Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.9.1:14.3.9.1 Transparantie versus toerekening in de literatuur
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.9.1
14.3.9.1 Transparantie versus toerekening in de literatuur
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232801:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Auerbach, WFR 2010/6874, paragraaf 3.1.
Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.3.1 (onder “Verhouding toerekeningsfictie en fiscale transparantie”).
F. van der Zeijden, Over toerekening en transparantie, WPNR 2012/6949, paragraaf 3.2.
Te weten Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 11.
Dit betreft Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 31 930, nr. 13, pagina 39.
Zie voor deze systematiek nader De Leeuw, WFR 2012/6946.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit probleem is meermaals gesignaleerd in de literatuur, waarbij de meningen of sprake is van fiscale transparantie of van toerekening niet eenduidig zijn:
Auerbach1 onderzoekt of een APV transparant is voor de Wet IB 2001. Hij merkt op dat artikel 2.14a lid 1 Wet IB 2001 allereerst het APV erkent als entiteit. Indien het APV transparant zou zijn, was deze regeling immers zinledig; de onderliggende veronderstelling is dus dat het APV niet transparant is. Of anders bezien, indien de wetgever transparantie beoogde, regelt artikel 2.14a lid 1 Wet IB 2001 niet dát worden toegerekend, maar aan wie. Vanuit dat perspectief is echter verzuimd om de kern van wat de wetgever wilde regelen, de transparantie, op te nemen in de wettekst. Daarnaast is artikel 2.14a Wet IB 2001 opgenomen in afdeling 2.4 (Toerekeningsregels), hetgeen niet wijst op transparantie. Derhalve ligt voor de hand de interpretatie van artikel 2.14a Wet IB 2001 dat het APV zijn eigen inkomen en vermogen heeft, maar dat deze worden toegerekend aan de inbrenger(s).
Voor artikel 17a SW geldt een vergelijkbare redenering: als het APV transparant zou zijn, is deze bepaling overbodig.
Boer merkt op dat het wettelijke regime een toerekening inhoudt, maar niet tot gevolg heeft dat het APV niet zou bestaan. Ook is hij van mening dat de wetgever tijdens de parlementaire behandeling soms ten onrechte van fiscale transparantie uit lijkt te gaan.2
Van der Zeijden3 noemt de volgende argumenten voor toerekening:
Artikel 2.14a Wet IB 2001 is opgenomen in afdeling 2.4 (Toerekening). Voorts gebruikt de wettekst het woord “toerekening”.
Artikel 2.14a Wet IB 2001 geldt voor de Wet Vpb slechts voor een beperkt aantal artikelen. Er is derhalve geen sprake van algehele fiscale transparantie, maar slechts van toerekening dan wel transparantie met een beperkte doorwerking.
Transparantie zegt iets wezenlijks over het “subject” van het APV, waar toerekening slechts een fiscale fictie betreft, terwijl het “wezen” van het APV erkend blijft. Het is logischer dat ficties een beperkte doorwerking hebben, dan dat een wezenlijke kwalificatie slechts effect heeft voor een beperkt deel van een heffingswet.
Gelijktijdig heeft zij ook een aantal argumenten voor fiscale transparantie, die haars inziens zwaarder wegen, gebaseerd op de invulling van de regeling in andere wet- en regelgeving en de parlementaire geschiedenis:
Een hiervoor aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis, waarin het APV wordt omschreven als fiscaal transparant, waarbij de inbrenger geacht wordt te blijven beschikken over het vermogen van het APV.4
De omstandigheid dat voor 2010 de grond om APV’s fiscaal transparant te achten gelegen was in de beschikkingsmacht van de inbrenger, in combinatie met de parlementaire geschiedenis die in relatie tot dit concept opmerkt dat onder de APV-regeling deze beslissende invloed wordt verondersteld.5
De mogelijkheid om de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van de Successiewet en de Wet IB 2001 onverminderd te kunnen toepassen, hetgeen op transparantie wijst. Toepassing van deze faciliteiten bij toerekening is niet logisch, omdat dan op het niveau van het APV getoetst zou moeten worden of de faciliteiten van toepassing zijn en niet op het niveau van de inbrenger.
Zij merkt ook op dat bij transparantie het afzonderen van vermogen niet langer tot een schenking leidt en in het verleden geheven schenkbelasting ter zake van de afzondering kan worden teruggevraagd. Met name het eerste aspect lijkt mij evenwel eerder pleiten voor toerekening, omdat juist voor deze situatie een regeling getroffen is (artikel 17a SW): in geval van fiscale transparantie doet zich geen vervreemding voor, waarvan de fiscale gevolgen ongedaan gemaakt moeten worden.
Desalniettemin acht Van der Zeijden de uitkomst, dat sprake zou zijn van fiscale transparantie in plaats van toerekening, niet geheel bevredigend, met name vanwege de (thans oude) toerekeningsstop van artikel 2.14a lid 7 Wet IB 2001. Aangezien deze toets aanknoopte bij de mate waarin vermogen onderworpen was, was mogelijk dat een deel van het APV-vermogen wegens voldoende heffing bij het APV niet bij de inbrenger in de heffing betrokken werd, terwijl een deel van het APV-vermogen wel bij de inbrenger belast is.6 Aangezien transparantie naar haar mening iets zegt over het wezen van een bepaald vehikel, is daarmee lastig te rijmen dat een APV jegens een en dezelfde persoon gedeeltelijk transparant en gedeeltelijk niet-transparant zou kunnen zijn.
Van der Zeijden is voorts van mening dat de kwalificatie als toerekening dan wel transparantie een verschil maakt voor de vraag of sprake is van een verkrijging of een vervreemding door de inbrenger. In geval van toerekening zou haars inziens aangesloten kunnen worden bij de civielrechtelijke vervreemding of verkrijging en is er bij het einde van de toerekening ook geen vervreemding of verkrijging. Bij transparantie en daarmee vereenzelviging van APV en inbrenger zou er wel sprake zijn van een vervreemding op het moment dat het APV niet langer transparant is. Oftewel naar ik aanneem met andere woorden: het einde van de transparantie doet het APV “herleven”, hetgeen een vervreemding is, terwijl het einde van de toerekening geen vervreemding kan zijn, omdat voor de beoordeling of daarvan sprake is aangeknoopt dient te worden bij de vraag of er bij het APV een vervreemding is, die dan al dan niet wordt toegerekend. Het niet langer of juist wel gaan toerekenen leidt echter bij het APV niet tot een vervreemding en zou dat dan ook bij de inbrenger niet doen, aannemend dat wordt toegerekend.
Alvorens te bespreken of naar mijn mening sprake is van fiscale transparantie, dan wel toerekening, wil ik echter eerst stilstaan bij de vraag wat deze begrippen eigenlijk inhouden.