Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.2.2.3
8.2.2.3 Comstock v. Group of Institutional Investors (1948): terug naar de basis
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407966:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Comstock v. Group of Inst. Investors, 335 U.S. 211 (1948).
De vraag of het handelen van de moedervennootschap daadwerkelijk de belangen van de dochtervennootschap bevorderde, zal in par. 7 aan bod komen.
Zie bijvoorbeeld Nozemack 1999, p. 695, Dickens 1987, p. 827 en DeNatale & Abram 1985, p. 428.
“It is no answer to Comstock’s claim that the District Court found that the transactions giving rise to the MOP claim were carried out in good faith. The equities which form the Deep Rock doctrine relate not alone to maters of bad faith. (…) They are also concerned with the essential fairness and propriety of transactions from an objective standpoint.” (Comstock v. Group of Inst. Investors, 335 U.S. 211 (1948), p. 235-238).
Tien jaar na deze twee belangrijke uitspraken inzake achterstelling, beperkt het US Supreme Court de Deep Rock doctrine. De casus waarover diende te worden geoordeeld in de Comstock zaak betrof een zeer complexe reorganisatie van een spoorwegmaatschappij onder Chapter 11.1 Op deze uitspraak zal nader worden ingegaan in par. 7. Het is hier echter van belang dat het Supreme Court in deze uitspraak expliciet overwoog dat het uitoefenen van controle over een (dochter) vennootschap door de wet niet wordt verboden. Het Supreme Court benadrukte dat de Deep Rock doctrine pas een rol gaat spelen indien een fiduciary die controle uitoefent, zichzelf verrijkt ten koste van de vennootschap en haar crediteuren, en overwoog tevens dat zijn uitspraak inzake Pepper v. Litton “was based on the equities of the case – the history of spoliation, mismanagement, and faithless stewardship of the affairs of the subsidiary by Standard to the detriment of the public investors.”
De kredietverstrekkende moedervennootschap in de Comstock casus gebruikte haar controle naar het oordeel van het Supreme Court te goeder trouw en bevorderde daarmee zelfs de belangen van de vennootschapscrediteuren.2 Daarom diende haar vordering in de reorganisatie niet te worden achtergesteld. In de juridische literatuur en rechtspraak wordt aan dit oordeel de conclusie verbonden dat voor achterstelling vereist is dat er sprake is van inequitable conduct in combinatie met bad faith.3 Het Supreme Court kwam overigens niet gemakkelijk tot dit oordeel; van de negen rechters bereikten er vier een andere conclusie. In hun dissenting opinion stelden zij dat de Deep Rock doctrine niet louter zag op situaties waarin sprake was van bad faith; de aan de doctrine ten grondslag liggende beginselen van rechtvaardigheid (equity) zagen naar hun oordeel ook op de algehele rechtvaardigheid van de transacties tussen moeder en dochter vanuit een objectief perspectief.4