Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.10
8.10 Bespreking voorbeeld traceren gestolen auto
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950274:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.1 voor het bedoelde voorbeeld.
Voor zover het wederkerige verbintenissen zijn als bedoeld in art. 6:261 BW, zou de autofabrikant tevens opschortingsbevoegd kunnen zijn op grond van de in art. 6:262 BW geregelde enac (zie § 2.3).
Zie over deze wijze van motivering § 4.5.
Zie § 4.4. In het bij het voorbeeld genoemde geval waarin de betalingsverplichting betrekking heeft op een andere auto van Ritger ligt het daarom te minder voor de hand om aan te nemen dat aan het samenhangcriterium zou zijn voldaan.
Zie § 6.3.2.1, § 6.3.2.2 en § 6.3.2.5.
Zie § 6.3.3.
Zie § 6.3.2.2.
Tot slot keer ik nog eens terug naar het in § 1.1 gegeven voorbeeld over het traceren van de gestolen auto. In dat voorbeeld schort de autofabrikant de nakoming van zijn verbintenis tot het traceren van de gestolen auto op in verband met zijn vordering op Ritger tot betaling van de openstaande facturen voor abonnementsprijs.1 Ik beantwoord de vraag of de autofabrikant mijns inziens opschortingsbevoegd is op grond van artikel 6:52 BW en of hij die bevoegdheid mag uitoefenen.
Tussen partijen bestaan opeisbare verbintenissen over en weer en beide partijen zijn tot nakoming van die verbintenissen in staat. Deze verbintenissen zijn ontstaan uit dezelfde overeenkomst. Zij hebben daarom dezelfde juridische grondslag en vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding.2 In beginsel bestaat tussen deze verbintenissen voldoende samenhang om de opschorting door de autofabrikant te rechtvaardigen. Uit het voorbeeld blijken geen omstandigheden die tot een ander oordeel over het samenhangcriterium leiden of kunnen leiden, zodat ik aansluit bij het uitgangspunt dat aan het samenhangcriterium is voldaan.3 Bij het voorbeeld heb ik onder andere de vraag opgeworpen of de vereiste samenhang om opschorting te rechtvaardigen ook bestaat tussen een verplichting tot betaling van een factuur voor door de autofabrikant uitgevoerde reparaties aan de auto en de activatie van het volgsysteem. Ik denk dat dit niet zo is. Ik denk dat uit de alsdan bestaande afzonderlijke overeenkomsten tussen partijen niet de continuïteit blijkt die benodigd is om uit te kunnen gaan van de omstandigheid dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, omdat deze overeenkomsten naar hun aard en inhoud niet soortgelijk of vergelijkbaar zijn. Overige omstandigheden die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden, zijn uit het voorbeeld niet gebleken. Mij lijkt de enkele omstandigheid dat de overeenkomsten betrekking hebben op dezelfde auto niet voldoende.4
De autofabrikant is bevoegd zijn verplichting tot activatie van het volgsysteem uit te stellen totdat Ritger de openstaande facturen heeft voldaan. De autofabrikant heeft deze opschortingsbevoegdheid vervolgens uitgeoefend door aan Ritger mede te delen bereid te zijn het volgsysteem in de auto te activeren nadat Ritger de openstaande facturen heeft voldaan. Deze mededeling heeft Ritger bereikt, zodat de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht in beginsel intreden.
Wat mij betreft is bij het voorbeeld de meeste discussie mogelijk over de vraag of de autofabrikant van zijn opschortingsrecht gebruik mag maken. Het voorbeeld is gebaseerd op een krantenbericht, waaruit blijkt dat de openstaande abonnementsprijs $ 150 was. In het licht van de vermoedelijk veel hogere waarde van de gestolen auto, zou ras sprake kunnen zijn van een onevenredige verhouding tussen de waarde van de verbintenissen over en weer en aangezien de verplichting tot activatie van het volgsysteem ook niet deelbaar is, zou de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen zijn.5 Daar kan ook anders over worden gedacht. De abonnementsprijs heeft betrekking op de verplichting tot activatie van het volgsysteem. De waarde van de verbintenissen over en weer is min of meer gelijk. Dat de activatie van het volgsysteem het vervolgens mogelijk maakt een auto van een zekere waarde te traceren, brengt niet zonder meer mee dat de waarde van die auto ook betrokken dient te worden bij de waardering van de verplichting. Vanuit deze gedachte is niet zonder meer sprake van een onevenredige waardeverhouding tussen de verbintenissen. De waarde van de auto speelt denk ik veeleer een rol bij de vraag in hoeverre Ritger onevenredig in zijn belangen wordt geraakt door de gevolgen van de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid.6 Door het vooralsnog uitblijven van de activatie van het volgsysteem kan hij zijn auto van een zekere waarde niet traceren. Ook dat behoeft evenwel op zichzelf nog niet in de weg te staan aan de uitoefening van een opschortingsrecht door de autofabrikant, omdat het algemene opschortingsrecht tevens fungeert als een pressiemiddel tot nakoming. Doordat de auto een zekere waarde heeft en de openstaande abonnementsprijs, te meer in dat licht, relatief laag is, kan Ritger een stevige prikkel tot nakoming van zijn betalingsverplichting voelen.7 Bij het voorgaande weeg ik mee dat de autofabrikant geen reëel alternatief lijkt te hebben, zodat redenen van doelmatigheid niet lijken mee te kunnen brengen dat hij dient af te zien van het uitstellen van zijn verplichting tot activatie van het volgsysteem. Het is ten slotte zonder meer duidelijk dat de autofabrikant betaling van de abonnementsprijs wenst. Ik neig er daarom naar te concluderen dat de autofabrikant in dit geval zijn verplichting tot activatie van het volgsysteem mag opschorten.
In het krantenbericht waarop het voorbeeld is gebaseerd, werd verslag gedaan van een geval waarin ten tijde van de diefstal van de auto nog een 2-jarige zoon op de achterbank zat. Met het traceren van de gestolen auto kon dus tevens een kinderontvoering worden opgelost. Wat mij betreft staat buiten kijf dat in die omstandigheid onverkort nakoming kan worden verlangd van de autofabrikant, ondanks dat de abonnementsprijs nog niet is voldaan. In dat geval is de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat daardoor de ouder van de zoon en de zoon zelf onevenredig in hun belangen worden geschaad.
* * *