Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.3.5.4
4.2.3.5.4 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291419:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 15 december 2005, zaak C-63/04, V-N 2005/61.19 (Centralan).
R.o. 62.
R.o. 62.
R.o. 63.
R.o. 64. In de Nederlandse vertaling van het Central-arrest lijkt het Hof van Justitie in r.o. 61 als vertrekpunt te nemen dat de verkoop van het Harrington Building volgens de verwijzende rechter is geschiedt door twee leveringen. In de procestaal, het Engels, wordt echter het woord ‘supply’ gebruikt dat hier beter vertaald had kunnen worden met ‘handeling’.
R.o. 65.
R.o. 66.
In het Centralan-arrest leunt het Hof van Justitie sterk op de conclusie van A-G Kokott.1 Net als de A-G vertrekt het Hof bij (thans) art. 14 lid 1 Btw-richtlijn, maar laat het na om in te gaan op de twijfel van de verwijzende rechter die de aanleiding was voor de prejudiciële vraag.2 Het Hof is wel terughoudender dan de A-G met de afwijzing van het standpunt van de Europese Commissie. Het Hof acht zich niet bevoegd om zich uit te laten over de gegrondheid van de bewering van de Europese Commissie dat naar Engels recht alleen de overdracht van de residuele eigendom kwalificeert als een levering.3 In navolging van de A-G merkt het Hof evenwel op dat uit het Safe-arrest volgt dat ook zonder de overdracht van de eigendom sprake kan zijn van een levering. Of de vastgoedtransacties kwalificeren als een levering is echter aan de verwijzende rechter om te beoordelen.4 Komt de verwijzende rechter in het hoofdgeding tot de conclusie dat in de specifieke omstandigheden van het hoofdgeding zowel de 999-jarige lease als de daarmee nauw verbonden overdracht van de residuele eigendom kwalificeert als de overdracht van de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken, dan zouden volgens het Hof beide handelingen bijgevolg beschouwd kunnen worden als een levering als bedoeld in (thans) art. 14 lid 1 Btw-richtlijn.5 Het Hof gaat er net als de A-G aan voorbij dat die beoordeling in deze zaak een gepasseerd station is. In ieder geval heeft het Hof blijkens het vervolg van dit arrest over het hoofd te zien dat de kwalificatie van de 999-jarige lease als levering betekent dat sprake is van de belaste levering van een nieuw gebouw waardoor deze transactie geen aanleiding kan geven tot een herziening van de genoten btw-aftrek. In dat geval zou Centralan overigens wel btw verschuldigd zijn over de vestiging van de 999-jarige lease, maar dat komt in het arrest niet aan bod.
Hoe dan ook, het Hof wuift in navolging van de A-G het bezwaar van de Europese Commissie weg dat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat twee verschillende personen die verschillende rechten hebben op een goed beide het recht hebben om als een eigenaar over dit goed te beschikken.6 Uit de verschillende wijzen waarop de gezamenlijke eigendom in de rechtsordes van de lidstaten is ingevuld, leidt het Hof af dat het mogelijk is dat meer dan één persoon het recht heeft om als eigenaar over een goed te beschikken.7 Dit argument ontleent het Hof aan de conclusie van de A-G, maar zoals in paragraaf 4.2.3.5.3 is opgemerkt gaat die vergelijking mank. Daarnaast acht ik het inconsistent dat het Hof in het Safe-arrest kiest voor een unierechtelijke uitleg van het leveringsbegrip die losstaat van de uiteenlopende civiele voorwaarden voor de eigendomsoverdracht, maar in het Centralan-arrest op de proppen komt met de uiteenlopende wijze waarop de gezamenlijke eigendom in het civiele recht van lidstaten is geregeld als hét argument voor de unierechtelijke mogelijkheid dat meer dan één persoon het recht heeft om over hetzelfde goed als een eigenaar te beschikken. Feit is evenwel dat het Hof deze beslissing heeft genomen waardoor de vraag op tafel ligt wat de betekenis is van dit arrest voor de (rechts)praktijk. Die vraag komt in de volgende paragraaf aan bod.