Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.6:10.4.6 Toerekening door vertegenwoordigingsregels van Boek 3 BW in het vennootschapsrecht
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.6
10.4.6 Toerekening door vertegenwoordigingsregels van Boek 3 BW in het vennootschapsrecht
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346078:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het probleem dat een rechtspersoon een abstract rechtssubject is dat niet kan handelen zonder tussenkomst van een natuurlijk persoon wordt, waar het gaat om rechtshandelingen, opgelost doordat de wet erin voorziet dat rechtspersonen vertegenwoordigd worden door hun bestuur. Zo bepalen de artt. 2:45, 2:130/2:140 en 2:292 BW dat voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, het bestuur de vereniging, de besloten/naamloze vennootschap respectievelijk de stichting vertegenwoordigt.
Vertegenwoordiging impliceert dat sprake is van toerekening. De feitelijke vertegenwoordigingshandelingen van degenen die de rechtspersoon vertegenwoordigen, worden ‘toegerekend’ aan de rechtspersoon. Vertegenwoordiging houdt in dat handelingen van de een rechtens als handelingen van de ander gelden. De handeling wordt als het ware losgemaakt van de persoon die haar verricht en toegerekend aan een ander.1
Er bestaat een wettelijke basis voor toerekening op grond van vertegenwoordiging, namelijk art. 3:66 BW dat bepaalt dat een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling in haar gevolgen de volmachtgever treft. Hoewel deze bepaling spreekt van een ‘in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling’, zou het zuiverder zijn om te spreken van een ‘in naam van de volmachtgever verrichte handeling’. De gevolmachtigde verricht namelijk geen rechtshandeling, maar verricht een feitelijke handeling als gevolg waarvan de volmachtgever – door toerekening – geacht wordt de rechtshandeling te zijn aangegaan. Gemakshalve zal ik hierna echter blijven spreken van toerekening van rechtshandelingen. Waar het om draait, is dat de rechtshandeling altijd primair de vertegenwoordigde zal treffen (tenzij sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging, maar dat terzijde).
De schakelbepaling van art. 3:78 BW regelt expliciet dat de daarin genoemde wetsbepalingen, waaronder art. 3:66 BW, ook van toepassing zijn wanneer iemand optreedt als vertegenwoordiger buiten volmacht. Art. 3:66 BW vormt daarmee de wettelijke grondslag voor de toerekening van de door een bestuurder namens een rechtspersoon verrichte rechtshandeling aan de rechtspersoon. Art. 3:79 BW bepaalt voorts dat alle bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW (welke Titel handelt over vertegenwoordiging) overeenkomstige toepassing vinden buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtshandeling of rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Deze bepalingen vinden overeenkomstige toepassing in het rechtspersonenrecht (zie hiervoor par. 10.5.5).
Kortom, rechtshandelingen verricht door het bestuur van een rechtspersoon op grond van de aan het bestuur verleende wettelijke bevoegdheid om te vertegenwoordigen ex artt. 2:45, 2:130/2:140 en 2:292 BW, treffen altijd ‘primair’ de rechtspersoon op grond van art. 3:66 BW. De bestuurder wordt zelf niet gebonden en zal niet aansprakelijk zijn als de rechtspersoon niet nakomt. Aangezien de rechtspersoon zelfstandig, als drager van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelneemt, is alleen de rechtspersoon aansprakelijk voor schade uit hoofde van toerekenbaar tekortkomen, niet de bestuurder.