Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.3
2.3 Parlementaire geschiedenis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439130:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 1-2.
Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 3, p. 6 (MvT).
A.P. Funke, 'Opmerkingen over de verhouding tussen relatieve en internationale (c.q. interregionale) bevoegdheid van de rechter in civiele procedures', NJB 1967, p. 833-841 (1) en p. 861-871 (II, slot).
A.P. Funke, NJB 1967, p. 865-866.
Kamerstukken II 1968/69, 7753, nr. 12. Het Amendement luidt als volgt: 'Aan het voorgestelde artikel 429c wordt — onder plaatsing van het cijfer 1 voor de bestaande tekst — een tweede lid toegevoegd, luidende:2. Aan de rechter komt geen rechtsmacht toe, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland heeft.' Op het amendement is later een wijziging aangebracht. Het cijfer 2 en de verwijzing in de aanhef, dat het eerste lid met 1 wordt genummerd, zijn komen te vervallen (Handelingen // 1968/69, 8, p. 321 en p. 331).
Handelingen II 1968/69, 8, p. 320-321. Vermeldenswaardig is hetgeen het Kamerlid Geelkerken opmerkte over het amendement (Handelingen II 1968/69, 8, p. 326): 'Stuk nr. 12, de rechtsmacht die de rechter niet toekomt wanneer er onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland zou zijn. Dat lijkt mij op zich zelf een uitermate belangrijk punt. Wanneer men dit rechtsbeginsel in de wet wil brengen, moet men dat mijns inziens echter niet incidenteel doen als onderdeel van deze regeling van de rekestprocedure. Dan moet men het op een andere manier doen. Wij menen daarom, dat er geen termen aanwezig zijn om voor dit amendement te stemmen.' Geelkerken ging er echter aan voorbij dat de algemene regeling in Boek 1, Titel 12 Rv bij de invoering in ieder geval zou komen te gelden voor alle verzoekschriftprocedures uit Boek 1 BW, en op den duur uitgebreid zou worden tot elders in de wet genoemde verzoekschriftprocedures.
Handelingen II 1968/69, 8, p. 329-330.
Handelingen II 1968/69, 8, p. 482.
Opmerkelijk is dat de forum non conveniens-restrictie van art. 429c Rv oud in het oorspronkelijke wetsontwerp van Boek 1, Titel 12 Rv1 niet is opgenomen. De toenmalige Minister van Justitie C.H.F. Polak vond dat niet nodig. De Minister van Justitie aan het woord:
`Uit het in het artikel [429c, Fl] bepaalde vloeit niet voort, dat de volgens deze bepaling bevoegde rechter zich ook steeds gerechtigd mag achten van het verzoek kennis te nemen. Het artikel bedoelt niet de attributie van rechtsmacht te regelen. Met name in zaken waarin de verzoeker geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, zal de in het artikel meer subsidiair bevoegd verklaarde rechter te ' s-Gravenhage zich er rekenschap van moeten geven of het verzoek voldoende aanknoping met de Nederlandse rechtssfeer biedt om tot de slotsom te komen dat de Nederlandse rechter, uit internationaal oogpunt bezien, ter zake rechtsmacht heeft.'2
De geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting bracht Funke tot een alarmerend artikel in het Nederlands Juristenblad.3 Hij schreef:
`Ik kan het hiermee niet eens zijn. Uit de zin van de M.v.T. "Het artikel bedoelt niet de attributie van rechtsmacht te regelen" volgt geenszins dat met art. 429c "niet wordt beoogd rechtsmacht te vestigen waar deze niet bestond". Met art. 429c wordt m.i. juist wel bedoeld nieuwe rechtsmacht te vestigen, maar niet onbeperkt. De beperking bestaat blijkens mijn lezing van de toelichting hierin dat een verzoek voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland moet hebben.'4
Volgens Funke ging de Minister van Justitie voorbij aan de destijds geldende regel `distributie bepaalt attributie'. De commune rechtsmacht was onlosmakelijk verbonden met de regels van relatieve competentie. De relatief bevoegde rechter was tevens internationaal bevoegd, zodat hij geen beoordelingsvrijheid had om te nagaan of het verzoek wel of geen voldoende binding met Nederland had. Als de Minister van Justitie per se wenste te breken met 'distributie bepaalt attributie', en wel door het mogelijk maken van een forum non conveniens-toets voor de relatief bevoegde rechter, bepleitte Funke dat hij dat dan expliciet in de wet moest opnemen en niet zou mogen volstaan met een mededeling in deze trant in de Memorie van Toelichting. Funke werd hierin gesteund door het amendement-Geurtsen.5 De strekking van het amendement was om het rechtsmachtscheppend effect van het voorgestelde art. 429c te beperken door een toets van voldoende verbondenheid wettelijk vast te leggen. Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer op 9 oktober 1968 lichtte het Kamerlid Geurtsen het amendement als volgt toe:
`De toelichting op artikel 429c vestigt er de aandacht op dat dit artikel niet de attributie van de rechtsmacht wil regelen, door erop te wijzen, dat met name de rechter te ' s-Gravenhage zich er rekenschap van moet geven, dat het verzoek voldoende aanknoping met de Nederlandse rechtssfeer bezit. Mejuffrouw Goudsmit heeft daaraan zoëven een aantal opmerkingen gewijd. De heer Funke heeft een zeer lezenswaardig artikel aan deze bepaling gewijd in het Nederlands Juristenblad van verleden jaar. Hij heeft er terecht op gewezen, dat de leer van de Hoge Raad en van de schrijvers juist in een andere richting gaat. Deze leer houdt in, dat de relatief bevoegde rechter tevens rechtsmacht heeft in de zin van internationale of interregionale bevoegdheid. Het is de vraag of de Minister zijn doel dit in het artikel niet tot uitdrukking brengen — zal bereiken door in de bepaling zelf geen enkel voorbehoud te maken, doch te volstaan met een opmerking in die geest in de memorie van toelichting. Het zal naar mijn mening niet de eerste keer zijn dat een rechter vaststelt, dat de wetgever iets bedoeld en gewild kan hebben, maar dat hij dit dan maar in de wettelijke bepalingen had moeten vastleggen en dat, nu dit niet is gebeurd, met de bedoeling van de wetgever geen rekening kan worden gehouden. (...)
