Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.1.3
5.3.1.3 Scarlet Extended en Netlog
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955561:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended); HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog).
Zie specifiek voor het auteursrecht voorts art. 8 lid 3 Arl.
HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended), rov. 42 en 50; HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog), rov. 40 en 48.
HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended), rov. 33; HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog), rov. 31. Vgl. zie HvJ EU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), rov. 138.
Daarvoor bestond met name aanleiding omdat er ook minder ingrijpende varianten denkbaar waren dan het litigieuze filtersysteem; zie Savola, JIPITEC 2014, afl. 5, p. 120.
HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended), rov. 48; HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog), rov. 37.
HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended), rov. 49; HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog), rov. 39.
HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended), rov. 51-53; HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog), rov. 49-51. Het Hof overwoog ten aanzien van de vrijheid informatie nog dat de toepassing van wettelijke uitzonderingen op het auteursrecht kan verschillen van lidstaat tot lidstaat en dat daarnaast sommige werken in bepaalde lidstaten tot het publieke domein behoren of door de betrokken auteurs gratis op het internet zijn geplaatst (rov. 52 resp. 50).
In de tweelingzaken Scarlet Extended en Netlog stond de vraag centraal of een tussenpersoon kan worden verplicht een filtersysteem te installeren om toezicht te houden op informatiestromen tussen de intermediair en zijn gebruikers, met als doel auteursrechtinbreuken te lokaliseren.1 Net als in de vorige arresten was de nationale verplichting gegrond op (een implementatiebepaling van) art. 11 Handhavingsrichtlijn.2
In de onderhavige zaken stond het recht op bescherming van de intellectuele eigendom van de rechthebbende (artikel 17 lid 2 Handvest) tegenover het recht op vrijheid van ondernemerschap van de providers (art. 16 Handvest) en het recht op vrijheid van informatie en bescherming van persoonsgegevens van de gebruikers (art. 11 en 8 Handvest).3 Nog voordat het Hof de weegschalen afstofte, overwoog het echter dat het voorgestelde bevel kon worden gekwalificeerd als een algemene monitorverplichting in de zin van art. 15 lid REH.4 Hoewel het litigieuze filtersysteem daarmee op voorhand niet verenigbaar was met het Unierecht, achtte het Hof het noodzakelijk om een nadere afweging te maken tussen de toepasselijke grondrechten.5
Het Hof overwoog allereerst dat de voorgelegde maatregel een ernstige beperking van de vrijheid van ondernemerschap van de betrokken internetprovider opleverde. Dit kwam voort uit de verplichting om een permanent, duur en ingewikkeld informaticasysteem te installeren, waarvan de kosten voor rekening van de provider zouden komen. Een dergelijke verplichting zou tevens in strijd zijn met de in art. 3 lid 1 Handhavingsrichtlijn neergelegde voorwaarde dat maatregelen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar mogen zijn.6 Onder deze omstandigheden oordeelde het Hof dat het voorgestelde bevel geen rechtvaardig evenwicht tot stand bracht tussen het recht op bescherming van intellectuele eigendom en de vrijheid van ondernemerschap.7
Vervolgens besteedde het Hof aandacht aan de afweging van het recht op intellectuele eigendom enerzijds en het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op vrijheid van informatie anderzijds. Het Hof merkte op dat het voorgestelde filtersysteem een inperking vormde van het recht op bescherming van persoonsgegevens, omdat het een systematische analyse van alle inhoud veronderstelde, inclusief het verzamelen en identificeren van de IP-adressen van gebruikers die illegale inhoud via het netwerk verstuurden. Bovendien zou het filtersysteem volgens het Hof afbreuk kunnen doen aan de informatievrijheid, aangezien het filtersysteem mogelijk onvoldoende onderscheid maakte tussen legale en illegale inhoud, wat tot overblokkering zou kunnen leiden. Op basis van deze overwegingen concludeerde het Hof dat geen rechtvaardig evenwicht was bereikt tussen de betrokken grondrechten.8