Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.2.1
3.2.1 Het in art. 69 AWR strafbaar gestelde doen van een onjuiste aangifte en nalaten om aangifte te doen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568691:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A-G Leijten, conclusie voorafgaand aan HR 29 november 1988, NJ 1989/682, r.o. 1; W.E.C.A. Valkenburg, J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 58.
Op grond van art. 6 AWR io. art. 8 lid 1 AWR.
HR 5 juli 2011, NJ 2011/323, ECLI:NL:HR:2011:BP3746, r.o. 2.3 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3673, r.o. 4.2. Zie in dit verband D. Liem, ‘De ‘bij belastingwet voorziene’ aangifte’, NTFR 2011/1906, p. 5-8.
J. den Boer, R.J. Koopman en P.J. Wattel, Fiscaal Commentaar. Algemeen belastingrecht, Deventer: Kluwer 1999, p. 670.
HR 23 december 2003, BNB 2004/180, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, r.o. 4.4.
Art. 9 lid 3 AWR. Kamerstukken II, 1993/94, 23470, 3 (MvT) p. 40.
In de tekst van art. 8 AWR is niet opgenomen dat de aangifte juist moet worden gedaan. Ik maak uit Kamerstukken II, 1954/55, 4080, 3 (MvT), p. 15 en HR (belastingkamer) 11 december 1991, BNB 1992/243, r.o. 3.6.1. op dat art. 8 AWR wel een verplichting tot het doen van een juiste aangifte inhoudt. Zo ook M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 119. Anders: L.A. de Blieck, J. de Blieck, E.A.G. van der Ouderaa, R.J. Koopman, S.C.W. Douma en J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 522.
Valkenburg en Van der Werff 2014, p. 55, 56. Anders: De Blieck e.a. 2015, p. 522-523.
Dit wordt naar mijn mening bevestigd door het oordeel van de strafkamer van de Hoge Raad dat een aangifte die niet is ondertekend toch een aangifte in de zin van art. 69 lid 2 AWR kan vormen, zie HR 22 september 1987, NJ 1988/328, r.o. 5. Zo ook, hoewel in een andere context, HR (belastingkamer) 17 december 2004, BNB 2005/82, ECLI:NL:HR:2005:AR7759, r.o.3.3.
Degene die opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, kan op grond van art. 69 lid 2 AWR worden gestraft. Onvolledigheid wordt als een vorm van onjuistheid gezien.1 Om die reden wordt hierna in plaats van de woorden onjuist en onvolledig vaak alleen het woord onjuist gebruikt. De bestraffing van degene die opzettelijk nalaat een bij belastingwet voorziene aangifte te doen vindt plaats op grond van art. 69 lid 1 AWR. Bij beide strafbaarstellingen geldt de voorwaarde dat het feit, het onjuist of onvolledig doen van de aangifte of het nalaten om aangifte te doen, ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Dit zogenoemde gevolgbestanddeel komt later in dit hoofdstuk in paragraaf 3.5 aan de orde.
De delictsomschrijvingen van art. 69 lid 1 en lid 2 AWR spreken van het niet doen en het onjuist doen van een bij wet voorziene aangifte. Onder het begrip aangifte worden zowel aangiften voor de aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, als aangiften voor de aangiftebelastingen, zoals de omzetbelasting en de loonbelasting, verstaan.2
Onder bij belastingwet voorziene aangiften worden aangiften begrepen die zijn gedaan nadat de belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Een dergelijke uitnodiging brengt, anders dan het woord uitnodiging doet vermoeden, een verplichting mee om aangifte te doen.3 Daarnaast worden in art. 69 lid 2 AWR onder bij belastingwet voorziene aangiften ook onverplicht gedane aangiften verstaan.4 Het gaat hier om verzoeken om een belastingteruggave die door middel van een aangifte moeten worden gedaan.5
De verplichting tot het doen van aangifte vloeit niet rechtstreeks voort uit de wet, maar ontstaat door middel van de zojuist genoemde niet vrijblijvende uitnodiging. Het nalaten om aangifte te doen is daarom uitsluitend strafbaar nadat de belastingplichtige is uitgenodigd om aangifte te doen.6 Van het nalaten om aangifte te doen kan bij aangiftebelastingen worden gesproken zodra de aangiftetermijn is verstreken. Bij aanslagbelastingen moet altijd eerst een aanmaning tot het doen van aangifte zijn verstuurd. Bij deze belastingen kan pas van nalaten worden gesproken als de in de aanmaning genoemde termijn is verstreken.7
In art. 8 AWR zijn voorschriften voor het doen van een aangifte opgenomen. Op grond van deze voorschriften is degene aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, gehouden de gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, het aangiftebiljet van de gevraagde bescheiden te voorzien, te ondertekenen en in te leveren.8 Voor de beoordeling of de delictsomschrijvingen van art. 69 lid 1 of lid 2 AWR zijn vervuld is echter niet maatgevend of deze voorschriften zijn nageleefd, maar zijn uitsluitend de bestanddelen van die delictsomschrijvingen bepalend.910 Op de verplichting om stellig en zonder voorbehoud aangifte te doen wordt later in dit hoofdstuk, in paragraaf 3.7.2, nog teruggekomen.