Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/13.2.3
13.2.3 Noorse variant en eenheid van procesrecht
prof. mr. R. Schlössels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. R. Schlössels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hierover uitvoerig: L.A. Kjellevold-Hoegee, Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden, Deventer: Kluwer 2011, i.h.b. p. 225 e.v. Ook het Deense recht biedt inspiratie. Vgl. Backes 2009, p. 45.
K.J. de Graaf & A.T. Marseille, ‘Meer bestuursrechtelijke geschillen voor de bestuursrechter?’, in: A.T. Marseille e.a. (red.), Behoorlijk bestuursprocesrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015, p. 471 e.v. Zie reeds eerder: B. Marseille, ‘Triomf van het bestuursprocesrecht’, NJB 2014/2210, p. 3067 e.v.
Aan het begin van de jaren negentig, ten tijde van de komst van de Awb, was wel meer aandacht voor ‘afschaffing’ van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Vgl. Backes 2009, p. 44 onder verwijzing naar N. Verheij, Bevoegdheidsverdeling tussen burgerlijke rechter en bestuursrechter, Deventer: Kluwer 1994, p. 50.
https://www.rechtspraak.nl/Site Collection Documents/Startnotitie-naar-een-uniform-procesrecht.pdf. Deze notitie was medio oktober 2018 nog via internet beschikbaar.
Startnotitie 2012, p. 17.
Het bestaan van de bestuursrechter (met name in eerste aanleg) steunt dus in belangrijke mate op een procesrechtelijke afweging. In civiele en bestuursrechtelijke zaken zouden we daarom prima kunnen volstaan met één type rechter – laten we dat dan maar gemakshalve de burgerlijke rechter noemen – die in bepaalde geschillen in aanvulling op, of in afwijking van het ‘algemene procesrecht’ bijzonder procesrecht toepast. De aard van een geschil is dan bepalend voor het toepasselijke procesrecht, maar niet voor de bevoegdheid van de rechter of het bestaan van een bijzonder type rechter.
Dit is geen fictief stelsel. In sommige landen is het realiteit. Noorwegen kent bijvoorbeeld geen afzonderlijke bestuursrechtspraak.1 Het Noorse ‘piramidale’ stelsel van rechtspraak voorziet, net als het Nederlandse, in rechtbanken, gerechtshoven en een Hoge Raad. De ‘gewone’ rechter biedt in Noorwegen tevens rechtsbescherming in bestuursrechtelijke geschillen. Deze geschillen kunnen betrekking hebben op beschikkingen, andere besluiten – waaronder algemeen verbindende voorschriften – feitelijke bestuurshandelingen en privaatrechtelijke handelingen.
Alle geschillen worden beslecht op basis van algemeen procesrecht, waarbij slechts op zeer beperkte schaal is voorzien in specifieke regels voor (bepaalde) bestuursrechtelijke geschillen. De rechter beschikt over een algemene competentie die uitgaat van de gestelde rechtsvordering. De uitspraakbevoegdheden van de Noorse rechter zijn divers. Te denken valt aan de ongeldigverklaring, de verklaring voor recht (declaratoir), toekenning van schadevergoeding en verbod en gebod. Ongelijkheidscompensatie en rechterlijke activiteit (niet-lijdelijkheid) zijn algemene procesrechtelijke uitgangspunten waar de rechter rekening mee moet houden. Zo tekent zich een transparant stelsel af dat flexibel, geïntegreerd, gevarieerd én compleet kan opereren.
Nog niet zo lang geleden hebben De Graaf en Marseille2 in ons land de aandacht opnieuw gevestigd op de mogelijkheid van één procedure voor alle bestuursrechtelijke en civielrechtelijke geschillen. Een rechterlijke competentiescheiding tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter zou dan tot het verleden behoren.3 Zij wezen op het NJV-preadvies van Brenninkmeijer uit 1991. De Graaf en Marseille wezen verder op het document ‘Startnotitie Naar een uniform procesrecht, Versie 1.0’ uit 2012.4 Dit document (opgesteld naar aanleiding van de zgn. ‘Goede Vrijdag Conferentie’) wilde de wetgever eveneens in de richting dirigeren van één samenhangende proceswet. De gedachte maakte echter geen indruk op de wetgever die vooral oog had voor de digitalisering van procesrecht en vereenvoudiging van de civiele procedure. Rode draad van het document: één algemene (verzoekschrift)procedure waarin het huidige beroepsmodel opgaat en een aantal specifieke bepalingen voor bijzondere (bestuursrechtelijke) procedures. Zo zou het verzoek dat inhoudt de (gedeeltelijke) vernietiging van een besluit moeten worden ingesteld binnen zes weken na het bekend maken van het besluit.5