Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.3
7.8.3 Beschikkingsbevoegdheid van de STAK
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232850:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijk vervreemdingsverbod kan ook noodzakelijk zijn om gebruik te kunnen maken van bepaalde fiscale tegemoetkomingen, zoals bij de certificering van aanmerkelijkbelangaandelen (zie paragraaf 13.4.1.2.1).
Evenzo bijvoorbeeld C.Æ. Uniken Venema, De overdracht ten titel van beheer aan een ‘trustee’ volgens het huidige en volgens het nieuwe BW, in: Goed en trouw, opstellen aangeboden aan Prof.mr. W.C.L. van der Grinten, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle 1984, paragraaf 1.2, M.J.A. van Mourik, Certificering en economische deelgerechtigdheid, WPNR 2007/6737, paragraaf 5 en Reehuis 2010, nr. 88.
De literatuur die dit punt behandelt is terminologisch niet steeds even zuiver, zie Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 192 – 195 en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/666, waar gesproken wordt over beschikkingsonbevoegdheid, maar naar ik aanneem bedoeld wordt dat de STAK weldegelijk beschikkingsbevoegd is in goederenrechtelijke zin, maar haar doel overschrijdt door in weerwil van een statutair vervreemdingsverbod (en naar de mening van Van den Ingh zelfs in het algemeen) de gecertificeerde goederen te vervreemden.
Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina 319. Zie nader over artikel 3:84 lid 3 BW: paragraaf 7.6.
Evenzo Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 193, en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/666.
Vergelijk bijvoorbeeld Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/666.
Bewuste betrokkenheid bij contractbreuk door de STAK is in zichzelf geen grond voor aansprakelijkheid, hiervoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, zoals de mate van invloed van de derde op de beslissing om wanprestatie te plegen en de ernst en voorzienbaarheid van het door de gelaedeerde geleden nadeel (zie L.M. van Bochove, Betrokkenheid van derden bij contractbreuk, Wolf Legal Publishers 2013, pagina 52). Zie voorts pagina 307 e.v. voor een zevental gezichtspunten die mee kunnen wegen voor de beoordeling of een derde, die betrokken is bij contractbreuk van een partij, aansprakelijk is jegens diens wederpartij.
Evenzo Reehuis 2010, nr. 88, die nog enkele mogelijkheden noemt.
De STAK is juridische eigenaar van het gecertificeerde vermogen, maar beheert dit voor de certificaathouder. Derhalve wordt doorgaans in de statuten van de STAK en/of de administratievoorwaarden bepaald dat de gecertificeerde goederen niet vervreemd of bezwaard mogen worden, met uitzondering van decertificering.1 Eventueel kan ook voorzien worden in een mogelijkheid om een zekerheidsrecht aan de certificaathouder zelf te verlenen. Deze regeling moet de certificaathouder zekerheid bieden dat het gecertificeerde vermogen aanwezig zal blijven en zijn uit het certificaat voortvloeiende vordering voldaan zal kunnen worden. Het hangt overigens af van de aard van het gecertificeerde vermogen in hoeverre een vervreemdingsverbod zinvol is. Bij bepaalde goederen, zoals aandelen in de vennootschap met het familiebedrijf of kunst, vereist het doel van de certificering dat de STAK deze behoudt. Als echter sprake is van beleggingen, waarin mutaties zullen plaatsvinden, is een vervreemdingsverbod niet passend; de STAK moet dan in principe de vrijheid hebben om haar beleggingsbeleid te kunnen uitvoeren.
De vraag is evenwel in hoeverre de STAK beschikkingsonbevoegd is, zowel in de situatie waarin een dergelijk vervreemdingsverbod is opgenomen, als in de situatie waarin verzuimd is om dit te regelen. Voorop staat naar mijn mening dat, ongeacht of sprake is van een vervreemdingsverbod ter zake van het gecertificeerde vermogen in de statuten van de STAK of de administratievoorwaarden, geen sprake is van beschikkingsonbevoegdheid in goederenrechtelijke zin.2, 3 Artikel 3:84 lid 3 BW vereist deze beschikkingsbevoegdheid ook, de parlementaire geschiedenis zegt in dit verband:
Maar komt hij [dat wil zeggen: de rechter, AEdL] in een gegeven geval tot het oordeel dat er wèl een geldige overdracht is, omdat de titel aan de eisen voldoet, dan staat daarmee tevens vast dat het overgedragen goed aan de verkrijger toebehoort, dat slechts deze daarover kan beschikken en dat het goed evenals diens overige vermogen voor zijn schulden kan worden uitgewonnen.4
Dit betekent dat de STAK ook wel beschikkingsbevoegd moet zijn, omdat de overdracht in het kader van certificering niet geldig is als een daartoe strekkende bedoeling van partijen bij de overdracht ten titel van beheer ontbreekt. Het feit dat de STAK het gecertificeerde vermogen geldig kan overdragen, betekent evenwel nog niet dat de certificaathouder volledig met lege handen staat.
