Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.5.2
1.5.2 Rechtsgebied: belastingrecht en vertrouwensbeginsel
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661521:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Gorissen 2008, par. 3.4.5 (België), par. 4.4 (Duitsland), par. 5.6 (EU-niveau); De Vos 2011; Douma e.a. 2021, p. 286 (over Frankrijk). In de Amerikaanse literatuur zie Blank & Ososky 2017; Monroe 2017; Cauble 2015. Voor het Verenigd Koninkrijk zie Daly 2020; Burkinshaw en Frecknall-Hughes 2016; OTS 2018.
Het internationale vertrouwensbeginsel worden niet behandeld, zie over het Europeesrechtelijke vertrouwensbeginsel De Vos 2011; Arendsen de Wolff & Wijsman 2005. Zie ook Verheij 2018, par. 1: ‘Het EHRM heeft bij mijn weten nooit veel interessants over het vertrouwensbeginsel gezegd en de rechtspraak van het Hof van Justitie kan in een zin worden samengevat: er bestaat in theorie een Unierechtelijk vertrouwensbeginsel, maar dat levert in de praktijk nooit iets op.’ Zie ook Douma e.a. 2021, p. 287.
Andere juridische consequenties van onjuiste informatieverstrekking, zoals schade, blijven buiten beschouwing; zie daarover Wattel 1991, o.a. par. 3.3; Van de Sande 2019.
Zie (kritisch op de koers van de algemene bestuursrechters) Damen 2018. Zie ook Van Triet 2021 en het nog te verschijnen dissertatieonderzoek van Van Triet.
Van Triet 2021; Van de Sande 2019; Barendrecht e.a. 2002.
Blank & Osofsky 2017, p. 13 en p. 201 (zonder voetnoten): ‘While the IRS is not the only Federal agency with a duty to explain the law through clear communication, several aspects of the IRS’s responsibilities make this duty both more challenging and impactful in the tax context than in other areas.’ Zij noemen het grote aantal belastingplichtigen, de complexiteit van het belastingrecht en de self-assessment of compliance. Zie Klaassen 2004, p. 120-123 over de kenmerken van voorlichting door de Belastingdienst vanuit het perspectief van voorlichtingskunde.
Handhavingsbrief Belastingdienst 2018, p. 6. Zie ook Damen 2018, p. 99: ‘De Belastingdienst, de Belastingdienst/Toeslagen en de Belastingtelefoon zijn in alles groot: in aantallen beschikkingen, bezwaarschriften, klachten bij de Nationale ombudsman, klachten in de media.’ Zie over massaliteit verder paragraaf 2.2.1.
Sprenger 2016, p. 159.
Zie paragraaf 2.2.
Meuwese, 2020, p. 3-4.
Zie over de taken van de Belastingdienst in Belastingdienst Jaarplan 2022, p. 11 en artikel 2 lid 1 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (tekst geldend op 1 januari 2022); Rijksbegroting 2022 (ministerie van Financiën), Kamerstukken II 2021/2022, 35925 IX, nr. 2, p. 77.
Zie eerder over de beleidsverantwoordelijkheid van de Belastingdienst rondom toeslagen, de specifieke toeslagensystematiek en de eigen (administratieve) verplichtingen in Handhavingsbrief Belastingdienst 2018, p. 24; Handhavingsstrategie Belastingdienst 2017, p. 23-24.
Zoals de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en wetgeving per type toeslag (zorgtoeslag, huurtoeslag, etc.).
Zie over geluiden om de rechtspraak van de ABRvS onder te brengen bij de Hoge Raad het artikel van 29 december 2020 in NRC via https://www.nrc.nl/nieuws/2020/12/29/prominente-oud-rechters-ontmantel-bestuursrechtspraak-na-toeslagenaffaire-a4025500 (geraadpleegd 29 december 2020).
Zie Cramwinckel & Van Triet 2016 voor een vergelijking ten aanzien van de rol van het dispositievereiste.
