Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.5.1
3.5.1 Aspecten van het kiesrecht
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947898:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook wijst de Venice Commission op het belang van de uit art. 3 Protocol 1 EVRM volgende principes voor het verloop van de verkiezingscampagne. Effectieve bescherming van het kiesrecht betekent dat de kiesrechtelijke beginselen ook tijdens de campagne gewaarborgd moeten worden: CDL-AD(2019)016 van de Venice Commission (24 juni 2019), Digital Technologies and Elections, par. 51.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 5.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 6-8.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 8-9.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 9.
Het eerste deel van de Code beschrijft zes kenmerken of vereisten van het kiesrecht, die onderdeel uitmaken van het Europese ‘kiesrechtelijke erfgoed’ en zonder welke het kiesrecht een effectieve democratie niet kan garanderen. Deze vereisten hebben niet alleen betrekking op het uiteindelijke uitbrengen van de stem, maar zijn relevant voor het hele verkiezingsproces, van het stellen van de kandidaten tot het vaststellen van de uitslag.1 Zij luiden als volgt. Ten eerste moet sprake zijn van algemeen kiesrecht, hetgeen betekent dat in beginsel iedere burger over het kiesrecht moet beschikken. Beperkingen, bijvoorbeeld op basis van nationaliteit, leeftijd en ingezetenschap, zijn echter toegestaan.2 Ten tweede is gelijk kiesrecht een vereiste. Dit vereiste valt uiteen in meerdere aspecten. Kiezers moeten allemaal een gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen, uitgebrachte stemmen moeten een gelijke waarde bezitten, de kansengelijkheid tussen kandidaten moet gewaarborgd worden, nationale minderheden moeten gerepresenteerd kunnen worden en er is ruimte voor het hanteren van gender-quota.3 Vrij kiesrecht, ten derde, valt uiteen in de vrijheid voor kiezers om een mening te vormen en de vrijheid om deze mening te uiten. De vrije meningsvorming vereist dat de staat zich, bij het reguleren van de verkiezingen, neutraal opstelt ten opzichte van de verkiezingskandidaten en dat zij de kiezers van voldoende informatie voorziet. De vrije meningsuiting wordt gediend met het voorkomen van verkiezingsfraude en de afwezigheid van ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding.4 Ten vierde moeten staten het stemgeheim waarborgen. Iedere kiezer heeft het recht om zijn stem geheim te houden. Ten vijfde geldt dat sprake moet zijn van direct kiesrecht. In landen met een meerkamerstelsel moet ten minste één van de Kamers rechtstreeks door de burgers worden gekozen.5 Tot slot moeten verkiezingen periodiek plaatsvinden, waarbij de Venice Commission vijf jaar als maximumperiode tussen twee verkiezingen aanmerkt.
Voor het daadwerkelijke verkiezingsverloop zijn vier van de genoemde uitgangspunten in het bijzonder van belang. Het gaat om het algemene kiesrecht, het vrije kiesrecht, het stemgeheim en het gelijke kiesrecht. Deze thema’s worden in de hoofdstukken 6, 7 en 8 uitgewerkt. Volledigheidshalve maak ik hier enkele opmerkingen over de aspecten die in dit onderzoek een ondergeschikte rol spelen (en ook voor het overige, zoals hieronder zal blijken, over het algemeen weinig stof tot discussie bieden). Het betreft de vereisten van direct kiesrecht en periodieke verkiezingen.