Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/229
229 De visie van de raad van commissarissen
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372639:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Opgemerkt dient te worden dat ook de top van de onderneming wisselt in perspectieven. De wijze waarop de structuur van de bezoldiging wordt vormgegeven en hoe deze structuur wordt gerechtvaardigd aan de aandeelhouders rust op het zien van bezoldiging als prikkel.
Zie hierover randnummer 80.
De uitspraak van ex-Citi CEO Charles ‘Chuck’ Prince over de hypotheekmarkt voor het uitbreken van de kredietcrisis is ook hier van toepassing: “As long as the music is playing, you’ve got to get up and dance. We’re still dancing.” Zie https://www.reuters.com/article/ financial-crisis-dancing-idUSN0819810820100408 (laatst bezocht op 2 maart 2016).
Opgemerkt dient te worden dat het mogelijk is dat de transparantieverplichtingen wel degelijk enige matigende werking hebben. Zonder deze verplichtingen was de toename van de beloningsniveaus wellicht nog steiler. Een oplossing voor de ongefundeerde stijging bieden de huidige transparantieverplichtingen echter niet.
De raad van commissarissen, onder leiding van voormalig DSM-topman Peter Elverding, vond dat de bonussen voor Hommen en zijn twee medebestuursleden verdiend en legitiem waren en moesten worden uitgekeerd. Zie https://www.nrc.nl/nieuws/2011/04/01/commis sarissen-ing-drukten-bonus-van-hommen-door (laatst bezocht op 15 februari 2015).
Wakkie stelde: “De bestuurders hebben hun doelstellingen steeds met vlag en wimpel gehaald. Als je die gehaald hebt, heb je recht op die bonus. Die hebben ze al sinds 2010 niet meer ontvangen. In werkelijkheid hebben ze dus 1,5 miljoen laten liggen.” Zie https://www.nrc.nl/nieuws/2015/03/31/abn-commissaris-peter-wakkie-treedt-terug (laatst bezocht op 15 februari 2015).
https://fd.nl/ondernemen/1099202/blok-geeft-extraatje-terug (laatst bezocht op 15 februari 2015).
Wanneer vorenstaande wordt geprojecteerd op de bezoldiging van bestuurders dan hangt de preventieve werking van transparantieverplichtingen primair af van het antwoord op de vraag hoe over het algemeen door commissarissen wordt aangekeken tegen de wijze waarop de bezoldiging wordt vastgesteld en hoe de hoogte van de bezoldiging van bestuurders zich ontwikkelt. Zien zij de huidige vorm als rechtmatig, dan dient vervolgens te worden bezien of de verplichting tot openbaarmaking van de bezoldiging deze visie zal beïnvloeden om te komen tot een gematigdere ontwikkeling van bestuurdersbeloningen. Daarvoor zijn naar mijn mening drie zaken van belang: (i) de bezoldiging wordt binnen de top van de onderneming in beginsel primair benaderd als incentive in plaats van reward,1 (ii) de wijze waarop de opportunity pay van een bestuurder wordt vastgesteld is universeel en wordt als rechtvaardig gezien en (iii) de raad van commissarissen draagt alleen verantwoordelijkheid voor de bezoldiging bij de eigen onderneming.
