Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.5.2
4.5.2 Subjectief vergoedingsbegrip
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291438:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232, m.nt. Tuk, r.o. 11 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats).
Conclusie A-G Verloren van Themaat 2 maart 1982, zaak 89/81, ECLI:EU:C:1982:73, onderdeel 2, punt 3 (Hong Kong Trade Development Council). Overigens is het opvallend dat A-G Verloren van Themaat conclusie nam in deze zaak, omdat hij afkomstig was uit de lidstaat (Nederland) van waaruit de prejudiciële vragen waren gesteld (zie paragraaf 2.3.5.1).
In bijlage A, punt 13 werd het begrip tegenwaarde als volgt gedefinieerd: “(…) al hetgeen als tegenprestatie wordt ontvangen voor de levering van het goed of voor de dienst, met inbegrip van de bijkomende kosten (verpakking, vervoer, verzekering, enz.), dat wil zeggen niet alleen de ontvangen bedragen, doch bijvoorbeeld ook de waarde van de in ruil ontvangen goederen of, in geval van vordering door of namens de overheid, het bedrag van de ontvangen vergoeding.”
HvJ EG 8 maart 1988, zaak 102/86, ECLI:EU:C:1988:120, r.o. 10 (Apple and Pear Development Council) en HvJ EG 23 november 1988, zaak 230/87, ECLI:EU:C:1988:508, r.o. 10 (Naturally Yours Cosmetics).
Ook in het Nederlandse civiele recht vereist een overeenkomst onder bezwarende titel dat de prestatie van de een rechtens verband houdt met een prestatie van de wederpartij (C.H. Sieburgh, Asser/Sieburgh 6-III 2018/84 (online, bijgewerkt op 2 november 2018)).
A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 209.
HvJ EG 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232, m.nt. Tuk, r.o. 12 en 13 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats). Uit HvJ EG 23 november 1988, zaak 230/87, ECLI:EU:C:1988:508, r.o. 12 en 16 (Naturally Yours Cosmetics) volgt dat dit niet alleen geldt voor diensten, maar ook voor de levering van goederen. (in gelijke zin: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 195). In zijn arrest van 9 juni 2011, zaak C-285/10, V-N 2011/37.20, r.o. 28 en 31 (Campsa Estaciones de Servicio) maakt het Hof van Justitie duidelijk dat de subjectieve waarde als tegenprestatie de algemene regel is.
HvJ EG 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232, m.nt. Tuk, r.o. 13 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats).
HvJ EG 23 november 1988, zaak 230/87, ECLI:EU:C:1988:508, r.o. 17 (Naturally Yours Cosmetics) en HvJ EU 26 september 2013, zaak C-283/12, V-N 2013/50.19, r.o. 38 (Serebryannay vek).
HvJ EU 26 september 2013, zaak C-283/12, V-N 2013/50.19 (Serebryannay vek).
A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 196 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 151.
Vgl. HvJ EU 22 juni 2016, zaak C-11/15, V-N 2016/44.11, r.o. 24 (Český rozhlas). In soortgelijke zin: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 196-198.
Dat voor een handeling onder bezwarende titel een rechtsbetrekking is vereist, is naar mijn mening reeds af te leiden uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie vóór het Tolsma-arrest. In zijn arrest van 5 mei 1982, zaak 15/81, BNB 1982/225, r.o. 14 (Gaston Schul) onderscheidt het Hof van Justitie het belastbare feit invoer van de belastbare levering van een goed onder bezwarende titel door erop te wijzen dat bij invoer het belastbare feit de enkele binnenkomst van een goed is in een lidstaat, ongeacht of er al dan niet een transactie is, of de handeling om niet of onder bezwarende titel is geschied en of zij door een belastingplichtige dan wel door een particulier is verricht. Hieruit is de eis van een transactie af te leiden. Daarnaast hecht het Hof van Justitie in zijn arrest van 8 maart 1988, zaak 102/86, ECLI:EU:C:1988:120, r.o. 15 (Apple and Pear Development Council) voor zijn oordeel dat geen sprake is van een belastbare dienst belang aan de omstandigheid dat de verplichte bijdrage die de teler aan de council moeten betalen voor de werkzaamheden van de council niet als een contractuele, maar als een wettelijk verplichte bijdrage wordt opgelegd. Tot slot stelt het Hof van Justitie in zijn arrest van 23 november 1988, zaak 230/87, ECLI:EU:C:1988:508, r.o. 17 (Naturally Yours Cosmetics) de tegenwaarde van de dienst vast op basis van de door partijen gesloten overeenkomst.
