Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/20:20 Arrest Berg en Dalse Watertoren
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/20
20 Arrest Berg en Dalse Watertoren
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS507673:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 april 1937, NJ 1937/639 m.nt. PS (Berg en Dalse Watertoren). Zie uitgebreid L.C.A. Verstappen, ‘De Berg en Dalse watertorenarresten. Over hinder en misbruik van bevoegdheid’, in: J. Struiksma e.a. (red.), Vast en goed (Van Velten-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 259-289.
Van der Wiel 2004, p. 110.
HR 26 juni 1959, NJ 1961/533 m.nt. DJV. Zie ook Hof Amsterdam 19 maart 1947, NJc 1947/286.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vroeg arrest waarin de kwade bedoeling van een van partijen naar voren kwam, is het arrest Berg en Dalse Watertoren uit 1937.1 Hierin werd vastgesteld dat de bevoegdheid om op een stuk land een watertoren te bouwen werd gebruikt met het enkele doel om (het uitzicht van) de buurman te benadelen. De benadelingsbedoeling is als criterium om voor de hand liggende redenen lastig bruikbaar. Hoe dient de rechter immers te bepalen welk doel een partij heeft met het uitoefenen van een bepaalde bevoegdheid? Er zijn dan ook weinig arresten te vinden waarin misbruik werd aangenomen op basis van een expliciete benadelingsbedoeling.2 Een belangrijk voorbeeld is een uitspraak uit 1959. Hierin ging het om de vraag of iemand die op het laatstemoment in hoger beroep gaat tegen een vonnis in conventie, waardoor hoger beroep van de wederpartij tegen een vonnis in reconventie wordt uitgesloten, misbruik van procesrecht maakt. De wederpartij zou hierdoor het in eerste aanleg toegekende recht op alimentatie verliezen. De Hoge Raad overwoog:
‘(…) dat dit gebruik van het rechtsmiddel van hoger beroep, dat opzettelijk eerst in de laatste ogenblikken van den beroepstermijn is ingesteld met geen ander doel dan om zonder enig in redelijkheid te respecteren belang van den man de niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar eis in conventie te bewerken, terecht door het Hof als een ongeoorloofde wijze van procederen is gewraakt (…).’3