Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/1.5:1.5 Plan van behandeling
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/1.5
1.5 Plan van behandeling
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447313:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gegeven het voorgaande is het plan van behandeling als volgt. In het eerste deel van dit boek wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste saneringsinstrumenten die ons insolventierecht kent en wordt hun onderlinge verhouding besproken. De buitengerechtelijke regeling wordt in dit kader slechts kort aangestipt. Hoewel de buitengerechtelijke regeling sinds 1 januari 2008 een wettelijke basis heeft gekregen in art. 287a Fw, is dit niet meer dan een codificatie van het geldende recht betreffende het kunnen dwingen van een weigerachtige schuldeiser tot medewerking aan een buitengerechtelijke regeling. In hoofdstuk 8 zal daarop uitvoeriger worden ingegaan.
De al eerder genoemde schuldsaneringsregeling die ons recht sinds 1 december 1998 kent, heeft een eigen wetsgeschiedenis en eigen doelstellingen, die niet stroken met de geschiedenis en de doelstellingen van het faillissement en de surseance. Het bijzondere karakter van de schuldsaneringsregeling komt tevens tot uitdrukking in de regeling van het akkoord. Ten opzichte van het akkoord in faillissement en surseance is het akkoord in de schuldsaneringsregeling soepeler van aard. Omdat in dit onderzoek het akkoord in faillissement tot uitgangspunt is genomen en omdat het akkoord in de schuldsaneringsregeling ten opzichte daarvan een eigen, afwijkend karakter heeft, wordt in hoofdstuk 2 uitgebreider aandacht besteed aan het akkoord in voornoemde regeling. Hoewel het akkoord in de schuldsaneringsregeling van de drie akkoordregelingen de jongste in tijd is, heeft de regeling wel model gestaan voor de aanpassingen van de regelingen van het akkoord in faillissement en surseance. Ook om deze reden wordt in hoofdstuk 2 uitgebreider ingegaan op het akkoord in de schuldsaneringsregeling, voordat in de hoofdstukken 3 en volgende de aandacht wordt verlegd naar het akkoord in faillissement en surseance.
De vraag naar het rechtskarakter van het akkoord wordt besproken in hoofdstuk 3. Het antwoord op deze vraag is van groot belang voor het kunnen vaststellen van de rechten en verplichtingen van zowel de schuldenaar als de betrokken schuldeisers. Daarnaast wordt onderzocht of de dwingendrechtelijke akkoordregeling in de Faillissementswet leemtes bevat en zo ja, of de dwingendrechtelijke regeling toelaat dat deze worden aangevuld met regels van het algemene verbintenissenrecht.
Hoofdstuk 4 is gewijd aan de inhoud van een akkoord. Wat kunnen partijen in een akkoord afspreken en wat niet? Het antwoord op voornoemde vraag hangt nauw samen met het rechtskarakter van het akkoord, dat in hoofdstuk 3 is besproken. In hoofdstuk 4 worden de grenzen aangegeven van hetgeen kan worden afgesproken in een akkoord, dat krachtens art. 157 Fw dwingend kan worden opgelegd aan alle aan het akkoord gebonden schuldeisers.
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de totstandkoming van een akkoord. De procedure vanaf het aanbod van een akkoord door de schuldenaar tot aan de homologatie van het akkoord door de rechter, wordt in dit hoofdstuk besproken. In het kader van de stemprocedure over een akkoord wordt onder meer stilgestaan bij de vraag wie stemrecht heeft over een akkoord.
Aan de verplichte homologatieprocedure wordt eveneens aandacht besteed. Ten slotte zal kort worden ingegaan op de invloeden van de Europese Insolventie verordening op de totstandkoming van een akkoord.
Hoofdstuk 6 handelt over de rechtsgevolgen van een gehomologeerd akkoord. In dit hoofdstuk wordt ervan uitgegaan dat een akkoord is aangenomen en gehomologeerd en dat in verband met art. 161 Fw het faillissement is beëindigd. Er zal onder meer worden ingegaan op de posities van de diverse schuldeisers, nadat aan het faillissement door een akkoord een einde is gekomen. Welke schuldeisers zijn aan een gehomologeerd akkoord gebonden? Welke positie neemt een gebonden schuldeiser met een verrekeningsbevoegdheid in? Komt door een akkoord zijn bevoegdheid tot verrekening te vervallen? Hoe zit het met de positie van de schuldeiser met een achtergestelde vordering, nadat het faillissement is beëindigd door een akkoord? Voorts zal aandacht worden besteed aan de vraag wat de status is van de niet of niet volledig door de schuldenaar voldane vorderingen, nadat het faillissement met een akkoord is geëindigd. Ten slotte zal de kwijtscheldingswinstregeling van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB in relatie tot een gehomologeerd akkoord worden besproken.
In hoofdstuk 7 zal nader worden ingegaan op de vraag of een eenmaal gehomologeerd akkoord nadien nog kan worden aangetast. In dit kader zal de ontbindingsprocedure worden besproken en wordt uitvoerig stilgestaan bij de vraag welke schuldeiser ontbinding van een akkoord kan vorderen.
Hoofdstuk 8 is gewijd aan de buitengerechtelijke regeling. Ingegaan zal worden op de totstandkoming en de verbindendheid van voornoemde regeling. Mede aan de hand van rechtspraak zal in het bijzonder de vraag aan de orde worden gesteld of een buitengerechtelijke regeling dwingend aan een weigerachtige schuldeiser kan worden opgelegd. In dit verband zal tevens aandacht worden besteed aan art. 287a Fw en aan het in het voorontwerp Insolventiewet geregelde akkoord buiten insolventie.
Het boek wordt in hoofdstuk 9 afgesloten met een samenvatting en een aantal conclusies.