Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/93
93 Handvest van de grondrechten
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS507688:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een herziene versie van het Handvest van de Grondrechten van de EU is aanvaard in 2007 en van kracht met ingang van 1 december 2009, zie PbEU 2010 C 83/389.
Voor Polen en het Verenigd Koninkrijk geldt een uitzonderingspositie. Op basis van protocol nr. 30 betreffende de toepassing van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie op Polen en het Verenigd Koninkrijk (PbEU 2010 C 83/313) kunnen noch het HvJEU noch enige rechterlijke instantie van Polen of het Verenigd Koninkrijk bepalen dat de wetten, maatregelen of praktijken van het Verenigd Koninkrijk en Polen in strijd zijn met het Handvest (art. 1 van het Protocol).
Zie algemeen M. Pahladsingh & H.J.Th.M. van Roosmalen, ‘Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie twee jaar juridisch bindend: rechtspraak in beweging’, NTER 2012, p. 56-65; T. Nauta, ‘De inroepbaarheid van het Handvest voor de Europese en nationale rechter’, NTER 2012, p. 19-25.
Onder meer EHRM 21 februari 1975, case 4451/70, ECHR Series A, no. 18, NJ 1975, 462 (Golder v. UK); EHRM 9 oktober 1979, case 6289/73, ECHR Series A, vol. 32, NJ 1980, 376 m.nt. EAA (Airey v. Ireland); EHRM 18 februari 1997, RJ&D ECHR 1997-I, NJ 1997, 590 (Nideröst-Huber v. Switzerland).
Art. 6 lid 1 van het EU-Verdrag stelt dat de Unie de rechten en vrijheden die in het Handvest van de grondrechten van de Unie zijn vastgelegd erkent en dat het Handvest dezelfde juridische waarde als de verdragen heeft.1 Dit laatste is een vernieuwing die samenhangt met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft het Handvest van de grondrechten dezelfde rechtskracht gekregen als de Verdragen. Daarmee zijn de instellingen en instituties van de EU alsmede de lidstaten bij het ten uitvoer brengen van het unierecht verplicht de rechten van het Handvest te eerbiedigen.2 Het doel van het Handvest van de grondrechten is om de grondrechten die op het niveau van de Unie gelden in één document samen te vatten en aldus meer zichtbaarheid te geven. Kort na de vijftigste verjaardag van de universele verklaring van de rechten van de mens in 1998 besloot de Europese Raad werkzaamheden aan te vangen om een dergelijk handvest tot stand te brengen. Dat er een Handvest van de grondrechten van de EU moest komen kwam voort uit de wens om de in de Unie bestaande rechten, met name op sociaal en economisch vlak, vast te leggen. De tekst van het Handvest werd aangenomen in 2000 en een herziene versie is aanvaard in 2007. Het Handvest bestaat uit zeven titels: waardigheid, vrijheden, gelijkheid, solidariteit, burgerschap, rechtspleging en tot slot een titel met bepalingen over de uitleg en toepassing van het Handvest. Het Handvest bevat zowel klassieke grondrechten als sociale, economische en culturele rechten. Of, en zo ja hoe, het Handvest van de grondrechten zal gaan werken in de praktijk in burgerlijke zaken en hoe de verhouding precies zal liggen ten opzichte van het EVRM, zal de praktijk moeten uitwijzen.3 De bepaling die het meest voor toepassing in aanmerking komt in burgerlijke zaken lijkt art. 47 te zijn, opgenomen in Titel VI inzake rechtspleging. Art. 47 garandeert eenieder recht op een doeltreffende voorziening in rechte wanneer de door de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden. Tevens wordt het recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij de wet is ingesteld gegarandeerd. Deze rechten worden grotendeels reeds door art. 6 EVRM bestreken. Art. 6 lid 1 EVRM garandeert onder meer, dat “bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten (…) heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.” In de rechtspraak van het EHRM zijn hiervan afgeleid de beginselen ‘effective access to court’, en ‘equality of arms’.4