Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/9.3:9.3 Belastingen die het EHRM niet excessief vond
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/9.3
9.3 Belastingen die het EHRM niet excessief vond
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197367:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor een overzicht van alle belastingzaken die zijn gewezen tot het jaar 2000 verwijs ik naar Baker 2000.
ECRM 2 december 1985, nr. 11036/84 (Svenska Managementgruppen AB v. Sweden).
ECRM 2 september 1992, nr. 14623/89 (H.K.KG. v. Austria).
ECRM 15 mei 1996, nr. 27109/95 (Raimo Kaira v. Finland).
ehrm 13 januari 2004, nr. 43783/98 (orion břeclav s.r.o. c. république tchèque).
ehrm 4 januari 2008, nrs. 834/05 en 27815/05 (imbert de tremiolles c. france). zie over deze zaak nader baker 2008, p. 316.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door het ontbreken van een proportionaliteitstoetsing zijn de in de vorige paragraaf besproken beslissingen van de ECRM achterhaald. Dat geldt niet voor de rechtspraak die in het hiernavolgende aan de orde komt. In al deze zaken is de ECRM of het EHRM toegekomen aan een beoordeling van de fair balance. Hoewel de belastingwetgeving die in deze paragraaf aan de orde komt zeer divers is, kan dat niet gezegd worden van de uitkomst van de zaken: de Straatsburgse rechters beslisten steeds dat het eigendomsrecht niet was geschonden. Dit hoofdstuk bevat geen uitputtende opsomming van alle belastingzaken over (vermeend) onteigenende belastingen, maar alleen de meest relevante zaken.1
Svenska Managementgruppen AB
Zweden besloot in 1983 tot oprichting van beleggingsinvesteringsfondsen voor werknemers. Via deze fondsen wilde de regering een verandering in de economische machtsverhoudingen tot stand brengen. Dit moest geschieden door de overdracht van kapitaal van handel en industrie naar de werknemers. Deze kapitaaloverdracht moest worden gerealiseerd door (i) heffing van een “profit-sharing tax” van 20% van de winst, en (ii) een zeer beperkte verhoging van de verplichte pensioenpremies. Het bedrijf Svenska Managementgruppen AB betoogde dat deze heffingen in strijd waren met artikel 1 Eerste Protocol. De kern van haar betoog was dat de maatregelen niet in het algemeen belang waren, maar vooral tegemoet kwamen aan de wensen van de vakbonden. Zij stelde dus de legitimate aim van de heffing ter discussie. Haar klacht werd door de ECRM verworpen:2
“As already mentioned above, the Convention leaves it to the Contracting States to determine their political, economic and social policies and Article 1 of Protocol No. 1 to the Convention is not intended to protect any specific political view or system. Article I is a guarantee within the democratic States Parties to the Convention, securing the peaceful enjoyment of possessions and it is in this light that the Commission examines the interference imposed on the applicant.
The circumstances of the present case show that the applicant is bound to pay a new tax which amounts to a certain percentage of its profits. Furthermore it has been established that the applicant must pay an increase in social pension charges amounting to 0,2-0,5 per cent. The Commission cannot find that these obligations affect the applicants guarantee of ownership or interfere with its financial situation to such an extent that this could be considered disproportionate or an abuse of the Contracting Party’s right under Article 1 of Protocol No. I to levy taxes.”
Het beroep van Svenska Managementgruppen AB was gedoemd om te mislukken. De keuze om al dan niet kapitaal over te hevelen van aandeelhouders naar werknemers en de wijze waarop is in beginsel voorbehouden aan de politiek. De Straatsburgse rechter zal niet in die keuze treden, tenzij deze “devoid of reasonable foundation is”. Daarvan was in het geval van de “profit sharing tax”, hoewel mogelijk controversieel, zeker geen sprake. Het eigendomsrecht van Svenska Managementgruppen AB zou alleen geschonden zijn als de “profit sharing tax” een fundamentele inbreuk zou maken op haar financiële positie. Het bedrijf heeft echter geen inzicht gegeven in haar financiële positie en de gevolgen van de “profit sharing tax” daarvoor. In dat geval is van een klacht over een belastingheffing van 20% van de winst en een beperkte verhoging van de pensioenpremies, beide met een sociaal doel, manifest geen succes te verwachten.
WASA v. Sweden
Deze zaak betrof een eenmalige heffing van 7% van levensverzekeraars over hun vermogen boven de 10 miljoen Zweedse kronen. De reden voor deze belastingheffing was puur budgettair: Zweden wilde de inflatie laag houden en het begrotingstekort terugdringen. Dit werd door de ECRM uiteraard gezien als een gerechtvaardigde doelstelling in het algemeen belang:
“It is undoubtedly within the sovereign power of a State to enact legislation of this nature and the Commission finds that this is clearly a measure introduced with a public purpose and considered by the State to be in the general interest.”
