Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.5.2
3.5.2 Aansprakelijkheidsvereisten
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655942:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Volledigheidshalve merk ik op dat, tenzij anders vermeld, in het vervolg van deze paragraaf de aansprakelijkheid wegens het geven van een misleidende voorstelling van zaken, dus de aansprakelijkheid wegens het overtreden van SEC-regel 10b-5 sub b centraal staat en niet de aansprakelijkheid wegens het (anderszins) frauduleus of manipulatief handelen (de aansprakelijkheid wegens het overtreden van SEC-regel 10b-5 sub a jo. sub c).
Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2].
Idem.
Zie in dit verband onder meer Schreiber v. Burlington Northern, Inc., 472 U.S. 1 (1985); Santa Fe Industries, Inc. v. Green, 430 U.S. 462 (1977).
Zie over deze kwestie uitgebreid Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2] en Hazen, 4 Law Securities Regulation § 12.19[1].
In het Amerikaanse recht bestaat met andere woorden geen algemene verplichting om informatie van materieel belang openbaar te maken. Ik kom hier in § 3.5.7 op terug.
Aldus SEC-regel 10b-5 sub b. Zie voor de letterlijke tekst de volgende link: https://www.law.cornell.edu/cfr/text/17/240.10b-5
Een voorbeeld van een duty to disclose die voortvloeit uit de wet is de (hierna in § 3.5.3.3 te bespreken) informatieverplichting uit hoofde van Item 303(a) van Regulation S-K.
In verband met de informatieverplichting die ontstaat uit hoofde van een ‘fiduciaire’ relatie, wijs ik – bij wijze van voorbeeld – op de bekende ‘disclose or abstain rule’, de kernregel die bij handel met voorwetenschap in acht moet worden genomen. Volgens deze regel is het eenieder die over relevante (‘material’) informatie beschikt ten aanzien van een beursvennootschap verboden om in de effecten van de desbetreffende vennootschap te handelen, indien op hem of haar een ‘duty to disclose’ rust de desbetreffende informatie openbaar te maken. Bij afwezigheid van een dergelijke duty to disclose, is handel met voorwetenschap in beginsel ‘gewoon’ toegestaan. Zo’n duty to disclose vloeit doorgaans voort uit een bepaalde ‘fiduciaire’ relatie, waarbij natuurlijk in de eerste plaats kan worden gedacht aan de relatie die een beursvennootschap met de (potentiële) houders van haar effecten onderhoudt. Volgens de disclose or abstain rule is het een beursvennootschap die over (niet-gepubliceerde) informatie van materieel belang beschikt dus niet toegestaan in haar eigen effecten te handelen (waaronder mede kan worden verstaan het uitgeven van effecten), tenzij zij de desbetreffende informatie onverwijld openbaar maakt.
Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2].
Idem.
Zie over dit vereiste Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2] en § 12.5[1]. Zie hierover ook uitgebreid Molony 2013 en zie over het vereiste in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 97-98; Hoff 2011, p. 35.
SEC v. Texas Gulf Sulphur, 401 F.2d 833, 862 (2d Cir. 1968).
Zie in dit verband ook Hoff 2011, p. 35.
Zie over deze eis Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2] en § 12.7[1][A].
Birnbaum v. Newport Steel Corp., 193 F.2d 461 (2d Cir. 1952).
Blue Chip Stamps v. Manor Drug Stores, 421 U.S. 723 (1975).
Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2] en § 12.5[2].
Volledigheidshalve wijs ik erop dat SEC-regel 10b-5 een veel breder toepassingsbereik heeft dan alleen fraud-on-the-market.
Vgl. Hazen, 3 Law Securities Regulation § 12.4[2].
Zie onder meer de volgende uitspraken van de Supreme Court: Dura Pharmaceuticals Inc. v. Broudo, 544 U.S. 336, 341-342 (2005); Stoneridge Investment Partners v. Scientific-Atlanta, 552 U.S. 148, 157 (2008); Matrixx Initiatives, Inc. v. Siracusano, 563 U.S. 27, 37-38 (2011); Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 563 U.S. 804, 809-810 (2011); Janus Capital Group, Inc. v. First Derivative Traders, 564 U.S. 135, 140 & n. 3 (2011); Amgen Inc. et al. v. Connecticut Retirement Plans and Trust Funds, 568 U.S. 455, 460-461 (2013); Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 267 (2014).