In dit kader moet een onderscheid gemaakt worden tussen een vervreemdingsverbod in de administratievoorwaarden en in de statuten/doelomschrijving van de STAK. De administratievoorwaarden beheersen slechts de obligatoire rechtsverhouding tussen de certificaathouder en de STAK, waar derden, zoals een verkrijger van goederen die de STAK overdraagt in beginsel buiten staan. De schending van een dergelijk vervreemdingsverbod impliceert derhalve wanprestatie aan de zijde van de STAK, maar biedt geen grondslag voor een actie jegens de verkrijger van het goed, behoudens wellicht de toevallige situatie dat deze verkrijger op de hoogte is van het vervreemdingsverbod en in weerwil hiervan aan de overdracht meewerkt.
Indien daarentegen sprake is van een statutair vervreemdingsverbod kan het handelen in strijd daarmee wel consequenties hebben voor degene aan wie de STAK de goederen vervreemdt. In dat geval is sprake van doeloverschrijding door de STAK, naar mijn mening ook indien het vervreemdingsverbod niet met zoveel woorden in het doel van de STAK staat, maar elders in haar statuten. De functie als eigenaar ten titel van beheer van de STAK brengt met zich dat zij de goederen die zij ten titel van beheer heeft verkregen in beginsel niet overdraagt, anders dan in het kader van de beëindiging van het beheer of met toestemming van de certificaathouder. De overdracht is dan op grond van artikel 2:7 BW vernietigbaar, indien de verkrijger wist of zonder nader onderzoek moest weten dat sprake was van doeloverschrijding door de STAK. Aannemend dat uit de naam van de STAK blijkt dat het om een administratiekantoor gaat, is daarvan mijns inziens in beginsel sprake: de omstandigheid dat sprake is van een administratiekantoor moet de verkrijger doen vermoeden dat de STAK ter zake van het gecertificeerde vermogen een vervreemdingsverbod zal hebben.
De bescherming die dit de certificaathouder biedt is echter relatief: het is slechts de STAK die een beroep kan doen op artikel 2:7 BW. Indien de STAK dit nalaat, zijn twee mogelijkheden denkbaar voor de certificaathouder:
Een actie uit wanprestatie jegens de STAK, waarbij het doel kan zijn dat de STAK zich alsnog beroept op de vernietigbaarheid van de overdracht aan de verkrijger.5 Het lijkt mij goed te verdedigen dat de beheersrelatie tussen STAK en certificaathouder impliceert dat de STAK het gecertificeerde vermogen in beginsel niet mag overdragen en dat sprake is van wanprestatie jegens de certificaathouder indien de STAK dit toch zou doen. Om buiten twijfel te stellen dat, althans wanneer, bij een overdracht van gecertificeerd vermogen van wanprestatie sprake is, is mijns inziens aan te bevelen om het vervreemdingsverbod niet alleen in de statuten op te nemen, maar ook in de administratievoorwaarden. Deze laatste beheersen het verbintenisrechtelijke deel van de rechtsverhouding tussen de STAK en de certificaathouder, terwijl de statuten van de STAK niet automatisch ook werking jegens de certificaathouder hebben.
Een actie jegens de verkrijger van de goederen uit onrechtmatige daad, op grond van de argumentatie dat deze verkrijger vanwege de naam van de STAK had moeten weten dat het om een administratiekantoor met een vervreemdingsverbod ging, zodat de verkrijger niet aan de overdracht had mogen meewerken. De te vorderen schadevergoeding bestaat dan uit teruglevering van de door de STAK overgedragen goederen.6 De enkele omstandigheid dat de verkrijger betrokken is bij (veronderstelde) wanprestatie door de STAK is echter onvoldoende grond om hem wegens onrechtmatige daad te veroordelen tot het terugleveren van de goederen.7
Volledige zekerheid dat het gecertificeerde vermogen niet, in weerwil van een vervreemdingsverbod, overgedragen kan worden heeft de certificaathouder derhalve niet. De positie van de certificaathouder kan echter versterkt worden door het vestigen van een zekerheidsrecht op de gecertificeerde goederen.8 In geval van certificaten van aandelen of schuldvorderingen worden de (gezamenlijke) certificaathouders bovendien mogelijk beschermd door het wettelijke pandrecht van artikel 3:259 lid 2 BW.9 Indien de certificaten zijn uitgegeven met medewerking van de oorspronkelijke uitgever van de aandelen of schuldvorderingen op naam of indien sprake is van certificaten van aandelen op naam met vergaderrecht, dan ontstaat het pandrecht van rechtswege. Bij zonder medewerking van de debiteur uitgegeven certificaten van schuldvorderingen kunnen de certificaathouders het pandrecht bovendien verkrijgen door mededeling van de uitgifte van de certificaten te doen aan de schuldenaar.