De Commissie was voorts van oordeel dat de eenmalige heffing van 7% de financiële situatie van de levensverzekeraars niet onevenredig zwaar heeft aangetast en dat Zweden geen misbruik heeft gemaakt van zijn recht om belasting te heffen. Daarbij nam de Commissie in aanmerking dat de situatie in de levensverzekeringssector in Zweden destijds uniek was en die sector op fiscaal gebied in het algemeen al een gunstige behandeling ten deel viel:
“This aim was pursued by levying the one-off tax on inter alia the applicants amounting to 7% of their assets exceeding 10 million Swedish crowns due, in particular, to the fact that the situation in the entire life insurance sector was unique at the time and because of the favourable treatment afforded to this sector as regards taxation in general, a treatment which is still maintained. In such circumstances the Commission cannot find that the one-off tax affected the applicants’ rights of ownership of its assets, be it monetary or other assets, or interfered with their financial situation to such an extent that this could be considered disproportionate or an abuse of the State’s right under Article 1 of Protocol No. 1 (P1-1) to levy taxes.”
Dit oordeel zal wel niemand verbazen. Een eenmalige vermogensbelastingheffing van 7% van fiscaal geprivilegieerde ondernemingen zal niet snel in strijd met de mensenrechten worden geoordeeld. Daarvoor zal de betrokkene toch moeten kunnen aantonen dat het door de belastingheffing niet meer mogelijk is om zijn bedrijf rendabel te exploiteren. Daarvan is in het geval van WASA niets gebleken.
H.K.KG. v. Austria
Door Oostenrijk werd een “equalisation tax” (Ausgleichstaxe) geheven van werkgevers die niet voldeden aan de norm om per 25 werknemers 1 gehandicapte werknemer in dienst te hebben. De belanghebbende had geprobeerd om gehandicapte werknemers aan te nemen, maar dat was niet gelukt. Kennelijk waren er te weinig gehandicapten beschikbaar op de arbeidsmarkt. Daarom was zij ter compensatie een bedrag van ATS 14.440 (ongeveer € 1050) aan belasting verschuldigd. Volgens de belanghebbende was deze belasting excessief vanwege (i) het beperkte aantal arbeidsplaatsen voor invaliden en (ii) het grote aantal belastingen en sociale premies die bedrijven waren verschuldigd. Gezien de algemeenheid van deze stellingen en het beperkte bedrag aan verschuldigde “equalisation tax” is het begrijpelijk dat de ECRM de klacht afwees:3
“In the present case the imposition of the tax in question is clearly linked to an objective factor namely non-employment of disabled persons regardless of whether this is the result of a deliberate policy of the employer or of an impossibility to find suitable persons as employees. The receipts are paid into a Disabled Persons Employment Fund.
The Commission cannot therefore find that in the circumstances of the applicant company the imposition of the equalisation tax was excessive or arbitrary.”
De onvermijdbaarheid van de heffing in geval van onmogelijkheid om aan het doel ervan te beantwoorden en het ontbreken van een overmachtbewijsmogelijkheid, spelen dus kennelijk geen rol voor de Commissie, die de heffing blijkbaar niet als een straf op niet-meewerken ziet, maar als een objectieve heffing ten gunste van een sociaal fonds.
Raimo Kaira v. Finland
In Finland waren apotheekhouders verplicht om een apotheekbelasting te betalen over de omzet. In een jaar waarin een apotheek werd overgenomen door een andere apotheek werd de belasting berekend over de omzet van beide apotheken naar rato van ieders aandeel in de omzet verdeeld over beide apotheken. De belasting werd berekend naar een progressief tarief, oplopend van 6% naar 11% van de omzet met inachtneming van een bepaalde drempel. De belanghebbende in Raimo Kaira v. Finland4 had zijn apotheek op 29 februari 1992 verkocht. Zijn omzet bleef in de periode van 1 januari tot 29 februari beneden het drempelbedrag, zodat hij stand alone geen apotheekbelasting verschuldigd was. De apotheekbelasting werd echter berekend over de jaaromzet van de overdrager en de overnemer samen. Hierdoor was hij toch een bedrag van ongeveer € 16.000 aan apotheekbelasting verschuldigd over de eerste twee maanden (wat neerkwam op ongeveer 8% van zijn omzet in die twee maanden). De Commissie wees de klacht af, omdat de apotheekbelasting geen disproportionele inbreuk maakte op de financiële positie van de betrokkene:
“the Commission notes that the pharmacy duty varies between 6 % and 11 % of a pharmacy’s turnover, in the applicant’s case being about 8 %. It is true that if the applicant’s pharmacy duty had been determined only on the basis of his own turnover for the two months, his turnover would have been below the minimum threshold for paying such a duty. Nevertheless, the Commission cannot find that the relevant pharmacy duty affected the applicant’s possession rights or interfered with his financial situation to such an extent that this could be considered disproportionate or an abuse of the State’s right under Article 1 of Protocol No. 1 (P1-1) to levy taxes and other contributions.”
