Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.5.1
4.5.1 Algemene uitgangspunten
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466778:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dat deze ontvankelijkheidsdrempel in de praktijk overigens laag is, blijkt onder andere uit: OK 29 juli 2002,ARO 2002, 123, r.o. 3.1 (Sport- en Racketcentrum ‘Rottemeren’); OK 3 februari 2004,ARO 2004, 34, r.o. 3.2 (Headscanning Patent); OK 24 maart 2004,ARO 2004, 41, r.o. 3.1 en 3.2 (De ZorgZaak Holding); OK 21 juni 2005,ARO 2005, 98, r.o. 3.1 (Knapen Trailers International); OK 27 december 2006,ARO 2007, 4, r.o. 3.5 (Woudwood). Vergelijk ook OK 28 maart 2007,ARO 2007, 67, r.o. 3.1-3.8 (Koninklijke DSM).
Vergelijk Schaafsma-Beversluis (Rechtsvordering), art. 279 Rv, aant. 2B.
Zie voor een beknopt maar helder overzicht hiervan de conclusie (overweging 2.3-2.6) van A-G Wesseling-van Gent bij HR 17 februari 2006,NJ 2006, 156.
De OK dient er op toe te zien dat tussen de bezwaren en de in het verzoekschrift opgesomde gronden een zodanig nauw verband bestaat dat gezegd moet worden dat zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, alsook dat het enquêterecht niet wordt gebruikt voor andere redenen dan waarvoor het is gegeven: HR 1 oktober 1986,NJ 1987, 914, r.o. 4.1 (Briljant); HR 18 juni 1980,NJ 1981, 547 (m.nt. Maeijer); HR 6 oktober 1993,NJ 1994, 300, r.o. 3.1 en 3.2 (Bobel).183. Zie bijvoorbeeld OK 13 maart 2008,ARO 2008, 57, r.o. 3.3 (X Holding). Vergelijk art. 2.1.2.7Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008.
Zie bijvoorbeeld OK 13 maart 2008, ARO 2008, 57, r.o. 3.3 (X Holding). Vergelijk art. 2.1.2.7Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008.
Vergelijk OK 5 augustus 2008,ARO 2008, 133, r.o. 3.2 en 3.3 (Rokin87): de OK overweegt dat geen rechtsregel inhoudt of meebrengt dat in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige bekende verweren op straffe van nietigheid in het verzoekschrift dienen te worden vermeld. Dit oordeel is juist: de in art. 111 lid 3 Rv vervatte substantiëringsplicht geldt alleen voor de dagvaardingsprocedure. Aldus ook Tjong Tjin Tai (Rechtsvordering), art. 111 Rv, aant. 17.
Het is belanghebbenden ook toegestaan om tijdens de mondelinge behandeling mondeling verweer te voeren, aldus art. 2.1.3.6Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008.
Art. 2.1.3.1Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008.
Aldus OK 18 december 2006,ARO 2007, 2, r.o. 1.6 (Enginetronic Innovations), tegen welke wijziging ook weer een verweerschrift is ingediend. Zie voor voorbeelden van wijzigingen ter terechtzitting: OK 3 februari 2004,ARO 2004, 34 (Headscanning Patent); OK 16 oktober 2006, ARO 2006, 173 (Doorzand Medical Innovations).
Ingevolge art. 130 Rv kan de rechter op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering buiten beschouwing laten. Vergelijk HR 9 mei 1990,NJ 1990, 829, r.o. 3.5 (Claybo): ‘Toepassing van art. 429i Rv (thans art. 283 Rv, FV) in enquêtezaken dient (...) achterwege te blijven indien daardoor de in de art. 2: 346 en/of 349 BW gestelde eisen zouden worden ontgaan. Daarvan is in het algemeen sprake, indien tussen de in de loop van de procedure aangevoerde nieuwe grond en de in het inleidende verzoekschrift vervatte bezwaren zo weinig verband bestaat dat niet gezegd kan worden dat de nieuwe grond betrekking heeft op hetzelfde onderwerp.’
Wesseling-van Gent (Rechtsvordering), art. 19 Rv, aant. 1. Art. 19 Rv luidt: ‘De rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.’
HR 30 maart 2007,JOR 2007, 138, r.o. 4.4 (ATR Leasing, m.nt. Josephus Jitta).
Wesseling-van Gent (Rechtsvordering), art. 19 Rv, aant. 1.
Zie de conclusie (overweging 2.5 en 2.6) van A-G Wesseling-van Gent bij HR 17 februari 2006,NJ 2006, 156.
Vergelijk: HR 29 juni 1990,NJ 1990, 732, r.o. 3.2; HR 29 november 2002,NJ 2004, 172, r.o. 3.6.2 (m.nt. Snijders).
