Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.4.6
IV.3.4.6 D) ‘Defensief gedrag van bestuurders is onwenselijk’
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460378:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Assink 2017, p. 189, voetnoot 3.
De wenselijkheid van risicomijdend gedrag werd ook belicht door o.a. Westenbroek 2021, par. 4; Van Veen 2016, par. 3.4; Pham 2015, par. 4.3; en is ook kort aangestipt door Timmerman 2016b, nr. 6, die stelt dat ‘onder bepaalde omstandigheden bestuurdersaansprakelijkheid wel degelijk mag bijten’. Zie voorts wat Scheltema schrijft over de ‘functies van bestuursrechtelijke aansprakelijkheid’: Scheltema in Assink e.a. 2017, par. 3.
“Voor alle handelingen die een persoon als bestuurder verricht geldt de ‘persoonlijk een ernstig verwijt’norm”, Schild 2015, p. 1052. Dit algemene karakter kan ook worden afgeleid uit o.a. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.3.2. Zie voorts het Pommé-arrest waarin de Hoge Raad de ernstig verwijt-maatstaf hanteert als een aan de onrechtmatige daad nevengeschikte toets: HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930, JOR 2014/297, m.nt. Kroeze (Pommé), r.o. 4.5.3.
Cohen Jehoram 2017, p. 99.
Kroeze ziet het voorkomen van normschendend of onwenselijk onvoorzichtig gedrag als een ‘nuttige functie’ van het aansprakelijkheidsrecht: Kroeze 2005, par. 3. In deze zin ook Westenbroek 2019, par. 4 en 5. Zie voorts wat ik hieromtrent schrijf in par. IV.3.5.3.
Tot zo ver kwam aan bod dat bestuurders niet bang hoeven te zijn voor de ‘gewone onrechtmatige daad’; dat de angst van bestuurders niet correspondeert met de daadwerkelijke aansprakelijkheidsrisico’s; dat het onzeker is of bange bestuurders zich daadwerkelijk ‘bang’ gedragen; en dat eventuele angst en defensief gedrag bij bestuurders kunnen worden herleid tot specifieke omstandigheden. Maar stel desondanks dat alle eerdere aannames toch juist zouden zijn – dus dat bonafide bange bestuurders uit angst voor te strenge aansprakelijkheidsregels defensiever gedrag vertonen – is dit defensieve gedrag dan (altijd) onwenselijk?
Als gezegd vrezen voorstanders van de ernstig verwijt-doctrine dat het defensieve gedrag van bestuurders onder andere leidt tot minder winstgevende bedrijven, minder economische groei en minder werkgelegenheid. Daarom zou het algemene belang erbij gebaat zijn dat defensief bestuurlijk gedrag wordt voorkomen. Er zijn ongetwijfeld situaties waarin het goed is dat bestuurders voortvarend en onverschrokken te werk kunnen gaan. Echter mag niet worden vergeten dat defensief bestuurlijk gedrag niet inherent slecht is. Zo schrijft Assink, helaas weggestopt in een voetnoot, dat “angst niet altijd onwenselijk [is], met name niet wanneer het gaat om het tegengaan van niet-bonafide gedrag”.1 Dit belangrijke inzicht speelt naar mijn idee een te kleine rol in de bange bestuurders-discussie.2
Er zijn namelijk legio situaties denkbaar waarin risicozoekend bestuurlijk gedrag botst met het algemeen belang. Bijvoorbeeld, het is ongetwijfeld lucratief voor een onderneming als bestuurders af en toe risico’s nemen met betrekking tot milieu- of veiligheidsbeleid. Maar als bestuurders – al dan niet aangemoedigd door een restrictief aansprakelijkheidsregime – ten aanzien van deze kwesties bereid zijn om grote risico’s te nemen, zal dat ongetwijfeld resulteren in meer milieurampen en bedrijfsongevallen. Soms is het dus niet onwenselijk als bestuurders risico’s uit de weg gaan. In dergelijke situaties gaat het bange bestuurders-argument in zijn geheel niet op. Desalniettemin lijkt de ernstig verwijt-maatstaf in generieke zin te gelden, dus voor alle handelingen die de bestuurder in hoedanigheid verricht.3
Het beperken van de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders kan onwenselijke gevolgen hebben. Cohen Jehoram constateert bijvoorbeeld dat bestuurders best wat banger zouden mogen zijn voor de aansprakelijkheid voor inbreuken op intellectuele eigendomsrechten:
“Het is voor bestuurders die daadwerkelijk leidinggeven aan [het opzettelijk op commerciële schaal inbreuk maken op intellectuele eigendomsrechten], blijkens lagere jurisprudentie vaak te gemakkelijk de aansprakelijkheidsdans te ontspringen door zich achter de rechtspersoon te verschuilen. De lagere doorbrekingsjurisprudentie is te terughoudend en biedt kwaadwillenden nog te vaak een veilige haven; daar waar zij niets te vrezen hebben.”4 (toevoeging TRB)
De aanvullende bescherming van bestuurders tegen persoonlijke aansprakelijkheid mag vanzelfsprekend niet ertoe leiden dat de bestuurder vrijuit gaat bij normschendend- of onwenselijk onvoorzichtig bestuurlijk gedrag.5 De toepassing van de ernstig verwijtmaatstaf zou in dergelijke gevallen de handhaving van (gedrags)normen en het verhaal voor gedupeerden onterecht bemoeilijken.
Kortom, risiconemend bestuurlijk gedrag is niet altijd wenselijk. Soms is het prima – of sterker nog: zelfs de bedoeling – dat angst voor aansprakelijkheid leidt tot defensief handelen van bestuurders. In dergelijke gevallen is de aanvullende bescherming van de bestuurder tegen persoonlijke aansprakelijkheid ongefundeerd en zelfs contraproductief.