De Amerikaanse term ‘defendant’ vertaal ik in dit boek met de Nederlandse term ‘gedaagde’. De laatstgenoemde term is echter in zoverre niet helemaal zuiver dat zij uiteraard samenhangt met de Nederlandse dagvaardingsprocedure, terwijl het Amerikaanse federale procesrecht deze procedure als zodanig niet kent.
Voor aansprakelijkheid op grond van SEC-regel 10b-5 moet aan de volgende vier vereisten zijn voldaan: a) fraud or deceit b) by any person c) in connection with the purchase or sale d) of any security.1 Vanwege het fraud or deceit vereiste is bij de jurisprudentiële vormgeving van de aansprakelijkheid op grond van SEC-regel 10b-5 mede gekeken naar de traditionele eisen van common law fraud.2 Dat betekent dat ook moet zijn voldaan aan de vereisten materiality (zie § 3.5.3), scienter (zie § 3.5.4), reliance (zie § 3.5.5.2), loss causation (zie § 3.5.5.3) en damages (zie § 3.5.6).
a. Fraud or deceit
Aangezien in Section 10(b) Securities Exchange Act wordt gerefereerd aan ‘deceptive devices’, moet voor het aannemen van een schending van SEC-regel 10b-5 sprake zijn van deception of fraud.3 De regel biedt dus bescherming tegen misleidende mededelingen en misleidende omissies, maar niet tegen benadelende (of anderszins oneerlijke) transacties in het algemeen.4 Hierbij moet worden aangetekend dat onder SEC-regel 10b-5 alleen maar sprake kan zijn van aansprakelijkheid voor een misleidende omissie, wanneer een afzonderlijke verplichting bestaat de achtergehouden informatie openbaar te maken (een zogenoemde ‘duty to disclose’).5, 6 Een dergelijke verplichting kan in beginsel op drie manieren ontstaan. In de eerste plaats ontstaat de verplichting wanneer actief een mededeling wordt gedaan en deze mededeling zonder de (thans) ontbrekende informatie een misleidend karakter krijgt (‘to omit to state a material fact necessary in order to make the statements made, in light of the circumstances under which they were made, not misleading’).7 In de tweede plaats kan de verplichting ontstaan uit hoofde van een wettelijke (of van de wet afgeleide) informatieverplichting8 en in de derde plaats kan de verplichting ontstaan uit hoofde van een bepaalde ‘fiduciaire’ relatie.9 Het voorgaande betekent dat een persoon of rechtspersoon alleen uit hoofde van SEC-regel 10b-5 aansprakelijk kan zijn, wanneer deze persoon actief een mededeling heeft gedaan die misleidende informatie bevatte en/of wanneer deze persoon een op hem of haar rustende informatieverplichting heeft geschonden.
b. By any person
Om een persoon of rechtspersoon aansprakelijk te kunnen stellen wegens schending van SEC-regel 10b-5, is niet vereist dat deze persoon de litigieuze effecten heeft gekocht of verkocht.10 Evenmin is vereist dat in de relatie tussen de eisende belegger en de aansprakelijk gestelde persoon of rechtspersoon is voldaan aan het eerdergenoemde vereiste van privity (zie over dit vereiste reeds § 3.4.2 en § 3.4.4.1).11 Iedere persoon of rechtspersoon die een misleidende voorstelling van zaken geeft die redelijkerwijs de beleggingsbeslissing van de redelijk handelende belegger kan beïnvloeden, kan – ongeacht of hij of zij in de litigieuze effecten heeft gehandeld en ongeacht zijn of haar relatie tot de benadeelde belegger – uit hoofde van SEC-regel 10b-5 worden aangesproken.
