Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/20.4.2
20.4.2 Verplichting tot afsluiting
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS481188:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Opzoomer 1876, p. 360.
Art. 690 BW (oud) luidt: ‘1. Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of het stellen (O.E.: herstellen) van afsluiting, dienende tot afscheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen. 2. De wijze en hoogte der afsluiting zullen geregeld worden volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken.’
Zie over de positie van een huurder recentelijk: Vzr. Rb. Utrecht 16 mei 2002, KG 2002, 172.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 199.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 199.
De verplichting tot afsluiting is niet algemeen.1 Slechts in de gevallen als bedoeld in art. 5:49 bestaat op verzoek van de ene eigenaar voor de naburige eigenaar een verplichting tot medewerking aan het aanbrengen van een afsluiting.2 Ingevolge art. 5:49 lid 1 kan iedere eigenaar van zijn buurman (eigenaar van het naastgelegen perceel) te allen tijde vorderen dat de laatste ertoe meewerkt dat op de grens van de erven een scheidsmuur wordt opgericht.3 De medewerking bestaat daarin dat hij bijdraagt in de kosten en dat hij een strook grond beschikbaar stelt.4
Meijers stelt:
‘Niet overgenomen is de regel van het ontwerp 1898, dat hij die de afsluiting vraagt, eigenaar van een gebouw met onbebouwde aanhorigheid moet zijn. De verplichting tot medewerken en tot het bijdragen in de kosten wordt gerechtvaardigd door het belang van hem wiens medewerking wordt ingeroepen. Dit belang is in een bebouwde kom groter dan daarbuiten, onverschillig of op het terrein reeds een huis staat of niet; daarom wordt geen andere eis gesteld dan dat de erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente gelegen zijn.’5