Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.2.1
IV.3.2.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460430:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659; Ondernemingsrecht 2007/36, m.nt. Wezeman (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
Timmerman 2016b, m.n. p. 324 en 328; Asser/Kortmann 3-III 2017/156; Hammerstein 2021, p. 365-366; Assink e.a. 2011, nr. 32 en 39; Huizink 2009; Huizink 2013, p. 24; Hammerstein 2017, p. 387; Asser/ Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/208; Sinninghe Damsté 2013, p. 32.
Zie o.a. Huizink 2009 en Huizink 2013; Borrius 2003, p. 79-102; Assink e.a. 2011, p. 35. Op het rechtszekerheidsargument kom ik terug in par. IV.3.6.5.
Zie o.m. Assink e.a. 2011, p. 35; Assink & Slagter 2013, p. 1124 en 1133; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/208; reeds in 2003: Borrius 2003, p. 79-102. Op het argument van beleidsvrijheid kom ik terug in par. IV.3.5.
Zie o.a. Strik 2010, p. 334; De Valk 2009, p. 114; Bartman 2014; Westenbroek 2017, par. 10.2; Karapetian 2019, par. 2.7.3. Er zijn ook voorstanders van de ernstig verwijt-doctrine, die de verwijzing naar 2:9 BW ongelukkig achten. Zie bijvoorbeeld Wezeman in zijn noot onder HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ondernemingsrecht 2007/36 (Ontvanger/Roelofsen); en Kroeze, Timmerman & Wezeman 2017, p. 187, “[N]iet helemaal duidelijk is waarom de Hoge Raad bij het formuleren van de maatstaf voor externe aansprakelijkheid (tegenover schuldeisers) verwijst naar de norm van art. 2:9 BW, die immers ziet op de interne aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de vennootschap.”
De ernstig verwijt-maatstaf maakte zijn (definitieve) intrede in het Ontvanger/ Roelofsen-arrest. In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat “alleen dan [mag] worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt”.1 Op deze manier is door de Hoge Raad een brug geslagen tussen de norm die geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW en de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Men pleegt in dit kader te spreken van ‘normatieve convergentie’, oftewel het gelijktrekken van de aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders in de verschillende aansprakelijkheidsregimes. Veel auteurs menen dat de ernstig verwijt-maatstaf over de gehele linie van bestuurdersaansprakelijkheid dezelfde betekenis heeft of moet hebben.2
Voorstanders van deze uniformering menen dat de normatieve convergentie de overzichtelijkheid van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht ten goede komt.3 Ook zou de beperking van de aansprakelijkheid van de bestuurder door middel van de ernstig verwijt-maatstaf recht doen aan het bijzondere karakter van diens bestuurstaken.4 Het ‘overwaaien’ van de ernstig verwijt-maatstaf naar het algemene aansprakelijkheidsrecht heeft ook veel kritiek opgeleverd. Critici wijzen erop dat het toepassingsbereik, het normencomplex en de systematiek van interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid onvoldoende vergelijkbaar zijn.5 Daar ben ik het mee eens, en in deze paragraaf licht ik dit standpunt toe.
Hierna bespreek ik eerst hoe de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in artikel 2:9 BW is onderbouwd. Vervolgens sta ik stil bij enkele belangrijke verschillen tussen bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW en 6:162 BW, die maken dat voor de normatieve convergentie – of nauwkeuriger gezegd: het transplanteren van de ernstig verwijt-maatstaf naar het algemene aansprakelijkheidsrecht – geen plaats is.