Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.2.2.1
8.2.2.1 Taylor v. Standard Gas (1939): de Deep Rock doctrine
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406886:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Taylor v. Standard Gas & Electric Co., 306 U.S. 307, 59 S.Ct. 543 (1939).
Taylor v. Standard Gas & Electric Co., 306 U.S. 307, 59 S.Ct. 543 (1939), p. 545.
Deep Rock werd gereorganiseerd onder Chapter 11 BC. De vraag naar de status van de vordering van Standard was daarom relevant voor het bepalen van haar aanspraken op grond van het reorganisatieplan.
“From the outset Deep Rock was insufficiently capitalized, was topheavy with debt and was in parlous financial condition. […] So inadequate was Deep Rock’s capitalization that, in the period from organization to 1926, the balance due on open account to Standard grew more than $14,800,000.” (Taylor v. Standard Gas & Electric Co., 306 U.S. 307, 59 S.Ct. 543 (1939), p. 547).
Bij het uitblijven van dividenduitkeringen zouden de preferente aandeelhouders zeggenschapsrechten verwerven. Het Supreme Court oordeelt over het dividendbeleid: “Whatever may be the fact as to the legality of such dividends judged by the balance sheets and earnings statements of Deep Rock, it is evident they would not have been paid over a long course of years by a company on the precipice of bankruptcy and in dire need of cash working capital.” (Taylor v. Standard Gas & Electric Co., 306 U.S. 307, 59 S.Ct. 543 (1939), p. 323).
De basis voor de achterstelling van vorderingen is gelegd door het US Supreme Court in 1919 in zijn oordeel inzake Deep Rock.1Standard Gas & Electric (Standard) was meerderheidsaandeelhouder van Deep Rock Oil Corp (Deep Rock). Deep Rock was in 1919 opgericht om een onderneming van een derde over te nemen. De vennootschap was vanaf haar oprichting ondergekapitaliseerd of, in de woorden van haar bestuurders, “two jumps ahead of the wolf”.2 Toen Deep Rock in 1933 failleerde, diende Standard een vordering van bijna 10 miljoen dollar ter verificatie in bij de curator.3 De grondslag van de vordering betrof een schuld in rekening-courant van Deep Rock aan haar moedervennootschap, voortvloeiende uit een grote hoeveelheid transacties tussen beide venootschappen. Ruim een derde van de vordering bestond uit nog niet uitbetaalde dividenduitkeringen. Andere schulden van Deep Rock aan Standard betroffen hoge management fees en verplichtingen uit lease-overeenkomsten. Over alle verplichtingen was Deep Rock tevens een hoog rentepercentage verschuldigd.
Het Supreme Court stelde vast dat de oorzaak van het faillissement van Deep Rock niet alleen gelegen was in de enorme schuld aan haar moeder, maar ook voortvloeide uit het feit dat haar aandeelhouder en bestuurders stelselmatig het belang van de moedervennootschap hadden laten prevaleren boven dat van Deep Rock. Het Court overwoog dat Deep Rock van meet af aan was ondergekapitaliseerd, onder meer blijkende uit het feit dat Standard haar balans meerdere keren had moeten versterken, en haar werkkapitaal keer op keer niet afdoende bleek voor de door de vennootschap uitgeoefende ondernemingsactiviteiten.4 De dividenduitkeringen in deze zware tijden hadden met name ten doel gehad om een aantal preferente aandeelhouders zoet te houden;5Standard had liquide middelen aan Deep Rock verstrekt om de uitkeringen op de prefs te kunnen financieren. Daarnaast overwoog het Supreme Court dat het, op basis van de verslaglegging van de duizenden transacties tussen Deep Rock en haar aandeelhouder, onmogelijk was om te bepalen hoe Deep Rock er voor zou hebben gestaan indien zij wel over een adequate financiering en behoorlijke bestuurders had beschikt. Daarom werd de vordering van Standard achtergesteld bij de vorderingen van alle andere crediteuren, en tevens bij die van de preferente aandeelhouders.