HvJ EG 3 maart 1994, zaak C-16/93, BNB 1994/271, m.nt. Finkensieper, r.o. 14 (Tolsma). Uit het gebruik van het begrip de ‘werkelijke tegenwaarde’ in de procestaal, het Nederlands, is naar mijn mening geen afwijking van het subjectieve vergoedingsbegrip af te leiden (in gelijke zin: W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Tolsma en het gelijk van het Hof van Justitie’, WFR 1995/252, M.E. van Hilten ‘De maatstaf van BTW-heffing: hoe subjectief is subjectief?’ WFR 1995/76 en D.M.P.M. Stevens, Het verrichten van diensten onder bezwarende titel als belastbaar feit in de omzetbelasting (diss.), Maastricht, 2001, p. 105; anders: M.E. van Hilten, ‘Het bakje van de orgelman’, BtwBrief 1993, nr. 3, p. 2). Omdat alleen de in het Nederlands opgestelde uitspraak authentiek is (art. 41 Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie), meen ik dat niet gesproken kan worden van een onzorgvuldige Nederlandse vertaling (in die zin: W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Tolsma en het gelijk van het Hof van Justitie, WFR 1995/252). Dat uit de Engelse (‘the value actually given in return’) en Franse vertaling (‘constituant la contre-valeur effective’) van r.o. 14 van het Tolsma-arrest blijkt dat geen sprake is van een afwijking van het subjectieve vergoedingsbegrip acht ik dan ook geen steekhoudend argument (anders: W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Tolsma en het gelijk van het Hof van Justitie, WFR 1995/252), omdat alleen de uitspraak in de procestaal authentiek is en rechtskracht heeft (vgl. conclusie A-G Van Hilten 29 januari 2014, nr. 12/02683, V-N 2014/13.17, punt 5.3.2). Steun voor de opvatting dat het Hof van Justitie in het Tolsma-arrest vasthoudt aan het subjectieve vergoedingsbegrip is naar mijn mening te vinden in de omstandigheid dat het niet afwijkt van, maar voortborduurt op HvJ EG 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232, m.nt. Tuk (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats), HvJ EG 8 maart 1988, zaak 102/86, ECLI:EU:C:1988:120 (Apple and Pear Development Council) en HvJ EG 23 november 1988, zaak 230/87, ECLI:EU:C:1988:508 (Naturally Yours Cosmetics). Uit deze arresten volgt dat met het begrip ‘tegenwaarde’ in art. 8, onderdeel a Tweede Richtlijn hetzelfde wordt bedoeld als het begrip ‘tegenprestatie’ in art. 11, A, lid 1, onderdeel a Zesde Richtlijn (thans: art. 73 Btw-richtlijn) en dat de tegenwaarde een subjectieve waarde is, omdat de belastinggrondslag de werkelijk ontvangen tegenprestatie is en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Ook uit de na het Tolsma-arrest gewezen arresten blijkt dat het Hof van Justitie vasthoudt aan het uitgangspunt van het subjectieve vergoedingsbegrip (zie bijv. HvJ EG 5 mei 1994, zaak C-38/93, V-N 1994/1877, 12, r.o. 8 (Glawe), HvJ EG 17 september 2002, zaak C-498/99, V-N 2002/50.16 r.o. 20 (Town & County Factors) waarin onder verwijzing naar het Tolsma-arrest in de procestaal wordt gesproken van ‘the value actually given in return’, HvJ EU 9 juni 2011, zaak C-285/10, V-N 2011/37.20, r.o. 28 (Campsa Estaciones de Servicio) en HvJ EU 26 april 2012, gevoegde zaken C-621/10 en C-129/11, V-N 2012/25.15, r.o. 43 (Balkan and Sea Properties/Provadinvest)). Het voorgaande laat onverlet dat in r.o. 14 van het Tolsma-arrest ‘werkelijk de tegenprestatie’ in plaats van ‘de werkelijke tegenwaarde’ de bedoeling van het Hof van Justitie beter had weergegeven (vgl. conclusie A-G Van Hilten 29 januari 2014, nr. 12/02683, V-N 2014/13.17, punt 5.3.6).
HvJ EG 3 maart 1994, zaak C-16/93, BNB 1994/271, m.nt. Finkensieper, r.o. 17 (Tolsma).
HvJ EG 17 september 2002, zaak C-498/99, V-N 2002/50.16 (Town & County Factors).
HvJ EU 9 juni 2011, zaak C-285/10, V-N 2011/37.20, r.o. 27 (Campsa Estaciones de Servicio).
M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 150.
HvJ EU 11 mei 2017, zaak C-36/16, V-N 2017/26.13 (Posnania). Zie ook: HvJ EU 18 januari 2017, zaak C-37/16, V-N 2017/7.19, r.o. 26 (SWAP).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-421/17, V-N 2018/34.25.5 (Polfarmex). Voor een kritische bespreking van dit arrest zie: H.W.M. van Kesteren en H.J.A. van Erp, ‘De aandeelhoudersrelatie in en uit: het wassende water’, WFR 2018/230.
