richtlijn kan uitbreiden. Het toepassingsbereik van artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn is beperkt tot het toepassingsgebied van artikel 9 Richtlijn. Wij verwijzen wederom naar ons hoger beroepschrift bij het Gerechtshof, met name punt 14. De dienst van Athesia Druck aan Oostenrijk kon wel onder artikel 9, derde lid, onderdeel b Richtlijn vallen gesteld dat in het binnenland van Italië sprake zou zijn van werkelijk gebruik en exploitatie. Die dienst zou immers op grond van artikel 9, eerste lid Richtlijn in het toepassingsbereik van Italië vallen, vervolgens zou artikel 9, tweede lid, onderdeel e het toepassingsbereik beperken, maar neemt het derde lid die beperking weer weg.
Opvallend is in dit verband dat het Gerechtshof de wetsgeschiedenis van de Richtlijn aanhaalt. Kennelijk heeft de wetgever aanvankelijk een generiek toepassingsbereik van een bepaling voor diensten aan niet-belastingplichtigen binnen de Gemeenschap voor ogen gestaan. Zoals het Hof echter in overweging 6.5 ook constateert is de betreffende bepaling echter niet als zodanig in de tekst van de Richtlijn opgenomen. In de Richtlijn is in artikel 9, derde lid Richtlijn slechts een afhankelijke, niet generieke4. bepaling opgenomen. Mede in aanmerking nemend de pre-ambule en de uitleg van het Hof van Justitie bij deze bepaling moet geconstateerd worden dat de (beste) bedoelingen van de Europese wetgever in eerste aanleg ten spijt, aan die bedoelingen nadien geen gevolg is gegeven. Het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting van het Hof om die aanvankelijke bedoelingen vervolgens wel in aanmerking te nemen.
Wat tenslotte de overweging van het Hof in punt 6.4 betreft, stellen wij vast dat die niet ter zake doet. Naar het ons voorkomt zijn bij deze wijziging de bedoelingen van de Richtlijngever wel evident, namelijk het scheppen van een generieke uitbreiding van het toepassingsbereik van artikel 9 Richtlijn. Of de richtlijngever hierin is geslaagd is in het onderhavige geschil niet de vraag. Wat wij waarnemen is een inconsistente poging om generieke werking tot stand te brengen in een bepaling die juist niet generiek van aard is- Het Hof hanteert een onjuiste rechtsopvatting door deze inconsistentie als argument te gebruiken voor het handhaven van een naheffingsaanslag die is gebaseerd op een andere inconsistentie, namelijk die in het tweede lid, onderdeel e van artikel 6 Wet OB. Dat maakt de uitspraak van het Hof voorts onbegrijpelijk en ondeugdelijk gemotiveerd.
4. Schending of althans verkeerde toepassing van artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB en/of schending van artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
omdat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat een situatie als in het onderhavige geding onder artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB valt.
Toelichting op cassatiemiddel 4
Zoals in de toelichting op het eerste cassatiemiddel reeds naar voren kwam, kan de bevoegdheid een naheffingsaanslag op te leggen uitsluitend ontleend worden aan de Nederlandse wet op de omzetbelasting 1968. Artikel 6, tweede lid, onderdeel e, onder 1o Wet OB van deze wet verwijst expliciet naar ‘diensten, bedoeld in onderdeel d, 1o tot en met 7o’.
Niet in geschil is dat artikel 6, tweede lid, onderdeel d, 1o tot en met 7o in deze zaak niet van toepassing is. Weliswaar is sprake van diensten door raadgevende personen, maar anders dan bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel d is in casus geen sprake van een ondernemer of andere dan ondernemer voor zover zij buiten de Gemeenschap is gevestigd. Belanghebbende is immers een andere dan ondernemer die binnen de Gemeenschap is gevestigd. Omdat artikel 6, tweede lid, onderdeel e, onder 1o Wet OB verwijst naar diensten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel d, 1o tot en met 7o en van diensten in laatstbedoelde zin geen sprake is, kan van heffing geen sprake zijn.
Indien u mocht oordelen dat de verwijzing naar onderdeel d in artikel 6, tweede lid, onderdeel e uitsluitend ziet op de aard van de diensten (naar analogie van hetgeen het Gerechtshof ten aanzien van artikel 9 Richtlijn heeft overwogen), dan merken wij op dat de diensten in het onderhavige geschil ook niet onder de reikwijdte van artikel 6 in zijn geheel vallen.
De diensten in het onderhavige geschil vallen niet binnen de reikwijdte van artikel 6, eerste lid Wet OB (immers niet belastbaar in Nederland, noch in de Gemeenschap) en ook niet binnen de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, onderdelen a tot en met d Wet OB zoals ook is aangetoond. Aldus kan van heffing op grond van artikel 6, tweede lid, onderdeel e geen sprake zijn. Wij verwijzen verder naar de toelichting op het derde cassatiemiddel.
Mocht u tenslotte oordelen dat artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB wel de diensten als in het onderhavige geschil insluit en bijgevolg heffing rechtvaardigt, dan is artikel 6, tweede lid, onderdeel e Wet OB strijdig met artikel 9, derde lid Richtlijn waarop belanghebbende alsdan een direct beroep doet. Bij de toelichting op het derde cassatiemiddel hebben wij aangetoond dat de Richtlijn diensten als in het onderhavige geschil immers uitsluit. Het Hof heeft dit miskent en daarmee het recht geschonden.
Conclusies
De vier voorgestelde cassatiemiddelen leiden alle en voor zichzelf tot vernietiging van de uitspraak van het Gerechtshof en bijgevolg tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de opgelegde naheffingsaanslag.
Mocht u menen dat met dit cassatieberoep uitleggingvragen ten aanzien van de Richtlijn rijzen (geen ‘acte clair’), dan verzoeken wij u om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Verzoek om proceskostenvergoeding
Wij verzoeken u op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht om een proceskostenvergoeding.
Hoogachtend
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑10‑2014
Wij beperken ons hier zoals het Gerechtshof kennelijk ook doet, tot artikel 9, eerste lid Richtlijn en artikel 9, tweede lid, onderdeel e Richtlijn. Duidelijk is dat bijvoorbeeld bij diensten ten aanzien van onroerende zaken de Richtlijn ook een generiek ander toepassingsbereik heeft (artikel 9, tweede lid, onderdeel a).
Als in Arthesia Druck: reclamediensten (zie noot 1)
Onder andere, zie noot 1
Hieronder verstaan wij een bepaling die geen eigen toepassingsbereik creëert.