Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.6.4:1.6.4 Plaatsing van het opportuniteitsbeginsel als beginsel
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.6.4
1.6.4 Plaatsing van het opportuniteitsbeginsel als beginsel
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sinds de inwerkingtreding van de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken, Stb. 2011, nr. 601, in art. 152 lid 2 Sv van een wettelijke grondslag voorzien onder de voorwaarde dat het opmaken van proces-verbaal onder verantwoordelijkheid van het OM geschied.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met gebruikmaking van deze laatste theorie kan het opportuniteitsbeginsel in zijn ene betekenis worden opgevat als een regel, en het opportuniteitsbeginsel in zijn andere betekenis als een uitgangspunt dat de rationalisering is van een geheel aan regels. Het sepot van artikel 167 Sv is dan één van de vele regels die deel uitmaken van het Nederlandse strafrecht, net als de bevoegdheid van de politie om aangiften niet op te nemen,1 en de bevoegdheid van de officier van justitie om een bepaald gedeelte van het beschikbare feitenmateriaal te selecteren als grondslag voor de tenlastelegging. Deze verschillende rechtsregels kunnen worden gerationaliseerd: ze dienen bijvoorbeeld om het strafrechtelijk systeem niet te zeer te belasten, om persoonlijke omstandigheden mee te laten wegen, of om een disproportionele reactie op een weinig strafwaardig feit te voorkomen. Kortom, de reden achter deze rechtsregels kan worden gevonden in de wens om opsporing en vervolging afhankelijk te maken van het algemeen belang. Die verschillende functies die de bestaansreden van deze rechtsregels vormen kunnen worden gerationaliseerd vanuit een intern perspectief. Daarop zal nu niet verder op worden ingegaan maar deze zullen in dit onderzoek wel nader aan de orde komen.
Het beginsel dat door rationalisering van deze verschillende rechtsregels kan worden geïdentificeerd is het opportuniteitsbeginsel in zijn betekenis als rechtsbeginsel. Zoals hierboven geformuleerd, kan een dergelijk beginsel worden gezien als de rationele neerslag van verschillende rechtsregels, die op zijn beurt ook normatieve lading kan bezitten. Deze opvatting van het opportuniteitsbeginsel kan ook wel worden geformuleerd als de norm dat opsporing en vervolging afhankelijk moeten kunnen worden gemaakt van een beoordeling van het algemeen belang. In die formulering komen de doeleinden tot uitdrukking die uit de verschillende rechtsregels kunnen worden afgeleid, en waarmee vanuit een intern perspectief beschouwd de algemene conceptualisering van die rechtsregels zelf normatieve kracht bezit. Op deze manier opgevat is het opportuniteitsbeginsel geen beginsel dat wordt afgewogen tegen andere beginselen, maar een conceptualisering van bestaande rechtsregels. De aldus geconceptualiseerde norm kan zelf ook aan verandering onderhevig zijn, ofwel als gevolg van een verandering van de verschillende rechtsregels waarvan het een conceptualisering is, ofwel als gevolg van een verandering in de rationalisering van die onderliggende rechtsregels. De keuze voor dit perspectief brengt de erkenning van de veranderlijkheid van dit beginsel met zich mee, maar tegelijkertijd ook de erkenning van de normatieve lading ervan.
In het vervolg van dit proefschrift wordt de term ‘opportuniteitsbeginsel’ gebruikt voor dit algemene strafrechtelijke uitgangspunt. Uiteindelijk is het dat uitgangspunt dat in de vraagstelling centraal staat, en waarvan zijn betekenis in de context van de geëuropeaniseerde rechtsorde wordt onderzocht. Wanneer concrete discretionaire bevoegdheden omtrent opsporing en vervolging worden behandeld wordt daarvoor niet de term ‘opportuniteitsbeginsel’ gebruikt, maar wordt bijvoorbeeld gesproken over ‘de seponeringsbevoegdheid van artikel 167 Sv’, over het politiesepot of over de bevoegdheid om een bepaalde selectie te maken in het opstellen van de tenlastelegging. Dat heeft als nadeel dat in veel gevallen gebruik moet worden gemaakt van weinig beknopte termen, maar dat bezwaar weegt mijns inziens niet op tegen het terminologische voordeel dat wordt behaald met het reserveren van de term ‘opportuniteitsbeginsel’ voor het algemene uitgangspunt.