Wolfhard Koop-Automaten Goldene7 GmbH & Co. KG v. Germany
Duitsland hief een “entertainment tax” van exploitanten van kansspelautomaten. De belasting bedroeg DM 200 (ongeveer € 102) per automaat per maand. De Commissie overwoog met betrekking tot de fair balance van deze belasting:
“the applicant company did not show that it had to bear an excessive burden as a consequence of the taxation at issue. In this respect, the Court observes that the applicant company abandoned, already at the domestic level, the argument that its business was no longer profitable as a result of the taxation.”
A contrario kan hieruit worden opgemaakt dat het beroep mogelijk wel een kans van slagen zou hebben gehad als het bedrijf niet langer winstgevend was geweest als gevolg van de belastingheffing. Aangezien die stelling al was ingetrokken in de nationale procedure, kon de Commissie tot geen ander oordeel komen dan dat een belasting van DM 200 per machine per maand niet in strijd was met artikel 1 Eerste Protocol.
Orion Břeclav s.r.o. c. République tchèque5
Ook de betrokkene in deze zaak was een exploitant van speelautomaten. Door een wetswijziging werden de vergoedingen die zij aan de gemeente moest betalen voor het exploiteren van kansspelautomaten verhoogd met 300%. Volgens de betrokkene werd zij financieel zwaar getroffen door deze heffing waardoor haar eigendomsrecht werd geschonden. De klachten werden afgewezen door het EHRM. De feiten ondersteunden de stelling van de betrokkene namelijk niet. Ze bleek erin geslaagd om haar ondernemingsactiviteiten uit te breiden en was ook na de tariefsverhoging winstgevend gebleven. Het EHRM nam verder in aanmerking dat de mogelijkheid bestond om uitstel van betaling te krijgen.
Imbert de Tremiolles c. France6
In deze zaak betoogden de betrokkenen dat de heffing van vermogensbelasting in de jaren 1997 en 2002 onverenigbaar was met artikel 1 Eerste Protocol. Deze heffing was gemaximeerd op 85% van het netto belastbaar inkomen (een soort box 3 dus, maar dan mét een begrenzing die zeker stelt dat de belasting uit het inkomen kan worden voldaan, zoals die ook in Nederland heeft bestaan vóór de invoering van box 3 en de afschaffing van de Vermogensbelasting). Volgens het EHRM valt deze wetgeving, mede gezien deze begrenzing, binnen de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid op belastinggebied:
“Quant à l’exigence de proportionnalité entre l’ingérence dans le droit de la requérante et les buts d’intérêt général poursuivis, la Cour estime que les modalités d’application de la législation en question, et notamment l’application de la règle du plafonnement et la détermination de l’assiette servant au calcul de celui-ci, relevaient de la marge d’appréciation qui est reconnue à l’Etat en la matière, notamment dans le cadre de la mise en œuvre de sa politique fiscale.”
Het Hof nam verder in aanmerking dat het vermogen van de betrokkenen tussen 1997 en 2002 was gegroeid van ruim € 9.5 miljoen tot een kleine € 12 miljoen. Dit vormt een sterke aanwijzing dat de vermogensbelasting, anders dan de betrokkenen beweerden, voor hen geen excessieve last vormde.
Deze zaak illustreert dat een belastingheffing die een algemeen belang dient en voldoende duidelijk in de wet staat niet snel in strijd zal komen met artikel 1 Eerste Protocol. Een vermogensbelasting die kan oplopen tot 85% van het netto belastbaar inkomen wordt door het EHRM in ieder geval nog aanvaardbaar geacht. Een openstaande vraag is hoe het EHRM aankijkt tegen een vermogensbelasting die niet kan worden voldaan uit de vruchten van het vermogen. Een voorbeeld van een ‘echte’ excessieve vermogensbelasting van – voor sommigen – vér boven de 100% van het werkelijke rendement (of beter gezegd: fictieve-inkomstenbelasting die wordt geheven over het vermogen) is de Nederlandse vermogensrendementsheffing van box 3. In par. 13.4.4.2 ga ik uitgebreid in op deze regeling.