c. In connection with the purchase or sale (of a security)
Verder is vereist dat de gepleegde fraud of deception in verband staat met de aan- of verkoop van effecten.12 In principe is voor elke mededeling die redelijkerwijs de beleggingsbeslissing van de redelijk handelende belegger kan beïnvloeden, aan deze eis voldaan. In de zaak SEC v. Texas Gulf Sulphur oordeelde de Second Circuit in dit verband als volgt:13
‘(…) We hold that Rule 10b-5 is violated whenever assertions are made (…) in a manner reasonably calculated to influence the investing public, e.g., by means of the financial media (…), if such assertions are false or misleading or are so incomplete as to mislead irrespective of whether the issuance of the release was motivated by corporate officials for ulterior purposes.’
Het publiceren van enkel een misleidend persbericht kan dus reeds worden geacht in voldoende verband te staan met de aan- of verkoop van effecten en daarmee tot aansprakelijkheid leiden uit hoofde van SEC-regel 10b-5. Dit laatste geldt ongeacht of de verspreider van het misleidende bericht ook zelf de litigieuze effecten heeft gekocht of verkocht. Voor het aannemen van een overtreding van SEC-regel 10b-5 is namelijk al voldoende dat gedurende de periode waarin de fraud of deception plaatsvond – door wie dan ook – een of meer effectentransacties zijn verricht.14
In tegenstelling tot de aansprakelijk gestelde persoon of rechtspersoon geldt voor de eisende belegger wel een transactievereiste.15 De belegger moet ten tijde van de misleiding dus daadwerkelijk in de litigieuze effecten hebben gehandeld, wil hij met succes een beroep kunnen doen op SEC-regel 10b-5. Dit transactievereiste werd voor het eerst aangenomen door de Second Circuit in de zaak Birnbaum v. Newport Steel Corp.16 Later werd dit door de Supreme Court aanvaard in de zaak Blue Chip Stamps v. Manor Drug Stores.17 In de laatstgenoemde zaak ging het om de vraag of ook de belegger die vanwege een misleidend negatief bericht van aankoop van de litigieuze effecten heeft afgezien, een aanspraak heeft op grond van SEC-regel 10b-5. De Supreme Court beantwoordde deze vraag ontkennend.
d. Of any security
SEC-regel 10b-5 is in beginsel van toepassing op alle soorten effecten. Zo is de regel van toepassing ongeacht of de litigieuze effecten zijn onderworpen aan de registratie- en rapportageverplichtingen van de Securities Act 1933 of de Securities Exchange Act 1934 en ongeacht of de vennootschap die de desbetreffende effecten heeft uitgegeven al dan niet beursgenoteerd is.18 Zelfs effecten die worden uitgegeven door de centrale overheid of lagere overheden, vallen onder het beschermingsbereik van SEC-regel 10b-5.
Wanneer een belegger een persoon of rechtspersoon op grond van SEC-regel 10b-5 aansprakelijk wil stellen voor misleiding op de publieke effectenmarkt (‘fraud-on-the-market’),19 gelden de vier eerdergenoemde aansprakelijkheidsvereisten onverkort, alleen worden deze vereisten dan net iets anders gerubriceerd. Deze alternatieve rubricering houdt ermee verband dat bij de jurisprudentiële vormgeving van de aansprakelijkheid op grond van SEC-regel 10b-5 – zoals ik al opmerkte – mede is gekeken naar de traditionele eisen van common law fraud, te weten materiality, scienter, reliance, damage(s) of economic loss en loss causation.20 De vier eerdergenoemde aansprakelijkheidsvereisten komen in dat geval neer op de volgende zes vereisten:21
A material misrepresentation or omission by the defendent;22
scienter;
a connection between the misrepresentation or omission and the purchase or sale of a security;
reliance upon the misrepresentation or omission;
economic loss; and
loss causation.
Bovenstaande rubricering van zes aansprakelijkheidsvereisten voor fraud-on-the-market-zaken is inmiddels vaste rechtspraak van de Supreme Court en zij komt in vrijwel iedere fraud-on-the-market-zaak waarin een federale rechter uitspraak doet terug.