Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.7:8.7 Beantwoording centrale vraag
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.7
8.7 Beantwoording centrale vraag
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950383:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De centrale vraag van dit onderzoek is wanneer een schuldenaar een opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:52 BW heeft en wanneer mag hij dit binnen en buiten rechte uitoefenen. In deze paragraaf beantwoord ik deze centrale vraag op hoofdlijnen. Daarbij passeren ook de vereisten van het algemene opschortingsrecht de revue. Zoals in § 8.3 aan de orde is gekomen, bestaan op vrijwel al deze vereisten uitzonderingen, behalve op het samenhangcriterium, behoudens voor zover partijen op dat criterium een uitzondering zijn overeengekomen. Deze uitzonderingen laat ik in deze paragraaf achterwege.
Artikel 6:52 lid 1 BW bepaalt dat de schuldenaar die een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft, bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Op grond van artikel 6:52 lid 2 BW kan voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen onder meer worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.
Voor opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW is wederzijds schuldenaarschap vereist. Partijen zijn elkaars schuldeiser en schuldenaar. Tussen hen bestaan een of meerdere verbintenissen over en weer. De op grond van artikel 6:52 lid 1 BW opschortingsbevoegde partij is de in dat artikellid genoemde schuldenaar. De daarin genoemde schuldeiser is zijn wederpartij. De verbintenis van de schuldenaar en de verbintenis van zijn wederpartij moeten opeisbaar zijn. Tevens is vereist dat de schuldenaar tot nakoming van zijn verbintenis in staat is. Hij is slechts bevoegd een op zichzelf mogelijke nakoming van zijn verbintenis uit te stellen. Ook de wederpartij moet tot nakoming van haar verbintenis in staat zijn. Voor haar mag nakoming van haar verbintenis niet blijvend onmogelijk zijn. Tot slot dient tussen de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij en zijn verbintenis jegens die wederpartij voldoende samenhang te bestaan om opschorting in het concrete geval te rechtvaardigen. Anders dan doorgaans wordt aangenomen, bestaat dit samenhangcriterium mijns inziens niet uit een vereiste van ‘voldoende samenhang’ en een vereiste ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’. De beoordeling van dit samenhangcriterium is een redelijkheids- en billijkheidstoets. Of voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer om deze opschorting te rechtvaardigen bestaat, wordt bepaald door de redelijkheid en billijkheid. De redelijkheid en billijkheid brengen die samenhang tot stand. Die toets is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. De omstandigheid dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, zoals bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW, brengt mee dat in beginsel aan het samenhangcriterium is voldaan. Tevens kan in gevallen waarin zich andere feiten en omstandigheden voordoen aan het samenhangcriterium zijn voldaan.
Als aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, is de schuldenaar op grond van artikel 6:52 BW bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat zijn wederpartij zijn vordering heeft voldaan. Om de rechtsgevolgen van dit opschortingsrecht te doen intreden, dient de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid uit te oefenen door aan zijn wederpartij mede te delen dat hij de nakoming van zijn verbintenis uitstelt in verband met zijn vordering op zijn wederpartij.
De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is onderworpen aan de werking van de redelijkheid en billijkheid. De schuldenaar mag van zijn algemene opschortingsrecht geen gebruik maken als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij zijn opschortingsbevoegdheid uitoefent. De beoordeling daarvan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt het aan op een afweging van de bij die uitoefening betrokken belangen van partijen. In het licht van de omstandigheden van het geval dient de uitoefening van het algemene opschortingsrecht doelmatig en evenredig te zijn.