Een vastgoedtransactie kan op grond van art. 2 lid 1, onderdelen a of c Btw-richtlijn slechts belastbaar zijn indien zij onder bezwarende titel plaatsvindt. De eis van een bezwarende titel is niet los te zien van de belastinggrondslag.1 Op grond van art. 73 Btw-richtlijn wordt de belastinggrondslag van een vastgoedtransactie onder bezwarende titel gevormd door ‘alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze transactie als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen’. Zoals A-G Verloren van Themaat met betrekking tot de voorloper van art. 73 Btw-richtlijn, art. 8, onderdeel a Tweede Richtlijn, heeft opgemerkt vormt deze belastinggrondslag ‘een bevestiging dat alleen prestaties onder bezwarende titel belastbaar zijn’.2 Hoewel in art. 8, onderdeel a Tweede Richtlijn het begrip ‘tegenwaarde’ werd gebruikt en de definitie van dit begrip in bijlage A, punt 13 bij de Tweede Richtlijn niet helemaal gelijk is aan die van art. 73 Btw-richtlijn3, volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de begrippen ‘tegenprestatie’ en ‘tegenwaarde’ dezelfde betekenis hebben.4 In deze paragraaf wordt daarom consequent het begrip ‘tegenprestatie’ gehanteerd.
Uit de belastbaarheid van prestaties onder bezwarende titel en de belastinggrondslag heeft het Hof van Justitie afgeleid dat er een rechtstreeks verband moet bestaan tussen de verrichte prestatie en de ontvangen tegenprestatie en dat de tegenprestatie in geld moet kunnen worden uitgedrukt.5 De eis van het rechtstreeks verband vloeit voort uit het rechtskarakter van de Europese btw. Alleen bij een dergelijk rechtstreeks verband is de besteding van de eindverbruiker een graadmeter voor zijn consumptie.6 De belastingrondslag is in beginsel de werkelijk ontvangen tegenprestatie en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Het Hof van Justitie heeft hieruit afgeleid dat de tegenprestatie in beginsel de subjectieve tegenprestatie is.7 Deze subjectieve tegenprestatie moet in geld kunnen worden uitgedrukt8, maar het is niet noodzakelijk dat de tegenprestatie (uitsluitend) in een geldbedrag bestaat9. Ook bij een tegenprestatie in natura, zoals bij een grondruil of de reparatie en stoffering van een appartement in ruil voor het exclusieve gebruik van dit appartement zonder hiervoor huur te betalen10, kan sprake zijn van een belastbare vastgoedtransactie.
Hoewel het begrip ‘onder bezwarende titel’, zoals hiervoor is opgemerkt, een civielrechtelijke oorsprong heeft moet het unierechtelijk worden ingevuld.11 Of civielrechtelijk al dan niet sprake is van een vastgoedtransactie onder bezwarende titel, zoals een koopovereenkomst of huurovereenkomst, is niet beslissend, maar vormt hiervoor wel een belangrijke aanwijzing.12 Een vastgoedtransactie onder bezwarende titel vereist volgens het Tolsma-arrest dat tussen de degene die de vastgoedtransactie verricht, zoals de verkoper of de verhuurder, en de ontvanger van die transactie, zoals de koper of huurder, een rechtsbetrekking13 bestaat waarbij over en weer prestaties worden verricht, en de door de verrichter van de vastgoedtransactie ontvangen vergoeding de werkelijke tegenprestatie (lees: werkelijk de tegenprestatie) vormt voor de aan de ontvanger verleende vastgoedtransactie.14 De tegenprestatie voor de vastgoedtransactie moet – behoudens de situatie waarin sprake is van een eigendomsovergang of een dienst ingevolge een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet (zie paragrafen 4.2.4.2 en 4.3.3) – door de partijen dan ook overeengekomen zijn.15 Het is echter niet noodzakelijk dat de overeengekomen tegenprestatie op grond van het civiele recht afdwingbaar is.16 Wanneer een tegenprestatie is afgesproken en aan de belastingplichtige daadwerkelijk wordt betaald in ruil voor de door hem verrichte vastgoedtransactie, dan is sprake van een vastgoedtransactie onder bezwarende titel.17 Het voorgaande laat zien dat een vastgoedtransactie onder bezwarende titel wederkerigheid of reciprociteit veronderstelt. Aan dit ‘quid-pro-quo- of voor-wat-hoort-wat-beginsel’18 wordt niet voldaan bij een overeengekomen levering van vastgoed door een belastingplichtige aan een publiekrechtelijk lichaam ter voldoening van een belastingschuld. Tegenover deze levering staat geen individualiseerbare tegenprestatie van de overheid aan de belastingplichtige die verricht is in het kader van de rechtsbetrekking tussen de belastingplichtige en de overheid.19 Dit ligt anders bij de vrijwillige intrekking van aandelen door een belastingplichtige vennootschap in ruil voor de verkrijging van vastgoed van een andere belastingplichtige.20