113. Ingevolge art. 2: 349 lid 1 BW is een verzoeker slechts ontvankelijk in zijn verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen indien hij tevoren schriftelijk zijn bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken kenbaar heeft gemaakt aan het bestuur en de RvC en sindsdien een zodanige termijn is verlopen dat de vennootschap redelijkerwijs de gelegenheid heeft gehad deze bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. Doel van deze bepaling is dat de vennootschap niet wordt overvallen met een enquêteverzoek.1 De wetgever heeft echter in het midden gelaten welke een ‘zodanige’ termijn is. Dezelfde onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de termijnen die in acht genomen dienen te worden nádat het verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen ter griff ie van de Ondernemingskamer is ingekomen: hoeveel tijd dient de vennootschap en overige belanghebbenden redelijkerwijs te worden gegund om kennis te nemen van het verzoekschrift en nadere producties en hun verweer voor te bereiden? Deze vraag – die is terug te voeren op het beginsel van hoor en wederhoor, hetgeen tevens het verdedigingsbeginsel (ook wel het gelijkheidsbeginsel – equality of arms – genoemd) waarborgt2– is blijkens de enquêtejurisprudentie relevant, nu daaruit blijkt dat de Ondernemingskamer de mondelinge behandeling soms op een erg korte termijn bepaalt (zie het volgende tekstnummer). De enquêteregeling noch art. 278 e.v. Rv bevat enige aanwijzing omtrent de vraag welke een redelijke termijn is. In art. 279 lid 1 Rv is alleen voorgeschreven dat de rechter ‘onverwijld’ dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt. Ook wat dit betreft is echter geen termijn opgenomen.3 De (procesrechtelijke) literatuur en rechtspraak bieden eveneens weinig houvast, nu hierin veelal wordt volstaan met de weergave van algemene uitgangspunten.4
Art. 278 lid 1 Rv bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een duidelijke omschrijving dient te bevatten van het verzoek en de gronden waarop het berust.5 Het niet-naleven van dit vereiste leidt tot niet-ontvankelijkheid, zij het dat de Ondernemingskamer toestaat dat in een aanvullend verzoekschrift alsnog de gronden (nader) worden aangevuld.6 Op grond van art. 2.2.3.3Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008 dient het verzoekschrift eveneens een duidelijke aanduiding te bevatten van de naam en het adres van de verweerders en eventuele belanghebbenden. Niet vereist is dat verzoeker daarin ook de hem bekende verweren van de vennootschap of andere belanghebbenden verwerkt.7 De Ondernemings-kamer beveelt de oproeping van de verzoeker(s) en voor zover nodig van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden (art. 279 lid 1 Rv). Iedere belanghebbende (daaronder begrepen de vennootschap) kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de Ondernemingskamer dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen (art. 282 lid 1 Rv)8, zij het dat het ingevolge art. 2.1.3.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008 ‘in het belang van een goede voorbereiding van de zaak’ de voorkeur verdient dat een verweerschrift vijf werkdagen vóór de mondelinge behandeling wordt ingediend. Het verweerschrift dient ingevolge art. 282 lid 1 jo. art. 278 Rv een duidelijke omschrijving te bevatten van het verweer en de gronden waarop het berust. Art. 282 lid 4 Rv bepaalt dat het verweer een zelfstandig verzoek – waaronder mede wordt begrepen een reconventioneel of tegenverzoek9– mag bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijk verzoek. De Ondernemingskamer kan de oorspronkelijk verzoeker(s) en de overige belanghebbenden de gelegenheid geven tegen dit tegenverzoek een verweerschrift in te dienen. Art. 283 Rv geeft verzoeker(s) de bevoegdheid, zolang de Ondernemingskamer nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan te verminderen dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen.10 In het geval van verandering of vermeerdering is art. 130 Rv van overeenkomstige toepassing: belanghebbenden zijn bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.11
Uit art. 19 Rv volgt dat de Ondernemingskamer de belanghebbenden (waaronder de vennootschap) in de gelegenheid moet stellen op een behoorlijke wijze kennis te nemen van de stukken en hun standpunten naar voren te bren-gen en toe te lichten en zich over elkaars standpunten uit te laten.12 Bovendien volgt uit de beschikking van de Hoge Raad inzake ATR Leasing dat belanghebbenden hun standpunt kenbaar mogen maken over alle aspecten van een verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen.13 De Ondernemingskamer dient er – ook ambtshalve – op te letten dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt nageleefd.14 Schending van art. 19 Rv – dat uiteraard ook ziet op het geval dat belanghebbenden in hun verweerschrift een tegenverzoek indienen (art. 282 lid 4 Rv) – maakt dat de beschikking in cassatie kan worden vernietigd wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde. Uit (vaste) jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het beginsel van hoor en wederhoor met name dient te worden gewaarborgd indien bescheiden kort vóór of op de terechtzitting waarop zij aan de orde komen, worden overgelegd.15 De rechter moet er ambtshalve op toezien dat deze bescheiden niet van dien aard zijn dat de tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming ervan en een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen ontbreken. De rechter dient bovendien, met het oog op controle door de hogere rechter van de naleving van dit fundamentele beginsel, te vermelden dat hij ofwel een bepaalde maatregel heeft genomen op grond waarvan kan worden aangenomen dat voormelde kennisneming en voorbereiding alsnog hebben kunnen plaatsvinden (bijvoorbeeld de onderbreking van de behandeling van de zaak voor een bepaalde termijn, zodat partij- en alsnog de gelegenheid hebben op een behoorlijke wijze kennis te nemen van het stuk16), ofwel dat de wederpartij er mee heeft ingestemd dat de rechter zonder enige maatregel met het stuk rekening zou kunnen houden.