Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.1.2
5.3.1.2 L’Oréal/eBay
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955486:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), rov. 136 en 138.
HvJ EU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), rov. 136-140. De algemene surveillanceplicht zou volgens het Hof in strijd zijn met het verbod op algemene toezichtsverplichtingen (art. 15, REH) en de voorwaarden dat maatregelen billijk en evenredig moeten zijn en niet overdreven kostbaar mogen zijn (art. 3, eerste en tweede lid Handhavingsrichtlijn). Het handelsverbod achtte het Hof strijdig met de voorwaarde dat maatregelen geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer scheppen (art. 3 lid 2 Handhavingsrichtlijn).
HvJ EU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), rov. 141 en 143. De in het arrest genoemde belangen betreffen onder meer de doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom (rov. 131) en de bescherming van persoonsgegevens (rov. 142).
In het arrest L’Oréal/eBay kwam aan de orde of, en onder welke omstandigheden een beheerder van een online marktplaats kon worden verplicht maatregelen te nemen om merkinbreuken te voorkomen. Het Hof van Justitie overwoog in dit verband dat art. 11 Handhavingsrichtlijn lidstaten de vrijheid laat om te bepalen welke maatregelen onderwerp kunnen zijn van het bevel, mits het door de richtlijn nagestreefde doel kan worden bereikt en de maatregelen doeltreffend en afschrikkend zijn. Daarbij benadrukte het Hof dat nationale autoriteiten en rechterlijke instanties de beperkingen moeten eerbiedigen die voortvloeien uit de Handhavingsrichtlijn en de rechtsbronnen waarnaar zij verwijst.1 Het overwoog in het kader van die beperkingen dat de rechter aan de tussenpersoon geen actieve surveillanceplicht of een algemeen en permanent verkoopverbod mag opleggen.2 Andersoortige maatregelen achtte het Hof mogelijk, op voorwaarde dat zij doeltreffend en evenredig zijn en een passend evenwicht tussen de betrokken rechten en belangen waarborgen.3