Zoals uiteengezet heeft de functieverbreding van bezoldiging ervoor gezorgd dat twee verschillende visies op bezoldiging zijn ontstaan. De top van de onderneming benadert bezoldiging primair als ‘incentive’, terwijl de rest van de samenleving de bezoldiging meer ziet als ‘reward’.2 Hierdoor wordt binnen de bezoldigingsdiscussie veelal langs elkaar heen gesproken met als gevolg onbegrip voor elkaars standpunten bij beide partijen. Daar komt bij dat bij commissarissen veelal de overtuiging overheerst dat de toegekende bezoldiging redelijk is. De hoogte is immers bepaald aan de hand van een referentiegroep. Er wordt niet substantieel meer betaald dan bij andere ondernemingen. De ‘gewone burger’ kan de bezoldiging wellicht exorbitant vinden, maar goed ondernemingsbestuur heeft nu eenmaal een prijs. Een raad van commissarissen heeft daarnaast slechts de verantwoordelijkheid voor de bezoldiging van de eigen onderneming en niet, zoals de wetgever voor ogen heeft, voor de ontwikkeling van bezoldiging van bestuurders bij beursgenoteerde vennootschappen in het algemeen. Kiezen voor bijvoorbeeld een bezoldiging onder de mediaan ten behoeve van de ontwikkeling van de bezoldiging van bestuurders zorgt derhalve voor een risico dat voor rekening komt van de commissarissen. Hiertoe zal niet worden overgegaan als bij commissarissen de noodzaak voor het kiezen voor een afwijkende wijze van het bepalen van de ex ante hoogte ontbreekt.3
De commissaris zal in de regel de wijze waarop de bezoldiging wordt vastgesteld dus zien als rechtmatig en verantwoord met als gevolg dat daarmee eveneens de rechtvaardiging voor de hoogte van de bezoldiging is gegeven. Van een ‘bewustwording’ dat het handelen van de commissaris ongewenst is, zoals uitgedragen door de wetgever, is dan ook geen sprake. De kans is derhalve klein dat de transparantievoorschriften de visie van commissarissen over de hoogte en de wijze waarop de bezoldiging wordt vastgesteld beïnvloedt waardoor zij hun handelen zullen aanpassen.
De transparantievoorschriften kunnen desalniettemin nog steeds enige preventieve werking hebben, wanneer de raad van commissarissen zich genoodzaakt voelt zich bij het vaststellen van de hoogte van de bezoldiging rekenschap te geven van de visie zoals die leeft in de maatschappij om schadelijke publieke ophef te voorkomen. Hierdoor kan het voorkomen dat door de raad van commissarissen bepaalde grenzen worden vermeden. Het gaat in dat geval echter slechts om het voorkomen van excessen. Zolang de vastgestelde bezoldiging te rechtvaardigen is aan de hand van een referentiegroep is de ‘outrage constraint’ beperkt. Een structureel matigende werking vanwege het preventief aanpassen van hun handelen door raden van commissarissen is op basis van de huidige transparantieverplichtingen dan ook niet te verwachten.4
De verschillende visies op bezoldiging en het daardoor gegroeide wederzijdse onbegrip tussen de top van de onderneming en de rest van de maatschappij lijkt er daarnaast voor te zorgen dat incidenten onvermijdelijk zijn. Deze incidenten zijn de laatste jaren ook veelal zichtbaar geweest in de media. Een voorbeeld bedroeg de bonus van Jan Hommen waar hijzelf op tegen was, maar die de commissarissen er doorheen zouden hebben gedrukt.5 Ook kan gedacht worden aan de ophef over de salarisverhoging bij ABN-Amro. Peter Wakkie trad af als commissaris vanwege de publieke ophef en het uitstellen van de beursgang, maar was geenszins van mening dat het toekennen van de salarisverhoging op enigerlei wijze incorrect was.6 Bij KPN waren het de cao-onderhandelingen die CEO Eelco Blok ertoe bewogen afstand te doen van zijn bonus die hij kreeg vanwege zijn “bijzondere managementprestatie bij het zeer complexe en tijdrovende proces van de verkoop van E-Plus aan Telefónica Deutschland”.7
De voorbeelden uit de praktijk laten zien dat de transparantievoorschriften wel degelijk kunnen zorgen voor een ‘outrage constraint’. De werking ervan blijft echter beperkt tot incidenten zoals bij ING, ABN Amro en KPN. Het zijn voornamelijk de werknemers of de politiek die op die manier enige invloed uitoefenen op incidenteel toegekende bonussen of salarisverhogingen. Een structurele aanpassing van de ontwikkeling van de bezoldigingsniveaus hebben deze incidenten niet tot gevolg.