Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.2.b
b. Toetredersregeling: toetreden tot toetreder en/of ruiler?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471276:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel b. hierna. Zie tevens onderdeel G.6.b. van het vorige hoofdstuk.
Hier is een parallel te trekken met de regeling betreffende de afkoop van toedelingsrechten, zoals destijds opgenomen in art. 12, lid 3 Ruilverkavelingswet 1954.
Zo blijkt uit het Besluit herverkaveling (later omgedoopt tot Besluit inrichting landelijk gebied), Stb. 2009, 397 p. 7, waarover meer in onderdeel E.l.g van dit hoofdstuk. Zie tevens B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’. Een ander onderwerp waarover de KNB opheldering vroeg, is het thema ‘bedrijfsverplaatsing’. Zie hierover onderdeel B.9 hierna.
Zie B.F. Preller, ‘Ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving rond kavelruil’, p. 16.
Vgl. onderdeel G.6.b van het vorige hoofdstuk.
Stb. 2009, 397 p. 6. In dezelfde zin B.F. Preller, ‘Regels voor kavelruil aangevuld bij het Besluit inrichting landelijk gebied’, in: JBN 2009/66.
Aldus B.F. Preller, ‘Regels voor kavelruil aangevuld bij het Besluit inrichting landelijk gebied’.
De toetredersregeling opent de mogelijkheid om als partij tot een kavelruilovereenkomst toe te treden met als doel om tegen inbreng van een geldsom één of meer kavels of, net andersom, tegen inbreng van kavels een geldsom toebedeeld te krijgen.1 Aan de inbreng in geld of de verkrijging van een geldsom kan in het kader van een ruilproces behoefte zijn.’Volledige onderbedeling (inbreng van onroerende zaken ter verkrijging van een geldsom) is soms ook wenselijk, bijvoorbeeld in het kader van bedrijfsbeëindiging.2
De wetgever heeft in het kader van de toetredersregeling echter geen enkele toelichting gegeven, die de leidraad zou kunnen vormen bij de uitleg van deze wetsbepaling. Dit ondanks een hiertoe strekkend voorstel van de zijde van de KNB.3 De exacte inhoud van de toetredersregeling is daarom onduidelijk.4 Zo kan men zich afvragen of de beperkende voorwaarde zoals geformuleerd in de (thans vervallen) Instructie Kavelruil, inhoudende dat de wederpartij van de toetreder rechtstreeks bij het ruilproces betrokken moet zijn nog van toepassing is. Duidelijk is dat toetreding tot een kavelruil uitsluitend mogelijk is voor partijen die contracteren met een wederpartij die reeds bij de kavelruil is betrokken. Het is echter minder duidelijk in welke hoedanigheid deze wederpartij bij de kavelruil betrokken moet zijn: als ruiter (als direct bij de kavelruil betrokken partij) of als toetreder (als indirect bij de kavelruil betrokken partij). Is het derhalve mogelijk om toe te treden tot een toetreder of kan men alleen toetreden tot een ruiler?
Ook de tekst van artikel 121 Liw was op dit punt niet geheel helder: hoe moest het woord ‘mede’ in de zinsnede ‘Men kan mede tot een milverkavelingsovereenkomst toetreden(…)’ worden opgevat?5 De toetredersregeling heeft dus dikwijls, zowel onder de Landinrichtingswet als onder de WILG, voor onduidelijkheid gezorgd.
Op grond van de Nota van Toelichting bij het besluit herverkaveling kan echter worden geconcludeerd dat toetreden tot een toetreder mogelijk is. In de WILG wordt, aldus de minister, immers geen onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks bij de kavelruil betrokken partijen en overige partijen die willen toetreden tot de overeenkomst. Personen die willen toetreden tot een kavelruil kunnen dit doen door partij bij de overeenkomst te worden.6 Hieruit kan worden afgeleid dat toetreding tot een kavelruil ook mogelijk is indien een toetreder met een toetreder contracteert. De hoedanigheid van de wederpartij (direct of indirect betrokken bij de kavelruil) is dus verder niet van belang. Toetreden tot een ruiler is derhalve niet meer vereist. Dit is een noviteit in vergelijking tot het Landinrichtingswet-regime, waar enkel toetreding tot een ruiler was toegestaan.7 De praktijk zal opgelucht zijn met deze ruime interpretatie door de minister, maar het is vreemd dat een dergelijke breuk met het verleden niet nader toegelicht wordt door de wetgever.