Zie het te verschijnen dissertatieonderzoek van Van Triet inzake een rechtsvergelijking tussen het algemene bestuursrecht en het civiele recht op het punt van inlichtingen en toezeggingen door de overheid.
Dit onderzoek gaat over het Nederlandse belastingrecht. De vraag of burgers een in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen is ook in andere rechtsgebieden relevant, maar in dit onderzoek wordt geen rechtsvergelijking gemaakt.1 Het onderzoek is gericht op de juridische consequenties van door voorlichting gewekte verwachtingen en is daarmee gericht op het (nationaalrechtelijke2) vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur.3
De bescherming van de burger ten opzichte van onjuiste informatieverstrekking van de overheid komt verder aan de orde in het algemene bestuursrecht4 en in het civiele recht (denk aan overheidsaansprakelijkheid).5 Waar van belang voor de beantwoording van de onderzoeksvraag, wordt naar literatuur uit die rechtsgebieden verwezen. Bovendien is de Belastingdienst niet de enige wetsuitvoerder die voorlichting geeft, maar geven andere uitvoeringsorganisaties (zoals het UWV en de SVB) ook voorlichting over wet- en regelgeving, waarbij vergelijkbare vragen opkomen. Desalniettemin heeft het belastingrecht een aantal eigenschappen dat de problematiek van aan voorlichting te ontlenen vertrouwen nog uitdagender maakt dan in andere (rechts)gebieden.6 In de eerste plaats de massaliteit van belastingheffing. De Belastingdienst heeft bij de uitvoering te maken met 12 miljoen belastingplichtige burgers.7 Van alle overheidsorganisaties heeft de Belastingdienst ‘de meest intensieve contacten met burgers’ én ‘de lastigste relatie’ (belastingheffing).8 Bovendien typeert het belastingrecht zich door zijn complexiteit, de impact op burgers (belastingen als eenzijdige ingreep in de financiële positie van de burger) en de administratieve verplichtingen die in het kader van belastingheffing op de burger rusten (denk alleen al aan de jaarlijks terugkerende belastingaangifte inkomstenbelasting).9 Specifiek ten aanzien van voorlichting in de fiscale context geldt dat, zoals Meuwese terecht typeert, sprake is van een ‘unieke combinatie van hoge complexiteit en een zeer brede groep eindgebruikers’ waardoor goede ‘vertalingen’ door de Belastingdienst in de vorm van voorlichting noodzakelijk is.10
In dit onderzoek ligt de nadruk op voorlichting van de Belastingdienst in het kader van de uitvoering van de kerntaken van de Belastingdienst, de heffing en inning van rijksbelastingen.11 Daarnaast heeft de Belastingdienst andere taken, zoals premieheffing en opsporing. Toeslagen en Douane zijn na de bestuurlijke ontvlechting in 2020 zelfstandige directoraten-generaal geworden.12 Hoewel de Belastingdienst ook in het kader van bijvoorbeeld toeslagen voorlichting verstrekt, vallen toeslagen als zodanig buiten de reikwijdte van dit onderzoek.13 Wet- en regelgeving ten aanzien van toeslagen betreft geen fiscale wet- en regelgeving, maar valt onder het algemene bestuursrecht.14 Dat brengt mee dat geschillen in toeslagzaken (waaronder gevallen waarin een beroep op het vertrouwensbeginsel bij voorlichting wordt gedaan) in principe niet door de Hoge Raad maar door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State als hoogste rechter worden beslist, met een eigen juridische context en beoordelingskader.15 In hoeverre dit wenselijk is, evenals de wenselijkheid van eventuele overeenkomsten of verschillen16, is een voor de hand liggende vraag (zeker vanuit de burger). Het valt echter vanwege de focus op het belastingrecht buiten het bestek van dit onderzoek.17 Wel kunnen de inzichten uit dit onderzoek ook buiten het fiscale kader van waarde zijn.