Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/6.3.3
3.3 Aansprakelijkheid van vakorganisaties voor collectieve actie
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS382846:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 april 1991, NJ 1991, 690, m.nt. Stein.
Zie Kroeze 2004, p. 79 voor een uitgebreide bespreking van dit arrest.
HR 12 december 1997, NJ 1998, 348.
Rechtbank Amsterdam, 25 juli 2007, RAR 2007, 148.
Zie ook Rechtbank Utrecht, 28 april 1992, JAR 1992/49 (Anthonie Priem), en Rechtbank Amsterdam (Voorzieningenrechter) 7 februari 2013, RAR 2013/90, waarin in kort geding door de vakorganisaties georganiseerde bedrijfsbezettingen onrechtmatig werden geoordeeld.
Zie bijvoorbeeld President Rechtbank Amsterdam, 13 april 2001, JAR 2001/106 (Jaarbeurs Utrecht), Gerechtshof Amsterdam, 9 januari 2003, JAR 2003/34 (Actie Gratis Openbaar Vervoer), en Rechtbank Arnhem 5 november 2004, JAR 2004/252, waarin vorderingen gerelateerd aan vergoeding van schade wegens staking zijn afgewezen.
In dit hoofdstuk beschreef ik dat het recht op collectieve actie van de vakorganisaties niet onbeperkt is; onder omstandigheden kan dit leiden tot de verplichting tot vergoeding van door hen veroorzaakte schade. Dat laatste doet zich vooral voor wanneer de vakorganisaties overgaan tot het uitroepen of steunen van een bedrijfsbezetting.
In het standaardarrest FNV/Kip-Sloetjes1 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat bescherming van artikel 6 lid 4 ESH betrekking heeft op de algehele, zich tegen de werkgever richtende werkstaking als het normale type van collectieve actie van werknemers. In deze zaak waren de vakorganisaties overgegaan tot een bedrijfsbezetting van het hoofdkantoor van Elka, een groothandel voor supermarkten, waarvan Kip en Sloetjes enige aandeelhouders en bestuurders waren. De bezetting werd georganiseerd nadat de werknemers het vertrouwen in hen hadden verloren. Het doel dat de bonden met de bedrijfsbezetting wilden bereiken was de verbreking van alle banden tussen Kip, Sloetjes en de onderneming van Elka. Zij hadden het oogmerk een zodanige beleidswijziging bij Elka te bewerkstelligen dat, in het belang van de werkgelegenheid, de continuïteit van de onderneming zou worden veiliggesteld.
Mede gezien het rigoureuze karakter ervan oordeelde de Hoge Raad dat de actie van bonden zo ver aflag van het normale type van collectieve actie, dat deze niet als geoorloofd in de zin van artikel 6 lid 4 ESH kon worden beschouwd. Dit bracht met zich mee dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de actie van de vakorganisaties diende te geschieden volgens het nationale burgerlijk recht. Gezien het door de bonden nagestreefde doel – het defungeren van Kip en Sloetjes wegens wanbeleid – stond voor de bonden de weg open van het uitoefenen van het recht van enquête, wat kon leiden tot schorsing of ontslag van bestuurders en tot tijdelijke aanstelling van één of meer bestuurders, dus tot een maatregel die een einde kon maken aan het conflict. De actie van de bonden moest daarom als onrechtmatig worden gekwalificeerd en de daardoor veroorzaakte schade door de bonden worden vergoed.2
De vraag naar gehoudenheid tot vergoeding van schade na collectieve actie kwam ook aan de orde in het arrest van de Hoge Raad over de bedrijfsbezetting bij Klieverik.3 Als gevolg van een bedrijfsbezetting raakte deze machinefabriek in Oldenzaal in staat van faillissement. De bezetting richtte zich tegen het door Klieverik in 1992 opgestelde strategisch plan, waarin een ingrijpende reorganisatie was voorgesteld. Het hof ging ervan uit dat de bedrijfsbezetting gericht was op het veiligstellen van de toekomst van de onderneming en op het doen opstellen van een sociaal plan. Daarom was de actie in beginsel te beschouwen als een collectieve actie in de zin van artikel 6 lid 4 van het ESH. De bezetting was niettemin onrechtmatig, omdat op dat moment nog geen sprake was van een vastgelopen overleg, waardoor de vakorganisatie Klieverik – die met hetzelfde oogmerk om de onderneming te continueren aan een reorganisatieplan werkte – volledig buitenspel had gezet.
In cassatie ging het geschil alleen nog om de vraag of de vakbond gehouden was tot vergoeding van de schade aan de enig aandeelhouder van de vennootschap (Ventaz), doordat haar aandelen als gevolg van de bedrijfsbezetting en het daarop gevolgde faillissement niets meer waard waren. De Hoge Raad hield vast aan het uitgangspunt dat in beginsel alleen de vennootschap het recht heeft om schade te vorderen indien door een derde schade wordt toegebracht. Het hof had vastgesteld dat Ventaz niet aannemelijk wist te maken dat de bedrijfsbezetting bedoeld was om haar als aandeelhouder van Klieverik te schaden. Met name was onvoldoende aangetoond dat de vakbond het personeel had aangezet tot het aanvragen van een faillissement en de pogingen van Ventaz om eigen vermogen aan te trekken of tot samenwerking met derden te komen had geblokkeerd. Daardoor kon niet worden geoordeeld dat de bond ook jegens Ventaz onrechtmatig had gehandeld.
In een vervolgprocedure werd FNV Bondgenoten overigens wel veroordeeld tot vergoeding van de schade van onrechtmatige bedrijfsbezetting jegens de (herleefde) vennootschap.4 De rechtbank volgde de waardebepaling van de vennootschap uit een deskundigenrapport en veroordeelde FNV tot betaling van 2,8 miljoen euro voor de opkomende schulden en 2,6 miljoen euro voor de verloren gegane waarde van de vennootschap, alsmede over die bedragen verschuldigde vennootschapsbelasting en een bedrag van 127.000 euro voor de kosten die verband hielden met de ‘herleving’ van de vennootschap en de schadeclaim.
Ik concludeer uit deze jurisprudentie dat de bedrijfsbezetting in haar algemeenheid wordt beschouwd als een middel dat zo ver afstaat van het normale type van collectieve actie, dat vakorganisaties een ernstig risico lopen dat deze actie als onrechtmatig wordt gekwalificeerd en de daaruit voortvloeiende schade aan de vennootschap – en onder omstandigheden ook haar aandeelhouders – moet worden vergoed.5 Bij stakingen en andere normale vormen van collectieve actie ligt de drempel voor een veroordeling tot schadevergoeding veel hoger. Dit is inherent aan de regeling van artikel 6 lid 4 ESH, die ervan uitgaat dat het toebrengen van schade nu juist een van de essentiële en geoorloofde onderdelen van het stakingswapen is.6