Het gaat er nu om, dat de Minister blijkens zijn toelichting in artikel 429c alleen de distributie van rechtsmacht heeft willen regelen en dat — hij gebruikt de woorden "met name" — niet alleen voor het geval woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland ontbreekt, maar ook voor die gevallen, waarin de verzoekers of een van de verzoekers wel een woon-of verblijfplaats in Nederland heeft. Ik kan mij hiermee volledig verenigen. Ik vraag mij wel af, of het niet gewenst, ja zelfs noodzakelijk is om die bedoeling uitdrukkelijk in de wettekst vast te leggen. Funke meent, dat men dit moet doen door aan artikel 429c een bepaling te koppelen, die verwijst naar de aanknoping met de Nederlandse rechtssfeer. Mede gelet op de memorie van toelichting is het naar mijn mening beter, dat dit wordt gedaan in een tweede alinea van artikel 429c. In deze alinea moet worden vastgesteld, dat in de rekestprocedures de rechtsmacht aan de rechter alleen toekomt voor die zaken, die voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland hebben. Als wij dat bedoelen — en de memorie van toelichting zegt, dat wij dat bedoelen — dan moeten wij dat ook in de wet zetten. Ik heb een daartoe strekkend amendement ingediend (stuk nr. 12).'6
De Minister van Justitie antwoordde hierop als volgt:
`De heer Geurtsen is het met deze gedachtegang in de memorie van toelichting eens. Hij meent echter, dat het juister is, dit in de wet te zetten dan in de memorie van toelichting. Ik achtte dat met de staatscommissie, die het ontwerp heeft voorbereid, niet nodig. Ook de geachte afgevaardigde de heer Van Schaik heeft het tegengesproken, terwijl eveneens de geachte afgevaardigde de heer Geelkerken heeft gezegd, dat dit punt niet incidenteel moet worden geregeld. De geachte afgevaardigde de heer Van Schaik zei, dat kwesties van internationaal privaatrecht hierin niet moeten worden opgenomen. In dat opzicht kan ik met zijn bestrijding niet instemmen, want het gaat bij de voorgestelde toevoeging aan artikel 429c niet om het toepassen van het materiële recht. Dat is inderdaad een kwestie van internationaal privaatrecht. Het gaat echter hier alleen om de rechtsmacht. Als iemand hier tijdelijk werkt en dus hier zijn werkelijk verblijf heeft, en hij vraagt zijn echtgenote, die in het buitenland verblijft, onder curatele te stellen, dan kan het de vraag zijn, of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het verzoek moet dan volgens de opvatting van de Hoge Raad voldoende aanknoping met de Nederlandse rechtssfeer hebben. Men kan verdedigen, dat dit bij de volontaire jurisdictie, bij de rekestprocedure, maar in de wet moet worden gezet, omdat anders dan bij de contentieuze procedure de bepalingen van dit nieuwe artikel 429c, die de relatieve competentie regelen, niet automatisch tot gevolg hebben, dat de rechter rechtsmacht heeft. Bij de contentieuze procedure is het zo dat als er een relatief bevoegde rechter is, hij ook rechtsmacht heeft. Dit is bij artikel 429c niet het geval. Daarop hebben wij in de memorie van toelichting gewezen. Vandaar, dat het mij ook niet juist lijkt te zeggen, dat het incidenteel wordt geregeld. Het ligt bij de rekestprocedures anders dan bij de contentieuze procedure. Naar mijn mening geldt de in het amendement voorgestelde regel ook als hij niet in de wet komt. Persoonlijk heb ik er geen bezwaar tegen, dat datgene, wat in de toelichting staat ook in de wet zelf wordt opgenomen.'7
Hoewel de Minister van Justitie bleef volhouden dat het niet noodzakelijk was om het forum non conveniens in de vorm van een toets van voldoende verbondenheid uitdrukkelijk in art. 429c op te nemen, verklaarde hij tegelijkertijd persoonlijk geen bezwaar te hebben om datgene wat in de Memorie van Toelichting stond ook in de wet op te nemen. Tijdens de vergadering van de Tweede Kamer op 29 oktober 1968 werd het amendement-Geurtsen met 65 tegen 50 stemmen aangenomen.8 Op 1 januari 1970 trad art. 429c Rv oud met de daarin neergelegde Nederlandse variant van forum non conveniens in werking.