Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.2.2
12.2.2 Kwaliteit van getuigenverklaringen
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Daarin verschilt het juridisch concept van ‘betrouwbaarheid’ van de het concept rechtmatigheid. Het oordeel over de rechtmatigheid is in belangrijke mate dichitoom, terwijl de betrouwbaarheid wordt beheerst door een meer graduele waardering (Dubelaar 2009, p. 96).
HR 14 december 1992, NJ 1993, 54 en HR 23 september 2008, NJ 2008, 425. Zie § 10.4.1.2.
Den Hartog 2001, p. 276.
Zie bijv. Hof ’s-Gravenhage 10 maart 2008, LJN BC6068, NJFS 2008, 815. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hanteert een soortgelijke benadering waar het stelt dat een veroordeling uitsluitend mag zijn gebaseerd op de verklaringen van niet-ondervraagde getuigen wanneer de verklaringen voldoende betrouwbaar zijn gelet op hun gewicht in de zaak (EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 147).
Voor wat betreft de kwaliteit van een getuigenverklaring moet – zo zagen we in het tweede hoofdstuk – naar een tweetal aspecten worden gekeken, namelijk naar de inhoud van de verklaring in relatie tot de werkelijkheid en de inhoud van de verklaring in relatie tot de te bewijzen hypothese. Uit het vorige hoofdstuk werd duidelijk dat bij het eerste aspect tevens dient te worden betrokken in hoeverre de weergave van de verklaring in het proces-verbaal strookt met in werkelijkheid afgelegde verklaring.
Als het gaat om de inhoud van de verklaring in relatie tot de werkelijkheid wordt meestal de term betrouwbaarheid gebruikt. In § 2.6.1 is aangegeven dat dit begrip niet helder is. Om die reden wordt in dit boek voor wat betreft de inhoud van de verklaring in relatie tot de werkelijkheid onderscheid gemaakt tussen de waarheidsgetrouwheid en de geloofwaardigheid van een getuigenverklaring. Bij de waarheidsgetrouwheid gaat het om de mate waarin de verklaring correspondeert met de werkelijkheid en bij de geloofwaardigheid gaat het om de mate waarin gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht aan de inhoud van de verklaring op grond van de vermeende correspondentie met de werkelijkheid. Omdat de waarheidsgetrouwheid van een verklaring zich in veel gevallen niet laat vaststellen, moeten we het doen met het oordeel omtrent de geloofwaardigheid.
Ondanks dat betrouwbaarheid voor analytische doeleinden niet een bruikbaar begrip is, kunnen we bij de beschrijving van de praktijk niet helemaal om dit begrip heen. Betrouwbaarheid vormt immers wel de centrale toetsingsmaatstaf voor de inhoud van getuigenverklaringen en is een voorwaarde om de verklaring voor het bewijs te mogen gebruiken. Echter, nergens valt terug te lezen wat er precies onder betrouwbaarheid moet worden verstaan en wat de relatie is met andere begrippen die in dit verband worden gebruikt. Dat het begrip niet helder is geconceptualiseerd komt doordat in de juridische doctrine voor betrouwbaarheid als zelfstandig toetsingskader lange tijd weinig belangstelling is geweest. Pas sinds de rechterlijke dwalingen zien we dat in het juridisch debat en in de rechtspraak meer aandacht bestaat voor deze problematiek. Dit betekent niet dat rechters zich voorheen niet bezighielden met vragen omtrent de kwaliteit van het bewijsmateriaal. Integendeel, de beoordeling daarvan behoort tot een van de belangrijkste taken van de rechter, maar zij deden (en doen) dat grotendeels op hun eigen merites zonder wezenlijke houvast in de juridische doctrine.
Een belangrijke vraag bij de betrouwbaarheid als toetsingsmaatstaf is hoe betrouwbaar of geloofwaardig een getuigenverklaring moet zijn alvorens deze voor het bewijs mag worden gebruikt. Bij betrouwbaarheid gaat het immers om een glijdende schaal:1 een verklaring is meer of minder geloofwaardig. Perfectie (in de vorm van volledige zekerheid) is onbereikbaar. Indien een verklaring in zijn geheel geen ‘oneffenheden’ of kleine inconsistenties bevat, kan dit zelfs duiden op een valselijk gefabriceerde verklaring. Aangezien de bronnen die de rechter gebruikt nooit volmaakt zijn, wordt wel aangenomen dat niet kan worden geëist dat de rechter voor de volle honderd procent zekerheid heeft over het waarheidsgehalte van de verklaring. De vraag is evenwel of er in dit verband niet een bepaalde drempel of ondergrens geldt. De Hoge Raad stelt dat de verklaring door de rechter alleen voor het bewijs mag worden gebruikt ‘wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd’.2 Den Hartog stelt dat als norm moet gelden dat niet of nauwelijks mag worden getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van de verklaring.3 Echter, noch de regelgeving, noch de jurisprudentie biedt op dit punt uitsluitsel. Dat zekerheid in de praktijk niet wordt vereist, blijkt wel uit het feit dat er in de lagere rechtspraak van uit wordt gegaan dat de verklaring door de rechter als voldoende betrouwbaar moet zijn beoordeeld.4 De vraag wanneer een verklaring voldoende betrouwbaar is en wat dat precies betekent voor het gebruik van redengevende passages uit de verklaring voor de bewijsbeslissing, is nog niet beantwoord. Zoals hierna duidelijk zal worden, leidt dit in de praktijk tot lastige vragen. Hierbij zal aan het einde van dit hoofdstuk nog nader worden stilgestaan.
Naast de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de getuigenverklaring is ook de bewijswaarde van de verklaring van belang. De bewijswaarde heeft betrekking op de inhoud van de verklaring in relatie tot de te bewijzen hypothese. In de Nederlandse juridische doctrine is weinig aandacht voor dit concept. Het begrip betrouwbaarheid wordt niet helder van de bewijswaarde onderscheiden. Duidelijk moge zijn dat een verklaring die geheel ongeloofwaardig/ onbetrouwbaar is, weinig bewijswaarde toekomt. De bewijswaarde wordt dus rechtstreeks door de geloofwaardigheid beïnvloed. Echter, de bewijswaarde (in de zin van de diagnostische waarde) van een concreet bewijsstuk kan niet uitsluitend daaruit worden afgeleid. In dit verband wordt verwezen naar de voorbeelden genoemd in § 2.5.2. De algehele kwaliteit van een getuigenverklaring wordt in ieder geval bepaald door de bewijswaarde, die weer sterk afhangt van de geloofwaardigheid.