Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/6.3.2
6.3.2 Rechten en verplichtingen aangever
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258708:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 15, lid 2, onderdeel a, DWU.
Artikel 15, lid 2, onderdelen b en c, DWU. Bij de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen moet een factuur worden overlegd als bewijsstuk van de aangegeven transactiewaarde overeenkomstig artikel 145 UDWU. Dit is de factuur die ten grondslag ligt aan de verkooptransactie tussen koper en verkoper. De factuur mag van een vermelding „uitsluitend bestemd voor de douane” of „pro forma factuur” (of dergelijke) zijn voorzien. Dergelijke facturen moeten echter als voorlopig worden beschouwd en zij dienen later door de definitieve factuur te worden vervangen, zie Commentaar 6 van de Expertgroep Douane (afdeling douanewaarde) betreffende documenten en informatie die de douane kan verlangen als bewijsmateriaal voor het vaststellen van de douanewaarde. De in artikel 145 UDWU bedoelde factuur kan onder bepaalde voorwaarden ook door een inkoopagent worden uitgereikt in plaats van de koper als daarop de verkoopprijs onderscheidelijk van de inkoopcommissie staat vermeld. Conclusie 14 van de Expertgroep Douane (afdeling douanewaarde) betreffende invoer door bemiddeling van contractueel gebonden agenten.
Vgl. D.G. van Vliet, Douanerecht (2de druk), Deventer: Kluwer 2019, p. 260.
Zie nader onderdeel 6.4.4.
HvJ EU 9 november 2017, nr. C-46/16 (,LS Customs Service’’ SIA), ECLI:EU:C:2017:839, r.o. 25-37.
HvJ EU 9 november 2017, nr. C-46/16 (,LS Customs Service’’ SIA), ECLI:EU:C:2017:839, r.o. 36.
Indien de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet als basis kan worden gebruikt voor het vaststellen van de douanewaarde, moet de aangever de douanewaarde van de ingevoerde goederen bepalen aan de hand van een alternatieve waarderingsmethode. Daarbij heeft hij de verplichting om de subsidiariteitsband tussen de waarderingsmethoden in acht te nemen. Zoals aangegeven in onderdeel 6.2.2, mag de aangever echter op verzoek de toepassingsvolgorde van de aftrekmethode en de methode van de berekende waarde van de ingevoerde goederen omdraaien ex artikel 74, lid 1, DWU.
Bij het indienen van de douaneaangifte aanvaardt de aangever de aansprakelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de in de aangifte verstrekte inlichtingen.1 De aansprakelijkheid strekt er ook toe dat de aangever zorg draagt voor de echtheid, juistheid en geldigheid van de stukken ter staving van de aangifte en het nakomen van alle verplichtingen inzake de plaatsing van de betreffende goederen onder een douaneregeling (daaronder begrepen het voor het vrije verkeer aangeven van de goederen).2 Dat brengt met zich dat de douanewaarde overeenkomstig de juiste waarderingsmethode moet worden vastgesteld. Het op onjuiste wijze aangeven van de douanewaarde wordt in Nederland overeenkomstig artikel 10:5 Adw aangemerkt als strafbaar feit.
Het bepalen van de douanewaarde kan een moeilijke en tijdsintensieve exercitie zijn. Het vooraf zekerheid verkrijgen over de toe te passen waarderingsmethode biedt rechtszekerheid, voorkomt retroactieve aanpassing van de douanewaarde en eventuele sanctionering van de marktdeelnemer voor het bepalen van de douanewaarde op basis van een kennelijk onjuist toegepaste waarderingsmethode. Zoals in onderdeel 6.4.5 nader wordt bepleit, lijkt het DWU met artikel 35DWU ruimte te bieden aan de douaneautoriteiten om op verzoek van een marktdeelnemer een bindende inlichting aangaande de douanewaarde van de ingevoerde goederen af te geven. Een dergelijke inlichting zou mijns inziens kunnen dienen om zekerheid verschaft te krijgen over welke waarderingsmethode toepassing vindt ten aanzien van een aan de douaneautoriteiten voorgelegd feitencomplex.3 Ook biedt het mijns inziens ruimte om vooraf zekerheid te verkrijgen over bijvoorbeeld welke factoren in aanmerking genomen moeten worden bij de toepassing van één van de alternatieve waarderingsmethoden. Voor dat laatste kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen prijselementen of de transacties waarmee een vergelijking moet worden gemaakt bij de toepassing van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen.
De vraag is of zekerheid omtrent de toepassing van een waarderingsmethode ook kan volgen uit een beroep op gewettigd vertrouwen. Daarbij kan gedacht worden aan een mondelinge of schriftelijke toezegging van een douane-inspecteur waaruit volgt welke waarderingsmethode toepassing moet vinden. Deze mogelijkheid lijkt echter beperkt gelet op de reikwijdte die aan het vertrouwensbeginsel wordt toegekend in het Unierechtelijk douanerecht. Daarvoor lijkt alleen enige ruimte te bestaan als aan de marktdeelnemer een specifieke, onvoorwaardelijke en wettige toezegging wordt gedaan door de douaneautoriteiten waarop de marktdeelnemer zijn verwachtingen heeft afgestemd (zie nader onderdeel 6.4.4).4 Aan de hoogte van een voor een bijzondere regeling gestelde zekerheid kan voor het bepalen van de douanewaarde geen vertrouwen worden ontleend, zo overwoog het Hof van Justitie in de zaak LS Customs Services SIA.5 In deze zaak werden goederen geplaatst onder de bijzondere regeling extern douanevervoer. Tijdens het vervoer werden de goederen onttrokken aan het douanetoezicht en ontstond een douaneschuld op grond van artikel 203 CDW (thans artikel 79 DWU). De hoogte van de zekerheidstelling voor de plaatsing van de goederen onder de bijzondere regeling extern douanevervoer was gebaseerd op de transactiewaarde van goederen die door een Chinese onderneming werden verkocht voor uitvoer naar Rusland. LS Customs Services SIA betoogde daarop dat voor het bepalen van de douaneschuld in het concrete geval, de douanewaarde bijgevolg ook overeenkomstig de transactiewaarde van de ingevoerde goederen moest worden vastgesteld. Het Hof van Justitie oordeelde echter dat aan de hoogte van het bedrag aan zekerheid geen vertrouwen kan worden ontleend, omdat de aanvaarding van het bedrag aan zekerheidsstelling niet kan worden aangemerkt als toezegging die gegronde verwachtingen heeft gewekt, omdat het op geen enkele wijze vooruitloopt op het bedrag van de toekomstige douaneschuld.6